Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-08-11
ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1138
ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1138 text/xml public 2025-07-30T17:54:49 2013-04-05 Raad voor de Rechtspraak nl AZ1138 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-08-11 01/2585 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N 2007/11.1.4 FutD 2006-2019 Viditax (FutD) 2006110109 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1138 text/html public 2013-04-05T00:40:41 2006-10-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1138 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-08-2006 / 01/2585 Mede gezien het gestelde in het arrest van het hof van Justitie van 26 april 2005 moet er vanuit worden gegaan dat marktdeelnemers, die de economische handelingen waarop de wet doelt verrichten, in casu de verhuur van onroerend goed, door middel van persberichten van de komende vaststelling van deze wet en de voorgenomen terugwerkende kracht in kennis zijn gesteld. In het kader van de toepassing van het communautaire vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel ligt het dan naar het oordeel van het hof op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij niet in staat is geweest te begrijpen welke gevolgen de voorgenomen wetswijziging voor zijn handelingen zou hebben. Nu belanghebbende, gevraagd naar een reactie op meergenoemd arrest van 26 april 2005, terzake geen feiten en omstandigheden heeft gesteld en ingevuld, heeft hij naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is geweest te begrijpen welke gevolgen de voorgenomen wetswijziging voor zijn handelingen zou hebben, zodat zijn beroep op communautaire vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel moet worden afgewezen. BELASTINGKAMER Nr. 01/2585 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z, van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag en de daarbij gegeven beschikking heffingsrente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 00.00.000.F.01.0000 over het tijdvak 1995 tot en met 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd met dagtekening 23 december 2000 ten bedrage van f 264.387,= aan belasting, alsmede bij beschikkingen een boete van f 10.000,= en heffingsrente van f 22.461,=. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 177.635,=, de boete verminderd tot nihil en de heffingsrente verminderd tot f 15.435,=. 1.2. Belanghebbende is tegen de uitspraken inzake de naheffingaanslag en de heffingsrente in beroep gekomen bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van f 450,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 november 2004 te 's-Hertogenbosch. Het hof heeft deze zaak gevoegd behandeld met de zaken van belanghebbende bekend onder de nummers van het hof 01/02586 en 02/03556. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. 1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 1.6. Het hof het onderzoek heropend en heeft partijen verzocht zich uit te laten over het door het hof aan hen in afschrift verstrekte arrest van het Hof van Justitie van 26 april 2005, zaak C-376/02 en het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005, nr. 36 924, onder meer Overeenkomstig de in Mededeling 39,paragraaf 4, opgenomen goedkeuring wordt vooreerst met een voorlopige melding volstaan. In onze administratie is aan deze voorlopige melding volgnummer 1 toegekend." en "(...) maakt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Y hierbij melding van de huurovereenkomst die gesloten is met de Stichting Gemeenschapshuis F. Overeenkomstig de in Mededeling 39,paragraaf 4, opgenomen goedkeuring wordt vooreerst met een voorlopige melding volstaan. In onze administratie is aan deze voorlopige melding volgnummer 2 toegekend.". 2.7. De Inspecteur heeft in 2000 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 1995 tot en met 1999. Naar aanleiding van dat boekenonderzoek is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is opgelegd, omdat de inspecteur van mening is dat met betrekking tot verhuur van D geen tijdige melding heeft plaatsgevonden in het kader van de toepassing van de overgangsregeling als bedoeld in artikel V van de Wet van 18 december 1995, Stb. 659. De verhuur van D is in die opvatting vanaf 1996 vrijgesteld, zodat voor 1996 tot en met 1999 herziening moet plaatsvinden van de ter zake van de bouw van D aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting. Met betrekking tot F is de Inspecteur van mening dat op grond van voornoemde wet geen belaste verhuur mogelijk is, zodat niet wordt toegekomen aan aftrek van omzetbelasting die in rekening gebracht ter zake van de verbouwing van F. Nu in 1995 terzake omzetbelasting op aangifte in aftrek is gebracht, dient die aftrek, aldus de Inspecteur, in 1995 te worden herzien. Na bezwaar rest voor D en F respectievelijk f 163.648,= aan omzetbelasting en f 13.254,= aan heffingsrente en f 13.987,= aan omzetbelasting en f 2.181,= aan heffingsrente. 2.8. In een kopie van een niet ondertekende brief van burgemeester en wethouders van belanghebbende van 20 november 1992, voorstelnr. 00-00-000, is onder meer het volgende opgenomen: "Ter verdere uitvoering van het accommodatiebeleid zijn na de centrumvoorzieningen in Y, de plannen in K tot aanpassing van gemeenschapshuis F zo ver gevorderd dat kredietvotering kan plaatsvinden. (...) Ter uitvoering van de accommodatienota zal de feitelijke en juridische overdracht van het gebouw naar de gemeente nog moeten plaatsvinden waarmee naar de toekomst toe het technisch en ingrijpende onderhoud van de gebouwen voor rekening van de gemeente komt. De juridische overdracht alsmede het nader aangeven van de onderhoudsgrenzen (rekening gemeente respectievelijk stichting) zullen via separate voorstellen, geüniformeerd voor alle drie de kerkdorpen, de komende maanden uw raad bereiken. (...)". 2.9. In het verzoek, per fax ingediend bij de Inspecteur op 23 oktober 1993, werd verzocht om beschikkingen voor belaste verhuur voor een viertal gemeenschapshuizen met als ingangsdatum 1 september 1993. De Inspecteur heeft op 28 oktober 1993 per brief verzocht hem de huurcontracten over te leggen en hem in kennis te stellen van de huurprijzen. Op 10 februari 1994 ontving de Inspecteur nadere gegevens. Gegevens inzake F werden niet verstrekt. Op 6 april 1994 heeft de Inspecteur de heer L, adviseur van belanghebbende, telefonisch verzocht de ontbrekende gegevens te verstrekken. Op 7 april 1994 ontvangt de Inspecteur per fax het eerder ontvangen optieverzoek inzake F. Op 27 april 1994 heeft de Inspecteur een bespreking met voornoemde heer H; bij die bespreking zijn de door de Inspecteur gevraagde gegevens niet over gelegd. Bij die bespreking heeft de Inspecteur verzocht alsnog de huurovereenkomst, huurprijs en stichtingskosten te verstrekken. 2.10. Bij brief van 20 juli 1994 verzoekt de Inspecteur de heer H opnieuw om inlichtingen. Op 26 juli 1994 worden per fax nadere gegevens verstrekt. Met betrekking tot F wordt bericht dat er geen huurovereenkomst bestaat, dat de stichtingskosten niet bekend zijn, omdat de verbouwing nog niet is afgerond, en dat de d te beperken.(...) 4.1 De huurprijs bedraagt bij aanvang van deze huurovereenkomst: f. 10.000 exclusief BTW. (...) 4.4 Huurster stemt er onvoorwaardelijk mee in, dat verhuurster opteert voor het aan huurster in rekening brengen van omzetbelasting over de vermelde huurprijs en machtigt verhuurster voor zover nodig de daarvoor noodzakelijke (rechts-) handelingen te verrichten. Waar nodig zal huurster medewerking bij benodigde rechtshandelingen verlenen. (...) 7.1 De betaling van de huurpenningen vermeerderd met het geldende percentage omzetbelasting, als blijkende uit de door verhuurster aan huurster toe te zenden huurnota's, geschiedt achteraf in maandelijkse termijnen, waarbij het betreffende bedrag telkenmale uiterlijk op de eerste werkdag van de daarop volgende huurmaand door verhuurster dient te zijn ontvangen.(...) Betaling dient te geschieden door overmaking op een door verhuurster aan te geven bank-of girorekening.(...) 19.3 Eventuele van deze overeenkomst afwijkende nadere afspraken tussen partijen zijn slechts geldig voorzover schriftelijk door verhuurster bevestigd.(...) 19.5 Deze huurovereenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde: 1. dat de raad van de gemeente Y instemt met de onderhavige huurovereenkomst; 2. dat de raad van de gemeente Y instemt met de overeenkomst van koop en verkoop tussen partijen d.d. 3. dat de gemeente de eigendom verwerft van het perceel nader bepaald bij de onder 2 vermelde overeenkomst.(...)". 2.17. In de akte van levering van het gemeenschapshuis F door de Stichting Gemeenschapshuis K en A, hierna verkoper, aan belanghebbende, hierna koper, van 30 oktober 1995 is onder meer het volgende opgenomen: "(...)Verkoper heeft blijkens een met koper op eenendertig december negentienhonderdvierennegentig aangegane overeenkomst van koop en verkoop, welke overeenkomst is ondertekend op zestien mei negentienhonderdvijfennegentig aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze in eigendom aanvaardt: een perceel bouwrijpe grond met opstal, met inbegrip van inventaris, staande en gelegen te K,(...), het registergoed hierna ook te noemen het verkochte, bij verkoper in gebruik als bijzonder gebouw met voornamelijk een functie als ruimte voor sociaal-culturele doeleinden. Ten aanzien van dit gebruik van het verkochte heeft verkoper meegedeeld dat hem niet bekend is dat dit gebruik op publiek- of privaatrechtelijke gronden niet is toegestaan. (...) De koopprijs bedraagt EEN GULDEN (f.1,00), welk bedrag door koper is voldaan door storting op een rekening van de notaris. Verkoper verleent koper kwitantie voor de betaling van de koopprijs. Voormelde overeenkomst van koop en levering is, voor zover ten deze nog van belang, gesloten onder de volgende: BEDINGEN (...) Artikel 2 1. Verkoper is verplicht aan koper eigendom te leveren die: a. onvoorwaardelijk is; (...) d. niet belast is met lasten en beperkingen uit overeenkomst; (...) Artikel 3 In afwijking van hetgeen is gesteld in de koopovereenkomst, heeft de feitelijke levering (aflevering) van het verkochte plaatsgevonden op een januari negentienhonderdvijfennegentig. Vanaf dat tijdstip draagt de koper het risico van het verkochte.(...) Artikel 4 Verkoper garandeert het volgende: a. verkoper is bevoegd tot verkoop en levering van het verkochte; b. indien het verkochte vrij van huur moet worden overgedragen, is het verkochte thans vrij van huur en/of van andere aanspraken tot gebruik, leeg, ontruimd en ongevorderd. Het verkochte is evenmin zonder recht of titel in gebruik bij derden. (...)". De akte van levering is op 31 oktober 1995, onder nummer 00000/00, ingeschreven in openbare registers. 2.18. Belanghebbende heeft bij het beroepschrift onder meer een viertal afdrukken van kennelijk dubbelen van facturen van de gemeente Y aan St. gemeenschapshuis F te K over gelegd. De afdrukken betreffen facturen van het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 1995 met de nummers De economische levering moet eerder hebben plaatsgevonden, anders zou er geen reden zijn voor betaling. -De wijze van verhuur van zaaltjes kan aan algemene wetenschap worden ontleend. Als voorbeeld wordt genoemd de verhuur voor een korte periode van een zaaltje in een dorpshuis aan de klaverjasclub. Een feitenonderzoek is niet nodig. Bij ter beschikkingstelling van licht, toiletten e.d. is nog sprake van verhuur van onroerend goed. Worden muziek, drankjes en meubels ter beschikking gesteld dan ligt dat anders. -Ik beschik alleen over de stukken die al als bijlagen zijn bijgevoegd. Ik ga er vanuit dat het optieverzoek wel is ondertekend door F. Als F het optieverzoek niet zou hebben ondertekend, had het voor de hand gelegen dat het gebrek op enig moment bij de afwerking van het verzoek aan de orde zou zijn gesteld. -(gevraagd) Met betrekking tot de economische eigendom is alles wat beschikbaar was verstrekt. -(gevraagd naar artikel 2.1.d van de Akte van levering) De lijnen zijn zo kort dat er geen waarde aan is gehecht dit tot in de puntjes uit te werken. -(gevraagd naar de in de akte van levering genoemde koopovereenkomst) Ik moet een antwoord schuldig blijven. -Per 1 januari 1995 is het goed economisch aan de gemeente geleverd. Een en ander is mondeling overeengekomen. Er is ook gefactureerd over die periode. Vanwege de eerdere economische levering behoeft er juridisch gezien geen sprake te zijn van terugwerkende kracht. -Voor wat betreft de toepassing van artikel 37 Wet OB 1968 heb ik aan het door mij gestelde niets toe te voegen. De Inspecteur -Het is te laat om een geheel nieuwe stelling in te brengen. Fiscaaltechnisch is het wellicht nog wel te overzien, maar het feitelijk gebruik van de accommodatie is niet vast te stellen. De stelling in de pleitnota inzake de verhuur is tardief. -Het gaat niet om fraude, maar er is wel sprake van opmerkelijke feiten. Te denken valt aan de stelling dat mondeling overeen zou zijn gekomen om de macht om als eigenaar over de zaak te beschikken over te dragen, de gestelde verhuur en de daarvoor aangevoerde vergoedingen, de betaaldata van de nota's, de gestelde terugwerkende kracht en de ondertekening van de overeenkomsten en de optie. -Mij staat op zich niet bij dat de ondertekening van het optieverzoek een probleem was. (gevraagd) Ik ben bereid belanghebbende een door F ondertekend exemplaar van het optieverzoek te laten overleggen. Er waren diverse punten in discussie met betrekking tot het optieverzoek. Het ging om handtekeningen, niet overleggen overeenkomsten e.d. Ik beschik niet over de stukken. Ze zijn in het procesdossier in het ongerede geraakt. Bij afwijzing van het verzoek is met name gelet op de materiële kant van de zaak. In de uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2001 is gesteld dat namens de gemeente Y is verzocht om de verhuur te belasten. -(gevraagd) Mijn uitgangspunt blijft dat we moeten uitgaan van de stukken zoals die zijn voorgelegd aan het hof. Belanghebbende heeft wel de gelegenheid om alsnog een ondertekend optieverzoek te overleggen. -Zo er al sprake is van voorbelasting die bij de gemeente opkomt, moet worden vastgesteld dat de gemeente op het moment van de verbouwing van F geen beschikkingsmacht had. Bij de opening was F nog niet geleverd aan de gemeente. Eerst daarna vindt een discussie plaats over de toepassing van de vrijstelling voor de verhuur. Verbintenisrechtelijk kunnen waardedalingen en waardestijgingen wel terugwerken. Goederenrechtelijk is dat echter niet mogelijk. Voor de gestelde levering van de economische eigendom van F is geen bewijs geleverd. -Voor de herziening op basis van het arrest Schmeink & Cofreth en Strobel van het Hof van Justitie verwijs ik naar het besluit van de staatssecretaris. Als aan de voorwaarden is voldaan, kan herziening plaatsvinden. Ik ben bereid een verzoek om herziening alsnog te beoordelen. Die herziening is echter niet toe te rekenen aan het in geding zijnde tijdvak. 3.3. Belanghebbende concludeert primair tot gegrond De vraag of in 1996 tot en met 1999 herziening mogelijk is van de omzetbelasting die aan belanghebbende in rekening is gebracht ter zake van de vervaardiging van D moet naar het oordeel van het hof gezien het gestelde in het arrest Leusden en Holin Groep van het Hof van Justitie van 29 april 2004, C-487/01, V-N 2004/24.17 en HR 20 mei 2005, nr. 36 277, V-N 2005/27.18, bevestigend worden beantwoord. De wijzigingswet is van 18 december 1995, zodat van terugwerkende kracht geen sprake is. Vraag II 4.5. Op grond van artikel V, negende lid van de Wet van 18 december 1995, Stb. 659, blijft onder bepaalde voorwaarden de regeling voor de belaste verhuur, zoals die gold voor de inwerkingtreding van die wet, van toepassing (hierna: de overgangsregeling). In onderdeel d van voornoemd artikel V is als voorwaarde opgenomen dat de schriftelijke (huur)overeenkomst binnen vier weken na inwerkingtreding van deze wet moet zijn gemeld bij de inspecteur. Het hiervoor gestelde heeft naar het oordeel van het hof tot gevolg dat de melding diende te geschieden bij de voor belanghebbende bevoegde inspecteur inzake de omzetbelasting. Gezien het vorenstaande en gezien het bepaalde in het eerste lid van voornoemd artikel V diende de melding uiterlijk 26 januari 1996 bij de Inspecteur te zijn ingekomen. Partijen verschillen met betrekking tot die datum overigens niet van mening. Nu in meergenoemd artikel V en ook overigens in de wettelijke bepalingen geen voorlopige melding, zoals in casu is gedaan, is voorzien, is niet aan de voorwaarden voldaan en kan de overgangsregeling derhalve in principe geen toepassing vinden. 4.6. In het besluit van 19 december 1995, nr. VB 95/4056, V-N 1996, blz. 131, punt 17, is echter onder meer een nadere uitwerking opgenomen van de overgangsregeling. Ter zake van een voorlopige melding is het volgende opgenomen: "In gevallen waarin een melding op 26 januari 1996 op ernstige problemen stuit, kan uiterlijk op die datum een voorlopige melding worden gedaan. Deze voorlopige melding, die moet worden voorzien van een aanduiding waaruit het voorlopige karakter blijkt en van een volgnummer, moet ten minste de volgende gegevens bevatten: -de naam van de huurder, en -de omschrijving van de onroerende zaak. Uiterlijk op 1 maart 1996 moeten, onder vermelding van het volgnummer van de voorlopige melding, de ontbrekende gegevens worden aangevuld.". In het besluit van 31 januari 1996, VB 96/236, V-N 1996, blz. 776, punt 23, is terzake nog het volgende opgenomen: "Ingeval het aanvullen van de ontbrekende gegevens uiterlijk op 1 maart 1996 tot ernstige problemen leidt, ontmoet het geen bezwaar dat deze aanvulling, in overleg met de inspecteur, welk overleg plaats dient te vinden voor eerder genoemde datum van 1 maart 1996, wordt uitgesteld tot uiterlijk 1 juli 1996.". 4.7. Blijkens het gestelde in punt 3.3.1 van de kopie van het controlerapport doet de adviseur van belanghebbende op 29 februari 1996 onder meer een verzoek om uitstel van de definitieve melding tot 1 juli 1996. Op 27 juni 1996 doet de adviseur van belanghebbende per fax een definitieve melding voor de verhuur van D. Of los van het tijdstip van indiening van de voorlopige melding aan de voorwaarden van de overgangsregeling wordt voldaan is niet duidelijk. Uit de omschrijving van het geschil door belanghebbende is terzake geen beperking af te leiden. Uit de overige stukken van het geding en het verweerschrift van de Inspecteur leidt het hof af dat partijen zich op het standpunt stellen dat enkel het tijdstip van indiening van de voorlopige melding ter discussie staat. Het hof zal partijen in die opvatting volgen. Het hof is in dit verband van oordeel dat voor zowel de wettelijke regeling van voormeld artikel V als voor de regeling van de voorlopige melding uit voornoemde besluiten met betrekking tot het tijdstip van indiening van de (voorlopige) melding dezelfde regels hebben te gelden. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat met de toezending per fax van de voorlopige meldi Vraag II dient bevestigend te worden beantwoord. Vraag III 4.12. Uitgaande van het oordeel dat de overgangsregeling toepassing mist, verzoekt belanghebbende de aanslag te verminderen met de alsdan ten onrechte op facturen aan de huurders in rekening gebrachte omzetbelasting, een en ander voor zover zijn huurders het recht op aftrek van die belasting niet geldend hebben gemaakt. Belanghebbende beroept zich daarbij op het arrest Schmeink & Cofreth en Strobel van het hof van Justitie van 19 september 2000, nr. C-454/98, V-N 2000/47.16. In dat arrest is onder meer het volgende geoordeeld: "63. Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat wanneer de opsteller van de factuur het gevaar voor verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig heeft uitgeschakeld, het beginsel van de neutraliteit van de BTW verlangt, dat de ten onrechte gefactureerde belasting kan worden herzien zonder dat deze herziening afhankelijk kan worden gesteld van de goede trouw van de opsteller van de factuur." en "70. Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat het aan de lidstaten staat de voor de herziening van de ten onrechte gefactureerde BTW te volgen procedure vast te stellen, met dien verstande dat deze herziening niet van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de belastingadministratie mag afhangen.". 4.13. Mede gezien het gestelde door partijen moeten de huurders van D en F worden aangemerkt als ondernemer. Het vorenstaande brengt met zich dat die huurders in beginsel recht hebben op aftrek van omzetbelasting en dat derhalve niet zonder meer is voldaan aan de eis uit het hiervoor genoemde arrest dat het verlies van belastinginkomsten volledig is uitgeschakeld. Ook met de enkele stelling van belanghebbende dat in het tijdvak van naheffing voor de verhuur (van D) f 135.000,= aan omzetbelasting is voldaan en de overgelegde kopie van een verklaring van het Hoofd Sector Middelen is niet het van belanghebbende te verlangen bewijs geleverd dat het gevaar voor verlies van belastinginkomsten in dezen tijdig en volledig is uitgeschakeld. Belanghebbende, de opsteller van de facturen die deze ook heeft uitgereikt, heeft geen enkele actie ondernomen, ook en vooral niet jegens zijn afnemers/ondernemers. Met de verklaring inzake de aan de huurder in rekening gebrachte omzetbelasting is, zonder een enkel nader gegeven, volstrekt onvoldoende zekerheid gegeven over het op de huurnota's vermelde bedrag. Voor de verklaring inzake de door de huurders in aftrek gebracht omzetbelasting geldt hetzelfde. Die verklaring wordt ook met geen enkel gegeven (van de huurder) onderbouwd en is bovendien afgegeven door een medewerker van belanghebbende. Vraag III dient ontkennend te worden beantwoord. Vraag IVa 4.14. Het niet (tijdig) afgeven van een beschikking inzake zogenoemde belaste verhuur dan wel grieven, gericht tegen zo'n beschikking, kunnen in deze procedure - die betrekking heeft op een naheffingsaanslag - niet aan de orde komen. Het is aan de Inspecteur om op het verzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, ten 5e van de Wet (tekst tot wijziging bij de Wet van 18 december 1995, Stb. 659) een beslissing te geven bij een voor bezwaar vatbare beschikking, ter zake waarvan een eigen rechtsgang bestaat. Zou overigens een beschikking voor belaste verhuur zijn of moeten zijn afgegeven dan wordt de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd beheerst door de antwoorden op de andere vragen. Vraag IVa dient ontkennend te worden beantwoord. Vraag IVb 4.15. Voorwaarde voor de toepassing van de overgangsregeling voor belaste verhuur van artikel V, negende lid van de Wet van 18 december 1995, Stb. 659, is onder meer dat de verhuur plaatsvindt op grond van een op 31 maart 1995, 18.00 uur, bestaande schriftelijke overeenkomst. Belanghebbende heeft aan de Inspecteur geen huurovereenkomst overgelegd die voldoet aan voornoemde voorwaarde. Overigens is de Inspecteur namens belanghebbende meegedeeld dat van (definit Van (een titel voor) een eerdere terbeschikkingstelling tegen vergoeding aan derden, dan wel gebruik door belanghebbende binnen de eigen onderneming, van F is niet gebleken. Prestaties te duiden als economische activiteiten zijn ook niet gesteld. De omstandigheid dat het verbouwde F feitelijk door de stichting, die tot 31 oktober 1995 eigenaar is van F en voorheen ook gebruiker van F was, werd gebruikt, brengt naar het oordeel van het hof niet met zich dat belanghebbende de verbouwingsdienst(en) op en vanaf 1 januari 1995 bezigt in de zin van artikel 15, vierde lid van de Wet. Van een zodanig bezigen is eerst sprake bij de op 1 november 1995 aanvangende verhuur aan de stichting. Nu de Inspecteur terecht het verzoek inzake de belaste verhuur van F heeft afgewezen, zie de uitspraak van het hof in de zaak bekend onder nummer BK 02/03556, vindt dat gebruik plaats voor vrijgestelde prestaties. Dat laatste heeft tot gevolg dat gezien het bepaalde in meergenoemd artikel 15, vierde lid van de Wet OB 1968, welke bepaling naar het oordeel van het hof in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 20, lid 1 van de Zesde richtlijn, belanghebbende de eerder ter zake van de verbouwing van F in aftrek gebrachte omzetbelasting verschuldigd wordt. Overigens zou ook indien wel een optie voor belaste verhuur zou zijn verleend herrekening van de in aftrek gebrachte omzetbelasting mogelijk zijn, zie hierna. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in dezen terecht is opgelegd. 4.20. Bij het gestelde in 4.17. doet zich de vraag voor of alsdan een juiste uitvoering wordt gegeven aan de communautaire bepalingen, het communautaire vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en de uitwerking daarvan door het hof van Justitie. Uit het eerder genoemde arrest Gemeente Leusden en Holin Groep is naar het oordeel van het hof af te leiden dat de directe en volledige aftrek de correctie van voormeld artikel 15, vierde lid, van de Wet OB 1968, gebaseerd op artikel 20 van de Zesde richtlijn, niet verhindert. Afschaffing van het recht om te kiezen voor belastingheffing met als gevolg herziening op grond van voornoemd artikel 20 is toegestaan. Zou dat overigens anders zijn dan wordt belanghebbende naar het oordeel van het hof aan het eind van 1995 de betreffende belasting verschuldigd op grond van het gestelde in artikel 12, derde lid van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968. Het hof is van oordeel dat die herrekening in overeenstemming is met de bepalingen van de Zesde richtlijn. Op grond van artikel 19, lid 3, laatste volzin van die richtlijn mocht Nederland die regeling handhaven. Verder komt de herrekening in deze in resultaat overeen met de herziening van artikel 20, lid 1 van de Zesde richtlijn. Dat betekent dat de naheffingsaanslag ook dan terecht is opgelegd. Vraag V dient ontkennend te worden beantwoord. Vraag VI 4.21. Tussen partijen is niet in geschil dat de Wet van 18 december 1995, Stb. 659, in dezen van toepassing is. Nu geen sprake is van een juridisch onjuist standpunt zal het hof partijen daarin volgen. Zoals hiervoor is geoordeeld is herrekening van de terzake van de verbouwing van F in rekening gebrachte omzetbelasting op zich mogelijk en verzet ook het communautaire rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zich daar niet tegen. Nu er gezien het vorenstaande van uit moet worden gegaan dat per 1 november 1995 van verhuur sprake is en de wijzigingswet van 18 december 1995 is, rijst evenwel de vraag, of en in hoeverre terugwerkende kracht van deze wet is toegelaten. Belanghebbende doet, zo verstaat het hof hem, met zijn stelling dat er op grond van het arrest Schloßstraße ten onrechte herziening heeft plaatsgevonden, omdat de voorziene belaste verhuur alleen door een wetswijziging niet kan plaatsvinden, ook in dit kader een beroep op het communautaire rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. 4.22. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 26 april 2005, zaak C-376/02, V-N 2005/23.16, het volgende geoordeeld: "Het vertrouwens- en het rechtszekerheidsb