ECLI:NL:GHSHE:2006:AY7879
Parketnummer: 20-009920-05
Uitspraak : 1 september 2006
TEGENSPRAAK
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
economische kamer
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Roermond van 30 juni 2005 in de strafzaak met parketnummer 04-068091-04 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, en te dien aanzien opnieuw rechtdoende:
- bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd;
- toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 40 uren, wanneer deze niet naar behoren wordt verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen en voorts tot een geheel voorwaardelijke geldboete van EUR 2.200,-, te vervangen door 44 dagen hechtenis, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zal voldoen aan zijn herplantingsverplichting.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en verbeterd gelezen - ten laste gelegd dat:
a.
hij in de gemeente Heythuysen, als eigenaar van (een) perceel/percelen grond, kadastraal bekend: [kadastrale gegevens], op welk(e), perceel/percelen grond in of omstreeks het jaar 2000 een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning was geveld en/of op andere wijze tenietgegaan, al dan niet opzettelijk niet binnen het tijdvak van drie jaren na die velling of dat tenietgaan van die houtopstand, immers nog niet op 17 mei 2004, heeft voldaan aan zijn verplichting tot herbeplanting door beplanting op bosbouwkundig verantwoorde wijze van de grond waarop zich bedoelde aldus gevelde en/of op andere wijze tenietgegane houtopstand bevond, of - voorzover de directeur van het Staatsbosbeheer daartoe toestemming had verleend - van andere grond;
en
b.
hij in de gemeente Heythuysen, als eigenaar van (een) perceel/percelen grond, kadastraal bekend: [kadastrale gegevens], op welk(e), perceel/percelen grond in of omstreeks het jaar 2000 een herbeplanting had plaatsgehad, al dan niet opzettelijk,
niet binnen het tijdvak van drie jaren na de herbeplanting, immers nog niet op 17 mei 2004 heeft voldaan aan zijn verplichting de beplanting die niet was aangeslagen te vervangen.
Vrijspraak en bewezenverklaring
A1
Het hof constateert dat de tenlastelegging - na de wijziging in hoger beroep en verbeterde lezing - onder a. is toegesneden op artikel 3, eerste lid van de Boswet (kort gezegd: herbeplantingsverplichting na een velling of een tenietgaan houtopstand) en onder b. is toegesneden op artikel 3, tweede lid van de Boswet (kort gezegd: de vervangingsverplichting terzake van na herbeplanting niet aangeslagen beplanting).
Blijkens de door de advocaat-generaal op de wijziging en bij vordering gegeven toelichting, moet de tenlastelegging aldus worden verstaan dat de beide feiten cumulatief zijn ten laste gelegd.
A2
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 3 van de Boswet luidt, voorzover hier van belang, als volgt:
1. De eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, is verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen.
2. De in het vorige lid bedoelde eigenaar is tevens verplicht beplanting die niet is aangeslagen binnen drie jaren na de herbeplanting te vervangen.
A3.1
Uit het onderzoek ter terechtzitting - meer in het bijzonder uit het proces-verbaal van de Provincie Limburg, Afdeling Handhaving en Monitoring, Bureau Toezicht en Handhaving, nr. HMT-04-PV-[verdachte] / 20, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant], d.d. 9 augustus 2004 - is, voorzover hier van belang, gebleken van de navolgende omstandigheden:
i. op het perceel kadastraal bekend: [kadastrale gegevens] [voortaan: het perceel] werd in 1984 een velling als bedoeld in artikel 1 van de Boswet uitgevoerd, waardoor een herplantingsverplichting is ontstaan;
ii. bij het onderzoek op het perceel op 3 oktober 1995, bleek dat een deel van de herbeplanting niet was aangeslagen;
iii. omstreeks april 2000, werd aan de verbalisant door [betrokkene] - naar het hof begrijpt: een boomkweker, handelend in opdracht van de verdachte - telefonisch medegedeeld dat in maart 2000 350 populieren stekken waren aangeplant op het perceel;
iv. op 12 december 2000, heeft de verbalisant bij controle vastgesteld dat op het perceel een herbeplanting was uitgevoerd met ongeveer 300 populieren, bij 150 waarvan de aanslag twijfelachtig was;
v. op 19 juni 2003 heeft de verbalisant bij controle vastgesteld dat het merendeel van deze herbeplanting teniet was gegaan, naar schatting, over een oppervlakte van 1.00.00 ha;
vi. bij brief van 13 augustus 2003 is verdachte gewezen op de vervangingsplicht van de tenietgegane herbeplanting, waarbij hij in de gelegenheid werd gesteld vóór 31 december 2003 aan deze verplichting te voldoen;
vii. op 17 mei 2004 heeft de verbalisant bij controle vastgesteld dat in de houtopstand meerdere open plaatsen waren, en dat de herbeplanting niet was aangeslagen over een oppervlakte van 1.00.00 ha.
A3.2
Bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 18 augustus 2006, heeft de verbalisant [verbalisant] als getuige terzake een verklaring afgelegd. Uit deze verklaring blijkt - voorzover hier van belang - dat:
viii. de getuige naar aanleiding van de op 12 december 2000 gedane constatering dat bij 150 van de herbeplante populieren de aanslag twijfelachtig was, de verdachte heeft gewezen op de zogenoemde 'inboetplicht', inhoudende dat hij tenietgegane herbeplanting binnen drie jaar dient te vervangen;
ix. de getuige in de periode van 12 december 2000 tot 19 juni 2003 een aantal malen het perceel heeft bekeken en heeft geconstateerd dat er niet is herbeplant;
x.
B2
Bij gelegenheid van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, heeft de verdachte bij wijze van verweer en onder overlegging van een factuur van [bedrijf], d.d. 30 november 2004, gesteld dat hij wel heeft herbeplant.
B3
Naar het oordeel van het hof ligt de verwerping van dit verweer reeds besloten in hetgeen werd overwogen onder A3.1 en A5.1. Bijgevolg behoeft het verweer geen nadere bespreking.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 3, tweede lid van de Boswet, in verbinding met artikel 1a, aanhef en onder 2, Wet op de economische delicten in verbinding met de artikelen 2, eerste lid en 6, eerste lid aanhef en onder 2 van die wet,
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft als eigenaar van een bosperceel verzuimd te voldoen aan zijn verplichting tot tijdige vervanging van de niet aangeslagen herbeplanting als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Boswet, met welke wet wordt beoogd het Nederlandse bosareaal in stand te houden. Verdachte is herhaaldelijk op zijn verplichtingen gewezen door het Bureau Toezicht en Handhaving bij de afdeling Handhaving en Monitoring, van de Provincie Limburg.
Het hof acht - anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd - oplegging van een geheel onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden. Het hof ziet geen termen voor oplegging van een taakstraf in combinatie met een deels voorwaardelijke geldboete, onder de bijzondere voorwaarde van nakoming van de herbeplantingsverplichting.
Het hof overweegt hiertoe dat - voorzover door verdachte na de bewezenverklaarde periode aangebrachte beplanting niet reeds is aangeslagen - de herplantingsverplichting ingevolge artikel 3, tweede lid van de Boswet blijft voortduren.
Voorts houdt het hof bij het bepalen van de hoogte van de straf er rekening mee dat - zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - de verdachte veelvuldig terzake van de in de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde milieudelicten werd veroordeeld, hetgeen blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d.
12 juli 2006.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voorzover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder a. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het
onder b. ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
Overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 3, tweede lid van de Boswet.
Verklaart verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. A. de Lange, voorzitter
mr. H. Harmsen, en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Kempen, griffier,
en op 1 september 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.