Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-01-25
ECLI:NL:GHSHE:2006:AX8278
ECLI:NL:GHSHE:2006:AX8278 text/xml public 2025-07-30T17:46:52 2013-04-05 Raad voor de Rechtspraak nl AX8278 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-01-25 97/21496 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Algemene wet inzake rijksbelastingen 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen 21 Wet op de omzetbelasting 1968 9 Rechtspraak.nl NTFR 2006/877 FutD 2006-1135 Viditax (FutD) 2006062007 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AX8278 text/html public 2013-04-05T00:08:30 2006-06-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2006:AX8278 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-01-2006 / 97/21496 Gelet op de onder 2.5 vermelde brief van 25 april 1996, welke brief kennelijk dient ter motivering van de op dat moment nog op te leggen naheffingsaanslag en waarin over een verhoging met betrekking tot de correctie verzwegen omzet niet wordt gerept, is naar het oordeel van het Hof niet voldaan aan het uit het artikel 6 van de Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden voortvloeiende vereiste dat de belanghebbende uiterlijk op het moment van het opleggen van de verhoging, zijnde 6 juli 1996, in bijzonderheden op de hoogte is gesteld van de gronden waarop de verhoging en de kwijtschelding daarvan berusten. Feiten en omstandigheden, waaruit zou volgen dat de belanghebbende wél uiterlijk op 6 juli 1996 door de Inspecteur in bijzonderheden is medegedeeld op welke gronden de verhoging, en de kwijtschelding daarvan, met betrekking tot de correctie verzwegen omzet berusten zijn gesteld noch gebleken. Mitsdien dient de verhoging van 10% over fl. 37.625,= te vervallen. BELASTINGKAMER Nr. 97/21496 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH UITSPRAAK Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y tegen het niet tijdig doen van uitspraak op na te noemen bezwaar en tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van de belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift met betrekking tot na te noemen naheffingsaanslag met verhoging opgelegde naheffingsaanslag en het daarbij genomen kwijtscheldingsbesluit. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Met dagtekening 6 juli 1996 is aan de belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995 opgelegd onder nummer 0000.00.000.F.01.0000 naar een bedrag aan enkelvoudige belasting van fl. 912.403,= met een verhoging van 100%. Van deze verhoging heeft de Inspecteur kwijtschelding verleend tot op 50% voor zover het betreft de verhoging over een bedrag van fl. 738.182,=; voor het overige bedrag heeft de Inspecteur besloten geen kwijtschelding te verlenen. Bij brief van 15 juli 1996, bij de Inspecteur binnengekomen op dezelfde datum, heeft de belanghebbende bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit. 1.2. Bij geschrift van 23 oktober 1997, bij het Hof binnengekomen op 27 oktober 1997, komt de belanghebbende op de voet van artikel 25, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (in de voor het onderhavige tijdvak geldende tekst; hierna: AWR) juncto artikel 6:2, aanhef, onderdeel b van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,= (€ 36,30). Bij brief van 3 februari 1998 van het Hof wordt de Inspecteur ingevolge artikel 8a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: WARB) uitgenodigd om te verzoeken om hetzij uitstel van de behandeling van het beroep, hetzij om ontslagen te worden van de verplichting uitspraak te doen. Bij brief van 23 februari 1 In deze laatste brief is onder meer vermeld: 'Uit de door ons gemaakte controle blijkt dat in ruim 90% van de gevallen in lijst 2 er reden is voor twijfel over de juiste toepassing van het nultarief.' 2.4. Bij brief van 19 februari 1996 van de belanghebbende aan de Inspecteur wordt de uitkomst van de steekproef (wederom) betwist. In deze brief wordt, voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld: 'Steekproef Belastingdienst De Belastingdienst heeft een aantal facturen, 178 stuks, uit de administratie genomen en beoordeeld. Uitgangspunt was weliswaar dat het diende te gaan om IC-transacties, doch in de 178 facturen zaten enkele facturen van export naar buiten de EG. Volgens de Mededeling van de heer H zijn de debiteuren in de steekproef die volledig fout waren vervolgens met hun gehele jaaromzet op een lijst geplaatst welke tot het voorstel van de B.T.W.-correctie heeft geleid. De stelling van de heer H is in ons schrijven d.d 15 december 1995 bestreden, zonder weerwoord daarop uwerzijds: 1. In de lijst zit minimaal één debiteur, welke in de steekproeflijst ook een goedgekeurde factuur had. 2. Twee debiteuren wonen buiten de EG. 3. De omzettotalen kloppen niet met de gegevens van de onderneming op dit punt. Opmerkelijk in de lijst is tevens dat de debiteur op de luchthaven I, (debiteurnummer 0000) volgens de heer H niet was meegenomen in het correctie-voorstel, door onduidelijkheid over het klantnummer terwijl volgens onze gegevens deze debiteur wel degelijk in de lijst is opgenomen.'. 2.5. Bij brief van 18 april 1996 verzoekt de belanghebbende de Inspecteur om op uiterst korte termijn zijn standpunt kenbaar te maken. Hierop schrijft de Inspecteur bij brief van 25 april 1996, voor zover te dezen relevant, het volgende: 'AFWIKKELING BOEKENONDERZOEK: Voor wat betreft het verleden, voor zover voortvloeiend uit het boekenonderzoek, zal mede gelet op de bereikte overeenstemming [Hof: met betrekking tot de toekomstige toepassing van het tarief van nihil bij afhaaltransacties] volstaan worden met een naheffingsaanslag zoals die berekend wordt op de bijlage. Nageheven wordt ter zake van transacties waarbij contant betaald werd en omtrent het feitelijke vervoer naar enig buitenland geen bescheiden zijn aangetroffen noch later werden overgelegd. De "andere oorzaak" bij deb.no. 2042 is dat feitelijk vastgesteld is dat de betrokken goederen Nederland nooit verlaten hebben in het kader van de levering door X1. (...) ENKELVOUDIGE BELASTING/HEFFINGSRENTE De enkelvoudige belasting welke wordt nageheven bedraagt derhalve: 1993 :fl. 90.754,= 1994 :fl. 647.428,= (...) VERHOGING Ingevolge artikel 21 AWR wordt de in een naheffingsaanslag begrepen belasting verhoogd met honderd procent. Van deze verhoging wordt kwijtschelding verleend tot op 50 procent omdat sprake is van opzet, waaronder mede wordt begrepen voorwaardelijk opzet. Er is sprake van ( voorwaardelijk) opzet omdat het nultarief werd toegepast op transacties in Nederland zonder dat de juistheid van dat nultarief aangetoond kon worden aan de hand van boeken en bescheiden, en in een geval het nultarief werd toegepast op een transactie in het kader waarvan de betrokken goederen het land nooit hebben verlaten. (...)'. In de eerder vermelde bijlage staan een aantal debiteuren met daarbij vermeld de over de jaren 1993 en 1994 te corrigeren omzetbelasting. 2.6. Met dagtekening van 6 juli 1996 wordt de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van fl. 912.403,= aan enkelvoudige belasting en een verhoging, na kwijtschelding, van fl. 534.312,=. Deze naheffingsaanslag is samengesteld als volgt (in guldens): Jaar Verzwegen Nultarief Totaal omzet 1992 18.000 - 18000 1993 41.125 90.754 131.879 1994 77.741 647.428 724.899 1995 37.625 - 37625 174.221 738.182 912.403 De verhoging is berekend als volgt: Verzwegen omzet 174.221 100% 174.221 Nultarief 738.182 50% 369.091 543.312 Kennelijk vindt met betrekking tot de verhoging een cijferverwisseling plaats, waardoor de verhoging niet op fl. 543.312,= ma De opmerkingen worden hier herhaald gevolgd door enige nadere opmerkingen. 1. Naar aanleiding van een vergelijking van Lijst 1 met Lijst 2 merken wij op dat debiteur 980 op Lijst 2 voorkomt, terwij1 verschillende transacties van deze debiteur op Lijst 1 zijn geaccordeerd. Wij verwijzen derhalve ten aanzien van deze debiteur naar de facturen met nummer 407980 en 611150. 2. Op Lijst 1 is de debiteur L vermeld, welke debiteur zonder nummer staat vermeld. In het gesprek op 4 december 1995 is door de heer. H aangegeven, dat deze debiteur niet in Lijst 2 voorkwam. Thans is duidelijk dat dit wel het geval is onder het bij M behorende debiteuren-nummer 0000, welk nummer overigens verder nergens in Lijst 1 voorkomt. 3. In een gesprek met de heer K is vastgesteld dat de door u gemaakte opstellingen van de jaaromzetten niet correct zijn of kunnen zijn. Gelet op onze conclusies in dit schrijven hebben wij zelf geen optellingen gemaakt c.q. laten maken van de jaaromzetten van de verschillende debiteuren. 4. In de opsomming zijn een tweetal debiteuren buiten de E.G opgenomen. De opmerkingen 1, 2 en 4 zijn in de uiteindelijke naheffingsaanslag niet meer van toepassing, doch dit is nimmer aan ondergetekende medegedeeld. De opmerkingen geven een bepaald beeld over de nauwkeurigheid van de steekproef en de verdere uitwerking. In het antwoord op onze brief van 15 december 1995, d.d. 22 januari 1996, wordt op de opmerkingen niet ingegaan. Naar aanleiding van de beide lijsten van de Belastingdienst is door ondergetekende een tweede steekproef gedaan. Van de 12 grootste debiteuren uit Lijst 2 is een willekeurige factuur genomen ter beoordeling. Deze lijst wordt verder aangeduid met Lijst G12. Deze Lijst G12 bevat ruim 80% van het totaal van Lijst 2 van de Belastingdienst. Van elke debiteur is een factuur beoordeeld op het aanwezig zijn van bepaalde stukken, met name de betalingswijze en het vervoer worden vermeld. De conclusies van de twaalf debiteuren worden als volgt samengevat: - tien hebben er telefonisch per bank (per Swift) betaald. - twee zijn er niet woonachtig in de E.G. en hiervan zijn exportpapieren aanwezig. - twee worden middels een buitenlandse koeriersdienst afgehaald. - één wordt middels van Gend & Loos afgeleverd - zes worden per fax besteld, waarvan bij 3 orders een afschrift ontbreekt - zes worden door een ander dan de afnemer en/of X1 vervoerd - één heeft een bevestigingsfax voor ontvangst gestuurd. In een brief van 19 februari 1996 wordt door ondergetekende uiteengezet dat X B.V. zorgvuldig heeft gehandeld. Deze zorgvuldigheid is door ondergetekende mede op basis van Lijst G12 aangetoond. Uit Mededeling 38 volgt dat een ondernemer die zorgvuldig heeft gehandeld, beschermd wordt. Mededeling 38 leidt er derhalve toe, dat het risico voor de leverancier daarmee wezenlijk verkleind wordt. De leverende ondernemer, in casu X B.V., kan niet meer verantwoordelijk gehouden worden voor de frauderende afnemer. De centrale gedachte van Mededeling 38 is dat de zorgvuldigheid van de leverancier beslissend is voor diens B.T.W.-positie. De Belastingdienst heeft, volgens Mededeling 38, slechts de mogelijkheid tot naheffen indien de feitelijke omstandigheden afwijken van hetgeen uit de administratie (boeken en bescheiden) blijkt en de leverancier wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de in zijn administratie aanwezige bescheiden een onjuiste indruk geven over het karakter van de onderliggende transactie. De bewijslast in dezen ligt dan ook bij de Belastingdienst. Na het schrijven van 19 februari 1996 wordt door u de lijst van probleem-debiteuren ingekort. Het na te heffen bedrag aan omzetbelasting wordt zonder duidelijke verklaring uwerzijds als volgt verlaagd. 1993 1994 1995 Voorstel vóór 19-02-1996 5.483.508 25.7170.758 29.674.934 Voorstel na 19-02-1996 518.597 3.699.594 0 Zoals in de brief van 19 februari 1996 is aangegeven, heeft ondergetekende, conform de systematiek van de Belastingdienst, de grootste debiteuren middels een stee Ondergetekende is van mening, mede gelet op de oorzaak van de verzwegen omzet, dat een boete ten aanzien van dit onderdeel van de aanslag niet op zijn plaats is. Boete 50% In de eindbespreking van de controle is door de aanwezigen afgesproken dat ten aanzien van de naheffing omzetbelasting, alsmede de boete hierop, overleg zou plaatsvinden tussen u en ondergetekende. Dit overleg heeft ten aanzien van de boetes nimmer plaatsgevonden. Ondergetekende is van mening dat de hoogte van de boete niet in verhouding staat met de aard van de correctie. Conclusies Tot op heden is door ondergetekende verscheidene malen gevraagd om het onderzoek van de Belastingdienst van augustus 1995 ten aanzien van de IC-transacties opnieuw te bezien. Tot op heden is de correctielijst, Lijst 2, van de controle kleiner geworden, zonder dat aan ondergetekende of belastingplichtige is aangegeven op grond waarvan bepaalde posten alsnog zijn goedgekeurd. Nu het voor ondergetekende vaststaat dat X B.V. heeft gehandeld op grond van Mededeling 38, zorgvuldig, verzoeken wij u de naheffingsaanslag op dit punt in te trekken. Aangezien uitsluitend de naheffingsaanslag kan blijven bestaan op het punt van de overige correcties , vragen wij u de naheffingsaanslag opnieuw vast te stellen, nu voor 174,221,-- minus 36.498,-- is 137.723,--. (...)'. 2.8. Bij brief van 17 januari 1997 nodigt de Inspecteur de belanghebbende uit om gehoord te worden. Op 3 februari 1997 wordt de belanghebbende door de Inspecteur gehoord. 2.9. In een brief van 13 maart 1997 schrijft de belanghebbende aan de Inspecteur, voor zover te dezen relevant, het volgende: 'Bij het opstellen van de definitieve jaarcijfers 1995 is gebleken dat de werkelijke verzwegen omzet 174.463,50 bedroeg. De naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 1995 dient derhalve nog uit te gaan van een omzet van 6.439,40,- overeenkomend met een omzetbelasting van 1.127,-.'. 2.10. Bij geschrift van 23 oktober 1997, bij het Hof binnengekomen op 27 oktober 1997, dient de belanghebbende een beroep in wegens het niet tijdig doen van uitspraak. Hierin wordt onder meer vermeld, pagina 5, tweede alinea: 'Welke posten, en waarom, goedgekeurd zijn wordt dus niet aangegeven. Wel wordt medegedeeld dat er geen enkele conclusie aan verbonden mag worden.'. 2.11. Bij brief van 31 maart 1998 deelt de Inspecteur de belanghebbende het volgende mede: 'VERZWEGEN OMZET Het eerste bezwaar is gericht tegen de correctie naar aanleiding van de verzwegen omzet over 1994. De verzwegen omzet werd bij compromis vastgesteld op fl. 215.000,=, Nageheven werd fl. 37.625,=. Het enkele gegeven dat in de aangifte over 1995 reeds een bedrag zou zijn meegenomen doet aan de juistheid van de correctie niet af. De aangifte omzetbelasting over december 1995 is niet de juiste weg om tot "correctie" van verzwegen omzet over 1994 te geraken. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om met betrekking tot december 1995 een gemotiveerd verzoek om teruggaaf te doen dat ambtshalve beoordeeld zal worden. DE STEEKPROEF Het tweede bezwaar is gericht tegen de vaststelling, op basis van een a-selecte steekproef- dat met betrekking tot intracommunautaire transacties de toepassing van het nultarief niet voldoende kan worden aangetoond. Als ik u goed begrijp dan bent u van mening dat op deze steekproef weer een nieuwe "steekproef" losgelaten kan worden, maar nu door belanghebbende. Dit is onjuist: de resultaten hiervan kunnen derhalve geen afbreuk doen aan de correctie. Voor wat het beroep op mededeling 38 kan erop worden gewezen dat de gecorrigeerde bedragen betrekking hebben op de periode voor de inwerkingtreding van deze mededeling. Overigens wordt op geen enkele wijze aangetoond dat de vaststellingen door de Belastingdienst bij de steekproef onjuist zijn. VERZWEGEN OMZET Het derde bezwaar is gericht tegen de boete van 100% op de verzwegen omzet. U stelt dat er "vrijwillig aangifte is gedaan". Er is geen sprake van een vrijwillige verbetering omdat het boekenonderzoek is aangekondigd op Aangezien de 12 door ondergetekende toegelichte afnemers de 12 grootste afnemers uit de eerste lijst 2 van de Belastingdienst waren, verklaart dat de enorme teruggang in omzetbedragen (in 1994 een teruggang van ruim 85%). Opmerkelijk is dat de 10 verwijderde afnemers allemaal per Swift betaald hebben. De 2 niet verwijderde afnemers hebben contant betaald, doch beschikken verder over exact dezelfde gegevens ais andere afnemers. Het inkorten van lijst 2 van de Belastingdienst, op aangeven van ondergetekende, geeft eens te meer aan dat X B.V. blijkbaar zorgvuldig heeft gehandeld en dat de Belastingdienst blijkbaar bij zijn controle niet zorgvuldig te werk is gegaan. Ondergetekende heeft slechts informatie aangedragen, welke in de administratie van X B.V. voor handen was en welke dus ook aan de controlerend ambtenaar ter beschikking stond. (...)'. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Is de naheffingsaanslag tot een bedrag van fl. 738.182,=, zijnde de correctie met betrekking tot het tarief van nihil, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b van de Wet OB 1968 juncto post a.6 van de bij de Wet OB 1968 behorende tabel II ten aanzien van intracommunautaire leveringen, terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? II. Is de verhoging terecht opgelegd en is tot het juiste bedrag kwijtschelding van de verhoging verleend? De belanghebbende is van oordeel dat deze beide vragen ontkennend dienen te worden beantwoord, de Inspecteur is van mening dat deze beide vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Niet in geschil is de naheffingsaanslag tot een bedrag van fl. 137.723,= ter zake van de verzwegen omzet. 3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke zij daartoe hebben aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.4 vermelde pleitnota's, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij hieraan nog het volgende, kort weergegeven, toegevoegd: De belanghebbende – Zoals reeds opgemerkt in onze brief van 15 december 1995, pagina 2, en van 19 februari 1996, pagina 5, onder 3, kon er geen aansluiting worden gemaakt tussen de door de Inspecteur voorgestelde correcties ter zake van het tarief van nihil en de administratie van de belanghebbende. Het is onduidelijk op welke transacties de correcties betrekking hebben. – Het rapport met betrekking tot het boekenonderzoek inzake de correcties ter zake van het tarief van nihil is nimmer ontvangen. De Inspecteur is bij herhaling gevraagd toe te lichten waarop het bedrag van de naheffingsaanslag was gebaseerd voor zover het de door de Inspecteur voorgestelde correcties ter zake van het tarief van nihil betreft. – Met betrekking tot de heffingsrente bestaat geen zelfstandige grief. – Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures opgenomen tarief. De Inspecteur – De correcties ter zake van het tarief van nihil zijn na de uitspraak op bezwaar niet meer gebaseerd op een steekproef. Slechts enkele transacties en daarbij behorende boeken bescheiden zijn beoordeeld; vele andere transacties zijn niet gecontroleerd. De naheffingsaanslag is na de uitspraak slechts nog gebaseerd op de omzet van debiteuren, van welke debiteuren transacties in het boekenonderzoek zijn beoordeeld. Een en ander blijkt uit het rapport van het boekenonderzoek. – Uw Hof houdt mij meermalen voor dat het vorenbedoelde rapport niet tot de gedingstukken behoort en dat de belanghebbende in het verleden herhaaldelijk heeft gevraagd om een toelichting van de Vraag I 4.5. De correctie met betrekking tot het tarief van nihil, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b van de Wet OB 1968 juncto post a.6 van de bij de Wet OB 1968 behorende tabel II ten aanzien van intracommunautaire leveringen (hierna: tarief van nihil), is door de Inspecteur aangebracht op basis van een bij de belanghebbende verricht boekenonderzoek. Ter zake heeft de Inspecteur nageheven over een bedrag van fl. 738.182,=. 4.6. Het Hof stelt voorop, dat op de Inspecteur de bewijslast rust aannemelijk te maken dat terecht en tot de juiste bedragen is nageheven. 4.7. De belanghebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk gesteld, dat de belanghebbende geen aansluiting kan vinden tussen de door de Inspecteur aangebrachte correcties ter zake van het tarief van nihil en de administratie van de belanghebbende. Voorts heeft zij uitdrukkelijk gesteld van dit laatste reeds melding te hebben gemaakt in haar brieven van 15 december 1995, pagina 2, en van 19 februari 1996. Ook in de motivering van het beroepschrift van 13 november 1998, pagina 5 en pagina 10, merkt de belanghebbende op, dat zij volstrekt in het ongewisse verkeert omtrent de vraag op welke transacties de correcties met betrekking tot het tarief van nihil betrekking hebben en wat er mankeert aan de boeken en bescheiden bij de wél door de Inspecteur beoordeelde transacties. 4.8. De Inspecteur heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld, dat de naheffingsaanslag niet (meer) berust op de onder 2.2 vermelde steekproef van 178 facturen, maar dat de correcties met betrekking tot het tarief van nihil zijn onderbouwd in een rapport van de Inspecteur met betrekking tot het boekenonderzoek. 4.9. Het Hof heeft de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk en herhaaldelijk voorgehouden, dat het door hem genoemde rapport (hierna: het rapport) niet tot de gedingstukken behoort. 4.10. De belanghebbende heeft daarop tijdens de mondelinge behandeling - onweersproken - gesteld, dat hij dit door de Inspecteur genoemde rapport inzake de correcties met betrekking tot het tarief van nihil nimmer heeft ontvangen en dat hij meermalig om een motivering van de correcties met betrekking tot het tarief van nihil aan de Inspecteur heeft verzocht. 4.11. Vervolgens heeft de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling gesteld, dat in de onder 2.5 vermelde brief van 25 april 1996 is vermeld dat de correcties met betrekking tot het tarief van nihil zijn gebaseerd op transacties waarbij contant werd betaald. Voorts heeft hij gesteld, dat de belanghebbende uit de bijlage bij die brief kon afleiden op welke debiteuren de correcties ter zake van het tarief van nihil betrekking hebben en dat zij zo vervolgens zelf de daarbij behorende transacties, en daarbij behorende boeken en bescheiden, kon opzoeken. 4.12. Het Hof overweegt, dat de belanghebbende onweersproken heeft gesteld het rapport nimmer te hebben ontvangen. Voorts is het rapport door de Inspecteur niet overgelegd, ook niet nadat het Hof de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk en herhaaldelijk heeft voorgehouden, dat het rapport niet was overgelegd. Gelet hierop is het Hof van oordeel, dat de Inspecteur met de verwijzing naar het rapport niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken, dat terecht en tot de juiste bedragen is nageheven ter zake van de correcties met betrekking tot het tarief van nihil. 4.13. De verwijzing van de Inspecteur naar de onder 2.5 vermelde brief van 25 april 1996 acht het Hof eveneens onvoldoende. De belanghebbende heeft uitdrukkelijk gesteld dat zij geen aansluiting kon verkrijgen tussen haar administratie en de door de Inspecteur aangebrachte correcties. Anders dan de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, was het kennelijk voor de belanghebbende niet mogelijk de door de Inspecteur uiteindelijk aangebrachte correcties met betrekking tot het tarief van nihil in haar administratie te traceren aan de hand va Voorts heeft zij in de onder 4.20 bedoelde motivering, pagina 11, tweede en derde alinea, gesteld, dat een verhoging niet aan de orde is gesteld tijdens de eindbespreking van het boekenonderzoek in december 1995 (zie pagina 2, tweede alinea, van het beroepschrift d.d. 23 oktober 1997) en dat een dergelijke verhoging ook bestreden zou zijn. Het Hof verstaat dit een en ander als een grief van de belanghebbende, dat zij niet uiterlijk op het moment van het opleggen van de verhoging, zijnde 6 juli 1996, in bijzonderheden op de hoogte is gesteld van de gronden waarop de verhoging en de kwijtschelding daarvan berusten. 4.22. Gelet op de onder 2.5 vermelde brief van 25 april 1996, welke brief kennelijk dient ter motivering van de op dat moment nog op te leggen naheffingsaanslag en waarin over een verhoging met betrekking tot de correctie verzwegen omzet niet wordt gerept, is naar het oordeel van het Hof niet voldaan aan het uit het artikel 6 van de Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden voortvloeiende vereiste dat de belanghebbende uiterlijk op het moment van het opleggen van de verhoging, zijnde 6 juli 1996, in bijzonderheden op de hoogte is gesteld van de gronden waarop de verhoging en de kwijtschelding daarvan berusten. Feiten en omstandigheden, waaruit zou volgen dat de belanghebbende wél uiterlijk op 6 juli 1996 door de Inspecteur in bijzonderheden is medegedeeld op welke gronden de verhoging, en de kwijtschelding daarvan, met betrekking tot de correctie verzwegen omzet berusten zijn gesteld noch gebleken. Mitsdien dient de verhoging van 10% over fl. 37.625,= te vervallen. (In dit verband wijst het Hof op onder meer het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 20 december 1989, nr. 25 469, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/102, van 19 december 1990, nr. 26 576, onder meer gepubliceerd in BNB 1991/176 en van 5 september 2003, nr. 37 784, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/349.) 4.23. Nu de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft opgemerkt in beroep de verhoging van 25% over een bedrag van fl. 1.127,= ter zake van verzwegen omzet niet meer te willen verdedigen, volgt uit het vorenoverwogene, dat de verhoging in het geheel dient te vervallen. 4.24. Vraag II dient ontkennend te worden beantwoord. Slotsom 4.25. Uit het overwogene onder 4.4 volgt reeds, dat het beroep gegrond is. Uit de ontkennende beantwoording van vragen I en II volgt, dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. Partijen zijn het er voor dat geval over eens, dat de naheffingsaanslag dient te worden vastgesteld op een bedrag van fl. 137.723,= (€ 62.495,97) aan enkelvoudige belasting. De verhoging dient geheel te vervallen. 5. Proceskosten en griffierecht 5.1. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door de belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 2,5 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 3.550,= (€ 1.610,92). 5.2. Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de WARB, aan de belanghebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= (€ 36,30) te vergoeden. 6. Beslissing Het Hof: – vernietigt de bestreden uitspraak; – vermindert de naheffingsaanslag tot één ten bedrage van fl. 137.723,= (€ 62.495,97) aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging; – veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 3.550,= (€ 1.610,92)onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en – gelast dat door de Inspecteur aan de belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad € 36,30 wordt vergoed. Aldus vastgesteld op 25 januari 2006 door A. Bijlsma, voorzitter, J.W.J. Huige en