Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-01-06
ECLI:NL:GHSHE:2006:AU9266
ECLI:NL:GHSHE:2006:AU9266 text/xml public 2025-07-30T17:40:45 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AU9266 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2006-01-06 20-002038-03 Uitspraak Hoger beroep NL Strafrecht Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BB8978, Bekrachtiging/bevestiging Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BB8978 Rechtspraak.nl FutD 2006-0088 Viditax (FutD) 2006011114 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AU9266 text/html public 2013-04-04T23:01:32 2006-01-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2006:AU9266 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 06-01-2006 / 20-002038-03 Verdachte, een belastingadviseur, wordt wegens het medeplegen (met een gemeente en een bouwbedrijf) van het doen van valse belastingaangifte en het medeplegen (met de gemeente) van valsheid in geschrifte veroordeeld tot een geldboete van EUR 9.500,- Parketnummer: 20-002038-03 Uitspraak : 6 januari 2006 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 februari 2003 in de strafzaak met parketnummer 01-082008-02 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats], [adres]. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste is gelegd en de verdachte terzake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, voorwaardelijk, met twee jaar proeftijd, alsmede tot een geldboete van tienduizend euro, subsidiair 100 dagen hechtenis. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat: - na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep de grondslag waarop het hof recht doet anders is komen te luiden; - het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat: PRO MEMORIE. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging Van de zijde van de verdachte is een aantal verweren gevoerd welke ertoe strekken dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het hof zal elk van deze verweren hierna - kort samengevat - zakelijk weergeven en deze vervolgens bespreken. A1. Volgens de verdediging zou het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn zijn geschonden. A2. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Vooropgesteld zij dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt of redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 21 juni 2000, de dag waarop bij de verdachte op de voet van het bepaalde in artikel 81 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen door ambtenaren van de FIOD de uitlevering is gevorderd van stukken die betrekking hadden op het plan Lage Banken-Hoge Neerstraat. Het verdere verloop van de berechting kan a Zoals hiervoor reeds weergegeven onder B2 is het krachtens het opportuniteitsbeginsel aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie wordt vervolgd. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken. Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Meer in het bijzonder is niet aannemelijk dat het openbaar ministerie in de onderhavige zaak de verdachte met schending van het gelijkheidsbeginsel op willekeurige wijze heeft vervolgd. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de betrokkenheid van de verdachte bij het onderhavige feitencomplex aanmerkelijk intensiever en nauwer is geweest (de verdachte was immers de "vaste" fiscaal adviseur van de gemeente) dan die van [betrokkene 1], zoals blijkt uit het overleg dat de betrokken gemeenteambtenaren met de verdachte hebben gevoerd en de rol die de verdachte heeft vervuld bij de totstandkoming van de factuur van 28 april 1997. Het verweer wordt derhalve in zoverre verworpen. D1. Naar de mening van de verdediging kan op grond van een aantal in de, op 8 november 2005 overgelegde, pleitnota genoemde feiten en omstandigheden worden geconcludeerd dat er sprake is van verzwijging door de FIOD en het openbaar ministerie van essentiële ontlastende gegevens, van ondeskundig onderzoek, van het geven van een onjuiste en misleidende voorstelling van zaken en van een handelen in strijd met de wet. D2. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof acht de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden. Ten overvloede overweegt het hof dat de, door de raadsman gestelde, onregelmatigheden niet van dien aard zijn dat daardoor een ernstige inbreuk zou zijn gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het verweer wordt derhalve in zoverre verworpen. E1. Volgens de verdediging is er sprake van een inbreuk op het fair trial beginsel, nu de onderhavige strafzaak tegen de verdachte afhankelijk is gemaakt van de fiscale beroepsprocedure bij dit hof van [medeverdachte 2], bij welke procedure de verdachte geen partij is en die bovendien destijds maar één feitelijke instantie kende. E2. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de stukken blijkt de volgende feitelijke gang van zaken: - wegens hun onderlinge verwevenheid is de strafzaak tegen de verdachte tegelijkertijd met de zaken tegen de medeverdachten gemeente [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] door het openbaar ministerie aan de voorzitter van dit hof ter dagbepaling aangeboden; - de voorzitter heeft vervolgens besloten voorshands niet tot dagbepaling over te gaan, aangezien hij het in verband met de in de strafzaken aan de orde zijnde fiscale problematiek raadzaam achtte de uitspraak van de belastingkamer van dit hof in de fiscale beroepsprocedure van de [fiscale eenheid van medeverdachte 2 en 3] af te wachten. Toen duidelijk werd dat binnen afzienbare tijd de belastingkamer arrest zou wijzen, heeft de voorzitter, rekening houdend hiermee, de (eerste) dag van de terechtzitting bepaald. In het licht van vorenstaande gang van zaken kan niet gezegd worden dat de strafzaak tegen de verdachte op enigerlei wijze in materieel opzicht afhankelijk is gemaakt van de uitkomst van de fiscale beroepszaak van de [fiscale eenheid van medeverdachte 2 en 3]. Het verweer wordt derhalve in zoverre verworpen. F1. Voorts is de verdediging, op de gronden zoals bepleit en zoals weergegeven in de pleitnota('s) van de raadsman, met betrekking tot de (sfeer)overgang van het in de onderhavige zaak verrichte controle-onderzoek naar het opsporingsonderzoek van mening dat het op 1.786.446,-- opgegeven, terwijl dit bedrag in werkelijkheid een hoger bedrag te betalen omzetbelasting diende te zijn, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, hebbende hij, verdachte, opzettelijk middelen verschaft tot het plegen van bovenomschreven misdrijf door - zakelijk weergegeven - als (belasting)adviseur van de gemeente: - de gemeente adviezen te geven, welke ertoe moesten leiden dat de gemeente met betrekking tot de levering van een sportpark aan de Hoge Neerstraat te [medeverdachte 1] minder omzetbelasting verschuldigd zou zijn, dan zij ingevolge de geldende belastingwetgeving verschuldigd zou zijn, en - samen met de gemeente voormelde adviezen om te zetten in een constructie middels (onder meer) nadere overeenkomsten, side letters, facturen, een akte van levering en betalingen, welke constructie tot het bovenomschreven misdrijf heeft geleid en - met zijn deskundigheid bij te dragen aan de besprekingen tussen de gemeente en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], waarbij over voormelde adviezen en constructie werd gesproken en onderhandeld; 2. op 26 april 1997 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een ander een factuur met als kenmerk 97/0093 en als datum 28 april 1997 - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om voormelde factuur als echt te gebruiken, hebbende hij, verdachte, en zijn mededader met voormeld oogmerk opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op voormelde factuur vermeld, dat [medeverdachte 2] aan de gemeente [medeverdachte 1] f. 2.488.000,-- vermeerderd met f. 435.400,-- aan omzetbelasting diende te betalen in verband met de eerste termijn aanneemsom plan Hoge Neerstraat of koopsom. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde overweegt het hof nader als volgt. De paginanummers verwijzen naar het doorgenummerde proces-verbaal van de FIOD, dossiernr. 12.318. Bijlagen verwijzen naar de genummerde bijlagen van dat proces-verbaal. H. Onjuiste aangifte Terzake van de levering van het sportcomplex Hoge Neerstraat op 2 juni 1997 heeft de [fiscale eenheid van medeverdachte 2 en 3] omzetbelasting afgedragen over f. 2.500.000,-, het bedrag als vermeld op de notariële afrekening en in de notariële akte voor de levering van het sportcomplex aan de gemeente (verklaring van [getuige 1], p. 168, verklaring van [getuige 2], p. 193, verklaring [getuige 3] p. 238). Aan het bedrag ad f. 2.500.000,- en het daarover verschuldigde bedrag aan belasting genoemd in die notariële akte en in die afrekening van de notaris kunnen naar het oordeel van het hof in dit verband geen enkele betekenis worden toegekend, nu deze bedragen slechts in rekening zijn gebracht ter versluiering van het zicht op de omvang van de daadwerkelijk overeengekomen prestaties. Slechts op grond van artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968 is die in rekening gebrachte belasting verschuldigd geworden. Zoals blijkt uit het projectbestek en het inschrijfbiljet (D4) heeft [medeverdachte 2] aan de In artikel 9.1.a van deze overeenkomst wordt bepaald dat de gronden in het Plangebied Lage Banken door de gemeente aan [medeverdachte 2] op 1 oktober 1997 worden geleverd voor een koopsom van f. 1,-, exclusief omzetbelasting. Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medeverdachte 2] de vergoeding van de door haar op grond van de integrale realisatie-overeenkomst te verrichten prestaties volledig vindt in de waarde, ad f. 23.928.824,00 van de door de gemeente aan haar voor een bedrag van f. 1,- in eigendom over te dragen gronden in het gebied Lage Banken. Van een (gedeeltelijke) vergoeding in de vorm van een aan [medeverdachte 2] bij de integrale realisatie-overeenkomst van 26 april 1996 verleend ontwikkelrecht is naar het oordeel van het hof derhalve geen sprake. Het verweer wordt derhalve in zoverre verworpen. J. Opzet van de verdachte en van de gemeente [medeverdachte 1] Met betrekking tot het opzet van de verdachte en van de gemeente [medeverdachte 1] overweegt het hof het volgende. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet voldoende gebleken dat het het oogmerk van de verdachte en van de gemeente [medeverdachte 1] is geweest dat door [medeverdachte 2] specifiek over het tijdvak juli 1997 een onjuiste aangifte voor de omzetbelasting werd gedaan. Bij de beoordeling van de vraag of er mogelijk sprake was van voorwaardelijk opzet gaat het hof uit van het volgende. Voor voorwaardelijk opzet zijn in zijn algemeenheid drie elementen van belang, te weten: - het bewustzijn van verdachte van de mogelijkheid dat een bepaald gevolg zal intreden (het kenniselement); - de kans of mogelijkheid dat dit gevolg daadwerkelijk zal intreden, welke kans of mogelijkheid minstgenomen aanmerkelijk moet zijn (het risico-element); - de vorenbedoelde kans of mogelijkheid dient door verdachte willens en wetens te zijn aanvaard (het wils-element). J1. Ten aanzien van dat kenniselement overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is komen vast te staan dat de gemeente [medeverdachte 1] in het kader van het project Lage Banken/Hoge Neerstraat met [medeverdachte 2] besprekingen en onderhandelingen heeft gevoerd, welke ertoe moesten leiden dat de gemeente met betrekking tot de levering van het sportpark aan de Hoge Neerstraat minder omzetbelasting zou betalen dan zij ingevolge de geldende belastingwetgeving verschuldigd zou zijn. Samen met [medeverdachte 2] en met hulp van haar belastingadviseur, de verdachte, zijn de resultaten van deze besprekingen en onderhandelingen omgezet in een constructie, waarbij in een tweetal side-letters het fiscale risico voor [medeverdachte 2] dat aan deze constructie was verbonden tussen de gemeente en [medeverdachte 2] werd verdeeld. In het kader van deze constructie heeft de gemeente actief meegewerkt aan het creëren van een factuurronde, waarbij door haar een factuur (bijlage D/43) aan [medeverdachte 2] ter beschikking is gesteld ter dekking van een betalingsstroom die afgezien van de fiscaliteit geen enkel (zakelijk) doel diende en die, zoals uit het bewezenverklaarde onder 2 blijkt, als vals moet worden aangemerkt. De verdachte en de gemeente [medeverdachte 1] waren er derhalve bewust van dat ten behoeve van de onderhavige constructie door [medeverdachte 2] een onjuiste aangifte voor de omzetbelasting zou kunnen worden gedaan en dat [medeverdachte 2] hiermee een strafbaar feit zou begaan, waarbij de verdachte gelet op zijn aandeel in de genoemde constructie als mededader kon worden aangemerkt en dat gelet op de hoogte van het aan de constructie verbonden bedrag dat op grond van deze onjuiste aangifte niet zou worden afgedragen aan de fiscus op grond van de geldende ATV-richtlijnen de kans op een strafrechtelijke vervolging met zich kon brengen. In de onderhandelingen tussen de gemeente en [medeverdachte 2] is immers gesproken over het fiscale risico dat [medeverdachte 2] in de voorgestane constructie zou lopen. Dit risico bestond hieruit dat [medeverdachte 2] een naheffingsaanslag voor de omze (....) Commercieel is het een en ander geaccepteerd, maar ik heb diverse malen aan de burgemeester kenbaar gemaakt dat ik het een kwalijke zaak vond dat de gemeente op deze manier omgaat met ons. We moesten namelijk eerst 2,5 miljoen betalen en later kregen wij die weer terug. (...) Zo bleef de aanneemsom per saldo ongewijzigd en ging het sportpark terug voor 2,5 miljoen zoals de gemeente wilde. (...) De gemeente gaat er op basis van de constructie en de afspraken vanuit dat [medeverdachte 2] omzetbelasting voldoet over 2,5 miljoen gulden. In dat verband is de gemeente direct betrokken bij de aangifte van [medeverdachte 2]." J3. Met betrekking tot het hierboven aangeduide wilselement neemt het hof in aanmerking dat door de gemeente [medeverdachte 1] met hulp van de verdachte actief is meegewerkt aan de uitvoering van de afgesproken constructie. Zo is in dit verband ook het zogenaamde "kasrondje" gemaakt, in het kader waarvan [medeverdachte 2] aan de gemeente een bedrag overmaakte van f. 2.488.000,-, welk bedrag een maand later met rente door de gemeente werd terugbetaald als beweerdelijke koopsom voor het sportcomplex. Een en ander werd vastgelegd in diverse stukken, waaronder een door de gemeente samen met de verdachte opgemaakte factuur (D/43) die, zoals blijkt uit het bewezenverklaarde onder 2, als vals moet worden aangemerkt. Vorenstaande gedragingen van de gemeente en van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten een opzettelijk onjuiste aangifte voor de omzetbelasting in het tijdvak juli 1997, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de gemeente en de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg hebben aanvaard. Hierbij heeft het hof tevens acht geslagen op de omstandigheid dat er door de verdachte, de gemeente [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uitdrukkelijk voor is gekozen de constructie niet vooraf ter toetsing voor te leggen aan de belastingdienst (D/7). In dit verband verwijst het hof naar een faxbericht d.d. 22 maart 1996, waarin door [verdachte] aan [betrokkene 8] verslag wordt gedaan van een bespreking met de fiscalisten [getuige 4] van [medeverdachte 2] en diens adviseur [betrokkene 9] op 21 maart 1996 (D/133). Dit verslag houdt onder meer in: "[medeverdachte 2] ziet als belangrijkste fiscale risico, dat de belastingdienst afwijkt van de door partijen voorziene vergoeding voor de teruglevering van het sportcomplex Hoge Neerstraat van f. 2,5 miljoen. (...) Het leek ons overigens op dit moment niet een goede strategie om omtrent de hoogte van een eventueel wel acceptabele vergoeding nu in overleg te treden met de belastingdienst. (...) Dat overleg zou altijd verlies opleveren. ". Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er bij de verdachte en de gemeente [medeverdachte 1] sprake is van de in de bewezenverklaring bedoelde opzet, in de vorm van voorwaardelijk opzet. K. Medeplegen Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen van een zodanig nauwe en volledige samenwerking tussen de gemeente [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat van medeplegen moet worden gesproken; weliswaar is de uiteindeljke aangifte voor de omzetbelasting door [medeverdachte 2] gedaan, maar dit doet niet af aan het mededaderschap van de gemeente, nu de bewuste samenwerking (in de planvorming en de uitvoering in voorbereidende zin) tussen [medeverdachte 2] en de gemeente in de daaraan voorafgaande periode zeer intensief is geweest en de beoogde "opbrengst" van de fiscale constructie (met inbegrip van het strafbaar handelen) tussen de gemeente en [medeverdachte 2] werd verdeeld. Met betrekking tot het opzet van [medeverdachte 2] overweegt het hof als volgt. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] - kort gezegd - opzettelijk een onjuiste aangifte voor de omzetbelasting heeft gedaan over het tijdvak Naar het oordeel van het hof kan ook het opzet van de direct bij de onderhavige constructie betrokken ambtenaren van de gemeente [medeverdachte 1], te weten [betrokkene 5], [betrokkene 8] en [betrokkene 10], redelijkerwijs aan de gemeente als rechtspersoon worden toegerekend. Deze ambtenaren zijn steeds namens en ten behoeve van de gemeente opgetreden en hebben in de sfeer van de gemeente gehandeld. Hun handelingen, waarover de gemeente zeggenschap had, zijn ook steeds door de gemeente aanvaard. Voor wat betreft [betrokkene 5], directeur grondbedrijf en hoofd sector stadsontwikkeling van de gemeente [medeverdachte 1] neemt het hof in aanmerking dat hij degene is die steeds de officiële contacten heeft onderhouden met [verdachte] (D/123), met [bedrijf 1] (D/66), met [bedrijf 2] (D/139) en met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [medeverdachte 1] (D/69). Voor wat betreft [betrokkene 8], chef van de afdeling economische zaken en volkshuisvesting van de gemeente [medeverdachte 1] en leider van het onderhavige project, slaat het hof acht op de notulen van de besloten vergadering van de gemeente [medeverdachte 1] gehouden op 28 maart 1996 (productie 17 in de door de raadsman voorafgaande aan de zitting van 14 december 2005 toegezonden aanvulling pleitaantekeningen deel I). Blijkens deze notulen is door [betrokkene 8] in het bijzijn van de verantwoordelijke wethouder en de burgemeester op de vraag van het raadslid [betrokkene 11] of over dit moeilijke probleem (de BTW-materie; hof) met de fiscus overleg is gepleegd over wat de juiste weg is, geantwoord dat er met de adviseurs overleg is gepleegd over de vraag of het verstandig is om advies te vragen aan de fiscus, maar dat zij dit duidelijk hebben ontraden, want als iets voor twee en een half miljoen gekocht wordt, waarvan de productiekosten aanzienlijk hoger liggen, dan is de eerste reactie van de fiscus zeer makkelijk te voorspellen. Tevens heeft het hof gelet op een faxbericht d.d. 22 maart 1996, waarin door [verdachte] aan [betrokkene 8] verslag wordt gedaan van een bespreking met de fiscalisten [getuige 4] van [medeverdachte 2] en diens adviseur [betrokkene 9] op 21 maart 1996 (D/133). Dit verslag houdt onder meer in: "[medeverdachte 2] ziet als belangrijkste fiscale risico, dat de belastingdienst afwijkt van de door partijen voorziene vergoeding voor de teruglevering van het sportcomplex Hoge Neerstraat van f. 2,5 miljoen. (...) Het leek ons overigens op dit moment niet een goede strategie om omtrent de hoogte van een eventueel wel acceptabele vergoeding nu in overleg te treden met de belastingdienst. (...) Dat overleg zou altijd verlies opleveren. " Voor wat betreft het aandeel van [betrokkene 10], hoofd van het bureau economische zaken van de gemeente [medeverdachte 1], heeft het hof in aanmerking genomen de inhoud van een faxbericht van [betrokkene 10] aan [verdachte] d.d. 12 februari 1996 (D/32), onder meer inhoudende dat in artikel 10.1/8.1b (van de realisatie-overeenkomst; hof) een nieuwe formulering is opgenomen met betrekking tot de betaling van 2,5 miljoen gulden. Het bedrag van f. 2.488.000,00 is 2,5 miljoen minus 1 maand rente. Voor deze constructie is gekozen om daadwerkelijk betaling te laten geschieden. De raadsman van de verdachte heeft op de zitting in hoger beroep een aantal verweren gevoerd welke ertoe strekken dat de verdachte wordt vrijgesproken van het haar ten laste gelegde. Voorzover deze verweren niet reeds zijn behandeld in de hiervoorgaande bewijsoverwegingen, zal het hof deze hierna, kort samengevat, zakelijk weergeven en vervolgens bespreken. M1. Naar de mening van de verdediging ontbreekt opzet bij de gemeente, omdat de gemeente, wier ambtenaren niet deskundig waren op fiscaal terrein, is afgegaan op het advies van meerdere, externe fiscale adviseurs, aan wie zij alle relevante informatie en documentatie heeft verstrekt. M2. Het hof overweegt hieromtrent (en in aanvulling op hetgeen hiervoor onder J is overwogen) als volgt. Ui Gedurende de berechting in hoger beroep zijn ter completering van het dossier het in de onderhavige zaak opgemaakte aanvangsproces-verbaal en (een uitdraai van) de vordering van de officier van justitie tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek aan het dossier toegevoegd. Voorts is op de zitting van het hof van 23 augustus 2005 op last van het hof een tweetal stukken aan het dossier toegevoegd, te weten een brief van [betrokkene 13] en [betrokkene 14] van [bedrijf 1] aan [betrokkene 4] d.d. 17 februari 1995 en een brief van [betrokkene 4] aan [betrokkene 14] van 13 maart 1995. Bedoelde stukken zijn weliswaar in een betrekkelijk laat stadium aan het dossier toegevoegd, doch dit laat onverlet dat de raadsman voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om deze stukken te bestuderen en ze bij de verdediging van de verdachte heeft kunnen betrekken. In zoverre zijn deze verzuimen, zo daarvan al sprake is, hersteld. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een schending van het fair trial beginsel in enigerlei vorm. ad b. Uit de stukken blijkt dat de officier van justitie op enig moment een vordering heeft gedaan tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, welke vordering nog voordat de rechter-commissaris hierop had beslist, is ingetrokken. Niet valt in te zien dat door deze gang van zaken enige rechtsregel zou zijn geschonden. ad c. De stelling van de raadsman dat voor een rechtmatige toepassing van de vordering ex artikel 81 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vereist is dat de gemeente ten tijde van de vordering verdacht werd van een fiscaal delict, vindt geen steun in het recht. Het verweer wordt in zoverre in al zijn onderdelen verworpen. R1. Voorts stelt de verdediging dat er geen bewijs is voor het opzettelijk opmaken van een vals geschrift als ten laste gelegd onder 2. R2. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Naar het oordeel van het hof is vast komen te staan dat de factuur met de datum 28 april 1997 (D/43) door de gemeente (door of in opdracht van [betrokkene 10], zie zijn verklaring bij de politie op 11 oktober 2000, p. 178) in strijd met de waarheid is opgemaakt. De factuur draagt als opschrift "eerste termijn aanneemsom" en vermeldt het te betalen bedrag van f. 2.488.000,-, exclusief omzetbelasting, voor het werk "plan Hoge Neerstraat". Uit het inschrijfbiljet van [medeverdachte 2] van 16 januari 1996 (D/4) blijkt echter dat [medeverdachte 2] voor het gehele project, inclusief plan "Hoge Neerstraat", heeft ingeschreven voor een negatieve aanneemsom van f. 1.277.000,-, terwijl de gemeente in een brief van B&W van 29 maart 1996 (D/38) het werk aan [medeverdachte 2] ook voor dat bedrag heeft gegund. Een te betalen eerste termijn aanneemsom van f. 2.488.000,- is niet te rijmen met een negatieve aanneemsom van f. 1.277.000,-, waarvoor de opdracht is verleend en ook niet met een van de andere (detail)bedragen vermeld op dat inschrijfbiljet. Omtrent deze factuur heeft [getuige 2], projectontwikkelaar bij [medeverdachte 2], op 19 oktober 2000 bij de politie verklaard (p. 192) dat er geen eerste termijn aanneemsom is betaald, dat de factuur deel uitmaakte van de constructie van [verdachte], dat de op de factuur omschreven transactie in werkelijkheid niet heeft plaatsgehad en dat die betaling gedaan is om het gat van 2,5 miljoen te dichten. Ook [getuige 1] heeft bij de politie verklaard (p. 167) dat deze factuur niet juist is, maar dat hij alleen heeft betaald, omdat hij het bedrag met rente zou terugontvangen. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de door de gemeente aan [medeverdachte 2] gevraagde betaling in het geheel geen relatie had met enige door [medeverdachte 2] geleverde of te leveren prestatie aan de gemeente en dus ook niet met een aanneemsom, doch dat de bedoelde factuur slechts is opgemaakt in het kader van de betalingsstroom tussen de gemeente en [medeverdachte 2] die, afgezien van de fiscaliteit, geen enkel zakelijk doel diende (het zogenaamde "kasrondje"). Op d