Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2005-12-27
ECLI:NL:GHSHE:2005:AV2136
ECLI:NL:GHSHE:2005:AV2136 text/xml public 2015-11-12T10:01:43 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AV2136 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2005-12-27 C0400240 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2005:AV2136 text/html public 2013-04-04T23:11:14 2006-02-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2005:AV2136 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 27-12-2005 / C0400240 De artikelen 32-40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) voorzien in een bijzondere rechtsgang "in geval van verschil over het salaris, door den advocaat aan den cliënt berekend". De in deze bepalingen neergelegde regeling komt kort gezegd erop neer dat de declaratie eerst op de voet van artikel 32 WTBZ ter begroting moet worden voorgelegd aan de Raad van Toezicht in het arrondissement waarbinnen de advocaat woonachtig is. Beoordeeld wordt door deze - in zoverre bij uitstek deskundige - Raad of de hoogte van de declaratie redelijk is te achten, gelet op het belang en de moeilijkheidsgraad van de zaak en de daaraan bestede tijd. typ. ML rolnr. C0400240/MA ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, tweede kamer, van 27 december 2005, gewezen in de zaak van: 1. [appellant sub 1], 2. [appellante sub 2], beiden wonende [gemeente 1], appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel, procureur: mr. P.L.M.F. Roosendaal, tegen: [geïntimeerde], wonende te [gemeente 2], geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, procureur: mr. J.E. Lenglet, op het bij exploot van dagvaarding van 4 februari 2004 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank te Maastricht, onder rolnummer 55327/HA ZA 00/251 op 5 november 2003 gewezen tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde. Het hof zal appellant sub 1 hierna aanduiden als [appellant sub 1] en appellante sub 2 als [appellante sub 2]. Geïntimeerde zal worden aangeduid als [geïntimeerde]. 1. De procedure in eerste aanleg Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis, naar de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 30 mei 2002 en 19 maart 2003, en naar het in dezelfde zaak gewezen incidentele vonnis van 5 juli 2001. 2. De procedure in hoger beroep Bij memorie van grieven hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] drie grieven tegen het beroepen vonnis aangevoerd en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven. Bij memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, heeft [geïntimeerde] drie producties overgelegd, de grieven van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bestreden, in incidenteel appel één grief voorgedragen en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen en daarbij 27 producties overgelegd. Tot slot hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. De producties bij de akte van 19 december 2002, welke producties drie volle ordners beslaan, zijn uitsluitend door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] overgelegd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven. 4. De beoordeling In principaal appel en in incidenteel appel 4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. a) [geïntimeerde] is in de periode van omstreeks februari 1994 tot omstreeks september 1997 opgetreden als advocaat en procureur van [appellant sub 1] en/of [appellante sub 2] en/of de vennootschap onder firma Oude Kerk VOF, van welke VOF [appellant sub 1] en [appellante sub 2] vennoten waren. b) Als zodanig heeft [geïntimeerde] meerdere procedures gevoerd voor [appellant sub 1] en/of [appellante sub 2] en/of de vennootschap onder firma Oude Kerk VOF. c) [geïntimeerde] heeft voor zijn werkzaamheden facturen gezonden tot een bedrag van omstreeks ƒ 225.000,--. Deze facturen zijn deels onbetaald gelaten. d) In september 1997 is de Daarnaast heeft de rechtbank in het beroepen vonnis - kort weergegeven - overwogen: - dat vordering I met betrekking tot een aantal door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] genoemde en in het vonnis nader aangeduide dossiers moet worden afgewezen; - dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben geleden door een door [geïntimeerde] in de zaak "[dossier 2]" gemaakte beroepsfout; - dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zich nader uit dienen te laten over de hoogte van de door hen geleden schade terzake de zaken "[dossier 2]" en "P14: [dossier 5]". In het dictum van het vonnis heeft de rechtbank voorts: - [appellant sub 1] en [appellante sub 2] toegelaten tot bewijslevering met betrekking tot de door hen terzake de zaak "P14: [dossier 5]" gestelde beroepsfout; - [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over de hoogte van de door hen geleden schade terzake de zaken "[dossier 2]" en "P14: [dossier 5]". - iedere verdere beslissing aangehouden. In zoverre is het beroepen vonnis een tussenvonnis. Met betrekking tot grief I in principaal appel 4.4.1. Het hof zal eerst grief I in principaal appel behandelen. Deze grief is gericht tegen de afwijzing van: - vordering II (de verklaring voor recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling), en - vordering III, voor zover die vordering betrekking heeft op de onverschuldigde betaling, voor zover het onverschuldigde betaling met betrekking tot werkzaamheden in burgerlijke zaken betreft. 4.4.2. De rechtbank heeft de betreffende vorderingen in zoverre afgewezen op grond van het oordeel dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2], indien zij de declaraties van [geïntimeerde] bovenmatig achten, de weg van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) dienen te volgen, ook voor zover hun bezwaren gericht zijn tegen reeds door hen betaalde declaraties. In de toelichting op hun eerste grief betogen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] dat dit oordeel van de rechtbank onjuist is en dat zij niet de mogelijkheid hebben om terzake hun bezwaren met betrekking tot de reeds betaalde declaraties de weg van de WTBZ te volgen. 4.4.3. Het hof stelt met betrekking tot deze grief het volgende voorop. De artikelen 32-40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) voorzien in een bijzondere rechtsgang "in geval van verschil over het salaris, door den advocaat aan den cliënt berekend". De in deze bepalingen neergelegde regeling komt kort gezegd erop neer dat de declaratie eerst op de voet van artikel 32 WTBZ ter begroting moet worden voorgelegd aan de Raad van Toezicht in het arrondissement waarbinnen de advocaat woonachtig is. Beoordeeld wordt door deze - in zoverre bij uitstek deskundige - Raad of de hoogte van de declaratie redelijk is te achten, gelet op het belang en de moeilijkheidsgraad van de zaak en de daaraan bestede tijd. Indien de advocaat met deze begroting geen genoegen neemt of indien de cliënt weigerachtig blijft de (nader begrote) declaratie te voldoen, vindt ingevolge art. 33 WTBZ een nadere vaststelling plaats door de in dat artikel aangewezen rechter. Houdt de declaratie verband met de rechtsbijstand verleend in een procedure, dan is dat de voorzitter van het gerecht waarvoor deze procedure het laatst heeft gediend. Houdt de declaratie verband met rechtsbijstand verleend anders dan in een procedure, dan is de aangewezen rechter de voorzitter van de rechtbank van het arrondissement waar de advocaat gevestigd is. De rechter die de declaratie nader vaststelt, geeft krachtens art. 37 lid 2 WTBZ tevens een bevel tot tenuitvoerlegging, waarmee de advocaat de betaling kan afdwingen. Indien de advocaat met de nadere vaststelling geen genoegen neemt, kan hij op grond van art. 37 lid 3 WTBZ bij verzoekschrift de herziening van de begroting verzoeken aan de betreffende rechtbank. Degene te wiens laste het bevelschrift dan wel de beschikking op het herzieningsverzoek is gesteld, kan hiertegen Dit klemt te meer nu tegen de op grond van artikel 37 lid 3 WTBZ te geven beschikking op het verzoek om herziening en tegen de op grond van artikel 40 WTBZ te geven uitspraak op het verzet ingevolge artikel 40 lid 3 WTBZ geen verzet, hoger beroep of cassatie openstaan, terwijl die rechtsmiddelen wel open zouden staan indien een cliënt de door de R.v.T. op grond van artikel 32 WTBZ verrichte begroting zou kunnen laten toetsen in een gewone civiele procedure. 4.4.8. Naar het oordeel van het hof behoeft de WTBZ in dit opzicht verduidelijking en dus aanpassing. 4.4.9. In het onderhavige geval kan echter in het midden blijven of [appellant sub 1] en [appellante sub 2] de in de artikelen 33 tot en met 40 van de WTBZ voorziene procedure ook hadden moeten volgen met betrekking tot reeds door hen betaalde declaraties. Ook indien wordt uitgegaan van de veronderstelling dat die weg niet openstond, en dat grief I dus in zoverre terecht is voorgedragen, kunnen de vorderingen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] met betrekking tot de gestelde onverschuldigde betaling niet worden toegewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende. 4.4.10. Het hof stelt voorop dat vordering III - de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat - voor zover betrekking hebbend op de gestelde onverschuldigde betaling reeds niet kan worden toegewezen omdat de op artikel 6:203 BW gebaseerde verbintenis tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen geen verbintenis tot schadevergoeding in de zin van artikel 6:95 BW en in de zin van artikel 612 Rv is. Hieruit volgt dat bij een veroordeling tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet mogelijk is. 4.4.11. Voor wat vordering II betreft - de gevorderde verklaring van recht dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] op diverse facturen van [geïntimeerde] onverschuldigd hebben betaald en daarom recht hebben op terugbetaling - overweegt het hof het volgende. 4.4.12. Het hof begrijpt deze vordering, bezien in samenhang met de stellingen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2], aldus dat zij voor recht verklaard willen zien dat zij, gelet op de in totaal door hen verrichte betalingen, voor de totale werkzaamheden van [geïntimeerde] per saldo te veel betaald hebben zodat zij recht hebben op een bepaalde terugbetaling. 4.4.13. Ter onderbouwing van deze vordering hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gesteld: - dat [geïntimeerde] voor in totaal ruim ƒ 225.000,-- aan declaraties heeft verzonden; - dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in totaal ruim ƒ 120.000,-- hebben voldaan; - dat de R.v.T. [geïntimeerde] heeft verplicht om in totaal ƒ 10.655,77 te crediteren; - dat de crediteringen die volgens de R.v.T. moesten plaatsvinden niet toereikend zijn; - dat een aantal dossiers nog niet door de R.v.T. zijn begroot terwijl ook in die dossiers teveel is gefactureerd; - dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voor ƒ 23.296,35 aan dubbele c.q. foute berekeningen in de diverse dossiers van [geïntimeerde] hebben ontdekt. 4.4.14. Het hof overweegt dat uit deze stellingen niet kan worden afgeleid dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] per saldo aan [geïntimeerde] een bedrag onverschuldigd hebben betaald. Indien op het door [geïntimeerde] in totaal gedeclareerde bedrag van ruim ƒ 225.000,-- de door de R.v.T. noodzakelijk geoordeelde crediteringen van ƒ 10.655,77 en het door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gestelde bedrag aan dubbele c.q. foute berekeningen van ƒ 23.296,35 (wat daarvan ook zij) in mindering worden gebracht, resteert een door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] verschuldigd bedrag van ruim ƒ 190.000,--. Indien [appellant sub 1] en [appellante sub 2], zoals zij stellen, inderdaad ruim ƒ 120.000,-- hebben voldaan dan resteert - uitgaande van de stellingen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] - nog een door hen te betalen bedrag van ƒ 70.000,--. 4.4.15. Dat zij desondanks niets aan [geïntimeerde] ve Het hof acht het in strijd met een goede procesorde dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] die op het principaal appel betrekking hebbende argumenten niet in de memorie van grieven in principaal appel hebben aangevoerd maar pas in de - formeel niet voor het principaal appel bedoelde - memorie van antwoord in incidenteel appel, waarna [geïntimeerde] bovendien niet meer aan het woord is geweest. Het hof zal die nadere argumenten - wat daarvan overigens ook zij - daarom buiten beschouwing laten. 4.4.22. Grief I kan derhalve niet tot het door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gewenste gevolg leiden. Met betrekking tot grief II in principaal appel 4.5.1. Grief II is gericht tegen de afwijzing van vordering II (de verklaring van recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling), voor zover het onverschuldigde betaling met betrekking tot werkzaamheden in de strafzaak, dossier "P16: OM" betreft. 4.5.2. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen op grond van het oordeel dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] geen feiten hebben gesteld waaruit afgeleid kan worden dat de betaling van de declaraties in deze strafzaak zonder rechtsgrond hebben plaatsgevonden. 4.5.3. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben ter onderbouwing van hun vordering in eerste aanleg en in de memorie van grieven - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante sub 2] is als verdachte van strafbare feiten vervolgd in een strafzaak. [geïntimeerde] is in deze zaak als advocaat van [appellante sub 2] opgetreden en heeft voor zijn werkzaamheden ƒ 30.325,47 in rekening gebracht. Nadat [appellante sub 2] in hoger beroep werd vrijgesproken heeft zij bij het gerechtshof op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een verzoek ingediend tot vergoeding van - voor zover thans van belang - de in de strafzaak gemaakte advocaatkosten. Het hof heeft in de op dat verzoek genomen beslissing van 9 juni 1999 overwogen dat [geïntimeerde] onzorgvuldig en bovenmatig heeft gedeclareerd, en aan kosten van rechtsbijstand een bedrag van ƒ 14.000,-- inclusief BTW toegewezen. 4.5.4. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat deze stellingen onvoldoende zijn om te kunnen leiden tot de conclusie dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] met betrekking tot de strafzaak een deel van het door hen betaalde bedrag onverschuldigd hebben betaald. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de zojuist genoemde beslissing van het hof klaarblijkelijk uitsluitend gebaseerd is op informatie die [appellante sub 2] heeft gegeven nádat het declaratiegeschil met [geïntimeerde] was ontstaan, terwijl [geïntimeerde] niet in de gelegenheid is gesteld om in de betreffende 591a Sv-procedure, waarin hij geen partij was, zijn visie op het gedeclareerde bedrag te geven. Ook afgezien van die omstandigheid heeft te gelden dat het hof in de onderhavige civiele procedure tussen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en [geïntimeerde] een zelfstandig oordeel dient te geven over de al dan niet verschuldigdheid van de door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] met betrekking tot de strafzaak aan mr. Römkens gedane betalingen, en dat het hof daarbij niet gebonden is aan oordelen die zijn gegeven in de artikel 591a Sv-procedure waarbij [geïntimeerde] geen partij was. 4.5.5. Nu [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in hun in eerste aanleg genomen processtukken én in de memorie van grieven niet nader hebben onderbouwd waarom een deel van het met betrekking tot de strafzaak aan [geïntimeerde] betaalde bedrag onverschuldigd betaald zou zijn, komt het hof evenals de rechtbank tot de slotsom dat vordering II, voor zover betrekking hebbend op de strafzaak, moet worden afgewezen. 4.5.6. Aan het voorgaande doet niet af dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bij memorie van antwoord in incidenteel appel nadere argumenten hebben genoemd op grond waarvan, in hun visie, geconcludeerd zou moeten worden dat van onverschuldigde betaling sprake is. Het hof acht het in strijd met een Het hof zal naar aanleiding van deze grief de in de conclusie van repliek opgesomde beroepsfouten achtereenvolgens bespreken. a. Dossier [dossier 1] Volgens [appellant sub 1] en [appellante sub 2] betreft dit een veroordelend vonnis terzake een geldvordering, waarvan het dossier is kwijt geraakt. Gelet op het feit dat de invordering volgens de eigen stellingen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] via een deurwaarder liep, hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] onvoldoende duidelijk gemaakt dat [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt. Met betrekking tot dit dossier wordt grief III verworpen. b. Dossier [dossier 2] Het hof zal dit dossier bespreken in incidenteel appel. c. Dossier 06: [dossier 3] [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben gesteld dat [geïntimeerde] voor hen in dit dossier een procedure heeft gevoerd bij de belastingkamer van het hof, terwijl een civiele procedure had moeten worden gevoerd bij de rechtbank. [geïntimeerde] heeft in reactie daarop gesteld dat welbewust, in overleg met [appellant sub 1] en [appellante sub 2], ter besparing van kosten is gekozen voor een beroepsprocedure bij de belastingkamer van het hof, teneinde een praktische oplossing te bereiken, welke ook bereikt is. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben dit verweer weliswaar in de memorie van grieven betwist, maar die betwisting op geen enkele wijze onderbouwd en in het geheel niet aangegeven op welke andere wijze de zaak is opgelost. Daarom verwerpt het hof grief III ook met betrekking tot dit dossier. d. Dossier 08: [dossier 4] Het hof verwerpt de stellingen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] over de in deze zaak gestelde beroepsfout, aangezien [geïntimeerde] die beroepsfout heeft betwist en [appellant sub 1] en [appellante sub 2] daarna hebben nagelaten om hun stellingen nader te onderbouwen en zij evenmin op dit punt een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod hebben gedaan. e. Dossier P14: [dossier 5] Tegen de door de rechtbank met betrekking tot dit dossier aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gegeven bewijsopdracht is geen grief gericht, zodat dit dossier thans onbesproken kan blijven. f. Dossier P16: [dossier 6] Ook met betrekking tot dit dossier constateert het hof dat [geïntimeerde] de hem gemaakte verwijten heeft betwist. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn hier nadien niet meer op ingegaan, en zij hebben niet verduidelijkt welk voor de hand liggend verweer [geïntimeerde] in de betreffende strafzaak had moeten voeren. Om deze reden verwerpt het hof grief III met betrekking tot dit dossier. De stellingen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] over de declaraties leiden niet tot een ander oordeel, aangezien dat kwesties betreft die door de R.v.T. beoordeeld moeten worden. Ook de stellingen over het beslag zijn door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] onvoldoende geconcretiseerd. g. Dossier P17: [dossier 7] Dit betreft een verloren procedure. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd bestreden dat dit aan hem (of aan zijn kantoorgenoot [medewerker geïntimeerde], die de procedure voerde) te verwijten is. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben hierna op geen enkele wijze nader onderbouwd dat de procedure anders zou zijn afgelopen indien de door hen gestelde beroepsfout niet was gemaakt. Dit brengt mee dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd, zodat het hof grief III met betrekking tot dit dossier verwerpt. h. Dossier [dossier 8] De in deze zaak door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gestelde beroepsfout is betwist door [geïntimeerde]. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben niet gereageerd op die betwisting en hun stellingen niet aan de hand van stukken onderbouwd. Om deze reden verwerpt het hof de stellingen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] als onvoldoende onderbouwd. Grief III faalt dus met betrekking tot dit dossier. i. Dossier P18: [dossier 9] De verwijten die [appellant sub 1] en [appellante sub 2]