Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2004-11-30
ECLI:NL:GHSHE:2004:AR6654
ECLI:NL:GHSHE:2004:AR6654 text/xml public 2015-11-11T09:13:18 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AR6654 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2004-11-30 C0300913-HE Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2004:AR6654 text/html public 2013-04-04T21:38:10 2004-11-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2004:AR6654 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 30-11-2004 / C0300913-HE Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag hoe de advertentietekst (zie 4.1.1.) moet worden uitgelegd. Volgens [appellant] moet de advertentietekst worden opgevat als een bijzondere vorm van een onherroepelijk aanbod, namelijk uitloving. Maar volgens de gemeente behelst de advertentietekst slechts een uitnodiging tot het doen van een aanbod en stond het de gemeente op grond van diezelfde advertentie vrij het advies van de commissie Beeldende Kunst al dan niet over te nemen. Er staat immers: "Het gemeentebestuur van Geldrop is opdrachtgever van deze kunstopdracht en zal zich hierover laten adviseren door de commissie Beeldende Kunst van de gemeente Geldrop." typ. MBR rolnr. C0300913/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, derde kamer, van 30 november 2004, gewezen in de zaak van: [APPELLANT], wonende te Milheeze, appellant, procureur: mr. J.M.C. de Kok, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE GELDROP, zetelende te Geldrop, geïntimeerde, procureur: mr. M.T.C.A. Smets, op het bij exploot van 23 juni 2003 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder nummer 78048/HA ZA 02-453 gewezen vonnis van 26 maart 2003 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - de gemeente - als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, aan partijen genoegzaam bekend. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het het hof moge behagen het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 11.309,49 in hoofdsom en € 780,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente, toe te wijzen, zulks met veroordeling van de gemeente in de kosten van de beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft de gemeente, onder overlegging van één productie, de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. J.M.C. de Kok en de gemeente door mr. M.T.C.A. Smets. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Door de rechtbank zijn geen feiten vastgesteld. Het hof zal eerst de feiten vaststellen. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.1. Medio 2000 plaatst de gemeente een advertentie in BK-informatie, een kunstperiodiek. Deze advertentie (prod. I dagv. 1e aanleg) luidt als volgt: "Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop nodigt beeldend kunstenaars uit om te solliciteren naar de kunstopdracht voor de rotonde in het centrum van Geldrop. informatie (...) opdracht De commissie denkt aan een spraakmakend en discussie oproepend kunstobject, dat tevens een geïntegreerd concept tussen kunstwerk en rotonde is. Verwezen dient te worden naar het aanwezige monumentale kasteelpark in relatie tot de bestaande bebouwing. Budget Voor deze opdracht is een budget beschikbaar van f 100.000,00 inclusief schetsontwerp, alle kosten en BTW. Procedure Beeldend kunstenaars die belangstelling hebben voor deze opdracht, worden uitgenodigd te reageren door middel van het inzenden van een korte motivering (geen schetsen of ideeën), documentatie in de vorm van dia's, vergezeld van een curriculum vitae. De documentatie dient vóór Daar [appellant] van de gemeente niets heeft vernomen, neemt hij aan dat het loze berichten zijn "temeer daar ik een contract van Uw voorganger in huis heb en het plastiek omstreeks september gereed had moeten zijn. Aan alle voorwaarden en voorbereidingen is wat mij betreft al in juni voldaan; rest dientengevolge de fabricage en plaatsing (...) op de rotonde te Geldrop. (...) Aangezien het werk nu al sinds juni stil ligt, hoop ik snel van U duidelijkheid over de verdere gang van zaken te krijgen." 4.1.8. Op 16 oktober 2001 (prod. 3 CvA) schrijven B&W van de gemeente aan [appellant]: "Naar aanleiding van het overleg dat u op 15 oktober 2001 met de burgemeester heeft gehad, aangaande de ontwikkelingen rondom het door u gepresenteerde beeld Huis Clos, en in aansluiting op onze brief van 13 juli 2001 (hof: zie 4.1.4.), berichten wij u het volgende. Naar aanleiding van een daartoe ingediende motie is in de vergadering van de raad van 4 oktober 2001 unaniem besloten dat het advies van de commissie Beeldende Kunst om het betreffende beeld op de rotonde Nieuwendijk/Helze/Mierloseweg te doen realiseren, niet ten uitvoer wordt gebracht. Het vorenstaande betekent dat wij niet overgaan tot opdrachtverlening aan u en dat er dus van plaatsing van het kunstwerk geen sprake kan zijn. Daarom stellen wij u in de gelegenheid om bij ons college, conform de geldende regels, een declaratie in te dienen van alle door u gemaakte kosten. (...)" 4.1.9. Op 24 oktober 2001 (prod. 4 CvA) deelt de Nieuwe Brabantse Kunst Stichting (NBKS) de gemeente "naar aanleiding van de kwestie rond het beeld van dhr. Thijs [appellant] en het telefonische verzoek van dhr. [gemeentevoorlichter]" mede dat, gelet op het feit dat alle werkzaamheden die behoren bij de uitvoeringsfase van de kunstopdracht met uitzondering van de begeleiding van de fabricage en plaatsing reeds door [appellant] zijn uitgevoerd, een korting op het honorarium van 15 % reëel lijkt. Omdat het volgens de NBKS te doen gebruikelijk is het honorariumdeel van het schetsontwerp (f 2.500) daarop in mindering te brengen, resteert terzake een bedrag ad f 24.700. Daarnaast lijkt het de NBKS gegeven de situatie terecht dat [appellant] naast zijn honorariumdeel de reeds gemaakte uitvoeringskosten vergoed krijgt. 4.1.10. Op 19 november 2001 (prod. 5 CvA) dient [appellant] zijn declaratie ad f 39.460,00 bij de gemeente in, volgens bijgevoegde specificatie bestaande uit f 24.700 terzake honorarium en reeds gemaakte uitvoeringskosten. In haar reactie van 21 november 2001 (prod. 6 CvA) interpreteert de gemeente de rekening als een gespecificeerde opgave van gemaakte kosten en deelt mede het bedrag voor het schaalmodel ad f 4.240,00 niet meer te vergoeden, omdat [appellant] dat heeft terug ontvangen. [appellant] reageert daarop bij brief van 28 november 2001 (prod. 7 CvA): het schaalmodel is door hem nimmer in rekening gebracht, het bedrag van f 4,240,00 heeft betrekking op een voor [constructiebedrijf] vervaardigd groter constructiemodel en [appellant] blijft bij zijn eerdere declaratie. 4.1.11. Daarop schrijft de gemeente op 6 december 2001 aan [appellant] (prod. VIII dagv. 1e aanleg en prod. 8 CvA): "Per brief van 28 november jl. bericht u ons, dat u niet accoord gaat met het door de burgemeester aan u voorgelegde concept voorstel. Dit voorstel kan derhalve niet in het College van Burgemeester en Wethouders aan de orde worden gesteld en zodoende wordt dit voorstel, hetgeen overigens met behoud van alle rechten aan u is voorgelegd, ingetrokken. Omdat wij op dit moment nog steeds geen overeenstemming hebben bereikt, kan slechts worden overgegaan tot vergoeding van de in redelijkheid gemaakte kosten. (...) Daarnaast is naar onze mening een vergoeding van 25% van het honorarium meer in overeenstemming met de feitelijke ontwikkelingen. U heeft n.l. geen kosten gemaakt voor de uitvoeringsfase en voor de begeleiding van de fabricage en de plaatsing van het kunstwerk. (...) 25% van het honorarium à f 32.000,= is f 8.0 Volgens de gemeente ging dat om het schaalmodel, dat aan [appellant] was teruggegeven; volgens [appellant] betrof deze post niet dat schaalmodel, dat door hem nooit in rekening was gebracht, maar een voor [constructiebedrijf] vervaardigd groter constructiemodel (voormelde correspondentie is hiervoor in 4.1.10. beknopt weergegeven). Toen [appellant] na voormelde uitleg bij zijn eerder gediende specificatie bleef, reageerde de gemeente daarop met de intrekking van haar eerdere voorstel. De gemeente poneert een nieuw voorstel: 25% van het honorarium, na aftrek van f 2.500 voor het schetsontwerp is dat f 5.500, en een kostenvergoeding van f 10.061,10 acht de gemeente voldoende. Door de gemeente is in totaal € 7.061,32 aan [appellant] vergoed. Door de rechtbank is deze koerswijziging van de gemeente over het hoofd gezien en de weergave van het verweer in r.o. 2.3 is dan ook niet in overeenstemming met de feiten. [appellant] merkt dan ook terecht op dat als de gemeente bereid was geweest om, zoals door de rechtbank vastgesteld, 85% van het honorarium en de door [appellant] gemaakte uitvoeringskosten te vergoeden, de onderhavige procedure niet nodig was geweest: dan was immers aan de vordering van [appellant] volledig tegemoet gekomen. 4.3.2. Maar het enkele feit dat deze grief slaagt, brengt echter nog niet mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd. Daarvoor dient te worden beoordeeld of de vordering van [appellant] voor toewijzing in aanmerking komt. 4.4. De grieven I, II en III zijn te herleiden tot de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat gelet op de bewoordingen van de advertentie de gemeente niet bij wijze van uitloving een onherroepelijk aanbod heeft gedaan en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4.4.1. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag hoe de advertentietekst (zie 4.1.1.) moet worden uitgelegd. Volgens [appellant] moet de advertentietekst worden opgevat als een bijzondere vorm van een onherroepelijk aanbod, namelijk uitloving. Maar volgens de gemeente behelst de advertentietekst slechts een uitnodiging tot het doen van een aanbod en stond het de gemeente op grond van diezelfde advertentie vrij het advies van de commissie Beeldende Kunst al dan niet over te nemen. Er staat immers: "Het gemeentebestuur van Geldrop is opdrachtgever van deze kunstopdracht en zal zich hierover laten adviseren door de commissie Beeldende Kunst van de gemeente Geldrop." 4.4.2. Volgens vaste jurisprudentie (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635) kan de vraag hoe voormelde advertentietekst moet worden uitgelegd niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van die tekst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers mede aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze tekst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof tekent daarbij aan dat in een geval als het onderhavige, waarin de gemeente door plaatsing van een advertentie kunstenaars uitnodigt om te solliciteren naar een kunstopdracht, de kunstenaars die reageren dat zullen doen op basis van die advertentie. In die advertentie zijn namelijk het budget, de voorwaarden waaraan moet worden voldaan als ook het te volgen tijdpad vermeld. Van onderhandelingen of besprekingen tussen de gemeente en kunstenaars daaraan voorafgaande - en dus van verklaringen en gedragingen over en weer - zal geen sprake zijn. Hooguit kan een kunstenaar zich indien nodig voor informatie tot de gemeente wenden. Dit betekent dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die de bewoordingen van de advertentie, gelezen in de context van die advertentie als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van deze advertentietekst van groot belang is (zie HR 20 februari 2004, LJN-nr AO1427; RvdW 2004, 34, Pensioenfonds DSM-Fox). 4.4.3. Naar het oordeel van het hof l