ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4314
typ. MBR
rolnr. KG C0400635/BR
ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,
tweede kamer, van 10 augustus 2004,
gewezen in de zaak van:
[Appellante], als wettelijk vertegenwoordigster van [dochter],
wonende te [plaatsnaam], gemeente [gemeentenaam],
appellante,
procureur: mr. Y.A.W.M. Molkenboer,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te 's-Gravenhage,
geïntimeerde,
procureur: mr. J.E. Lenglet,
op het bij dagvaarding van 20 april 2004 en herstelexploot van 28 april ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda onder zaaknummer 130467/KG ZA 04-112 gewezen vonnis in kort geding van 29 maart 2004 tussen appellante als eiseres en geïntimeerde - de Staat - als gedaagde.
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in kort geding van 29 maart 2004.
[Appellante] is van dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft in de dagvaarding in hoger beroep drie grieven geformuleerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en toewijzing alsnog van haar vordering.
De Staat heeft bij memorie van antwoord, onder overlegging van vijf producties, de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.
Partijen hebben vervolgens de procesdossiers overgelegd voor uitspraak.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de precieze inhoud van de grieven verwijst het hof naar de dagvaarding in hoger beroep.
4.1.1. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende:
- [Dochter], de minderjarige dochter voor wie [appellante] als vertegenwoordigster de onderhavige procedure voert, is op 19 april 2001 door de kinderrechter te Breda bij verstek veroordeeld tot onder meer het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 uren, met bepaling dat daarmee diende te worden aangevangen binnen vier maanden na het tijdstip waarop het vonnis onherroepelijk zou zijn geworden en dat deze arbeid binnen 12 maanden na aanvang diende te worden verricht, en tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden;
- tijdens een intake-gesprek van de Raad voor de Kinderbescherming met [dochter] op 4 juli 2004 heeft de Raad voor de Kinderbescherming behalve over een door [dochter] uit te voeren werkstraf van 16 uren ingevolge een vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Middelburg ook gesproken over de hiervoor vermelde veroordeling tot een 'werkstraf' van 120 uren; nadat [dochter] op een afspraak voor een kennismakingsgesprek bij het zorgcentrum waar zij haar werkstraffen zou gaan verrichten niet was verschenen en ook op een tweede oproep niet was verschenen, heeft de Raad voor de Kinderbescherming de 'taakstraf' van 120 uren als mislukt aan de officier van Justitie te Breda geretourneerd;
- op 20 maart 2003 is het vonnis van de kinderrechter van 19 april 2001 vanwege het parket te Breda, aan [dochter] in persoon betekend;
- de raadsman van [dochter] heeft vervolgens op 26 maart 2003 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld;
- bij brief van 2 april 2003 deelde de raadsman aan
de Raad voor de Kinderbescherming mede dat [dochter] overwoog het hoger beroep in te trekken en de 120 uren onbetaalde arbeid te verrichten en vroeg hij laten weten welk werk door [dochter] gedurende een aantal maanden zou kunnen worden verricht;
- intrekking van het hoger beroep is niet gevolgd; het hoger beroep heeft gediend ter zitting van dit hof van 2 juli 2003; bij arrest van die datum is [dochter] in haar hoger beroep niet ontvankelijk verklaard omdat dit, gezien de bevestiging van [dochter] ter zitting dat zij op 4 juli 2001 met het vonnis bekend was geworden, niet binnen de in art. 408, tweede lid Sv, gestelde termijn was ingesteld;
- de officier van Justitie te Breda heeft vervolgens bij brief van 17 december 2003 aan de Raad voor de Kinderbescherming bericht dat het vonnis van 19 april 2001 op 2 juli 2003 onherroepelijk was geworden en dat vonnis ten uitvoer dient te worden gelegd zodat de 'taakstraf' van 120 uren alsnog zou moeten worden voldaan; in verband met de tussen de datum van het arrest en de kennisgeving aan de Raad voor de Kinderbescherming verstreken tijd, heeft het parket de termijn van de 'taakstraf' verschoven en het einde daarvan gesteld op 17 december 2004.
4.1.2. In dit kort geding vordert [appellante] een verbod aan de Staat om de hiervoor genoemde werkstraf (het hof zal in navolging van partijen kortheidshalve deze term of de term taakstraf ook gebruiken hoewel het in dit geval gaat om de alternatieve sanctie die in art. 77h (oud) Sr als onbetaalde arbeid ten algemene nutte werd aangeduid) ten uitvoer te leggen. Zij stelt dat uitvoering van die straf onrechtmatig is omdat de termijn daarvoor is verstreken en het recht tot uitvoering van deze straf is verjaard.
De Staat heeft deze stelling gemotiveerd bestreden.
De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Aan die afwijzing heeft de voorzieningenrechter het oordeel ten grondslag gelegd dat [appellante] bij deze vordering geen belang heeft aangezien die straf niet zonder medewerking van [dochter] ten uitvoer kan worden gelegd en [dochter] dus zelf kan bewerkstelligen dat die straf niet wordt uitgevoerd.
4.2.1. Grief 2 is gericht tegen de grond waarop de voorzieningenrechter de vordering heeft afgewezen.
4.2.2. Deze grief slaagt in zoverre dat naar het oordeel van het hof [dochter] bij haar vordering wel belang heeft indien het recht van de Staat tot tenuitvoerlegging van die straf zou zijn komen te vervallen. Het hof ziet niet in waarom een veroordeelde tot een werkstraf er niet - evenzeer als een veroordeelde tot een andere strafsoort (gevangenisstraf, hechtenis of geldboete) - belang bij zou hebben dat de Staat niet overgaat tot een onrechtmatig te achten uitvoering van de straf. De omstandigheid dat een veroordeelde tot een werkstraf kan verkiezen al dan niet aan de uitvoering van een werkstraf mee te werken doet aan dat belang niet af nu een voor eigen risico (het risico dat bij niet nakoming alsnog oplegging van jeugddetentie wordt gevorderd en wordt opgelegd) niet uitvoeren van een werkstraf niet op een lijn kan worden gesteld met een niet tot uitvoering van die straf aangesproken worden.
4.2.3. Gezien het vorenstaande zal de vordering van [appellante] opnieuw dienen te worden beoordeeld, zoals door [appellante] in grief 3 ook wordt bepleit. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
4.3.1. Het vonnis van 19 april 2001 betreft een vonnis dat op de voet van het bepaalde in art. 366 lid 1 Sv aan [dochter] diende te worden betekend. Van een van de in het tweede lid van voormeld artikel genoemde gevallen waarin een dergelijke betekening niet is vereist is niet gebleken. Gelet op de aard van de veroordeling (veroordeling tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie) was bovendien ingevolge het bepaalde in art. 366a, derde lid, Sv een betekening in persoon vereist. Deze betekening vond, zoals hiervoor vastgesteld, plaats op 20 maart 2003.
4.3.2. Ingevolge het bepaalde in art. 557 lid 2 Sv kon het vonnis van 19 april 2001 eerst na betekening ten uitvoer worden gelegd. Door het door de raadsman van [dochter] ingestelde hoger beroep werd de mogelijkheid van tenuitvoerlegging vervolgens opgeschort. Daaraan kwam een einde bij het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van 2 juli 2003 waarbij [dochter] in dat hoger beroep niet ontvankelijk werd verklaard.
4.3.3. Het hof is voorshands van oordeel dat in dit geval, waarin het verstekvonnis op 20 maart 2003 aan [dochter] werd betekend waarna op 26 maart 2003 namens [dochter] een rechtsmiddel werd aangewend, voor de onherroepelijkheid van het vonnis van 19 april 2001 dient te worden uitgegaan van het tijdstip waarop het arrest van dit hof van 2 juli 2003 kracht van gewijsde heeft gekregen (vgl. HR 10 december 1974, NJ 1975/180, voor een enigszins andere situatie). De vordering van [appellante] stuit dan af omdat deze berust op het onjuiste uitgangspunt dat het vonnis op 18 juli 2001 onherroepelijk zou zijn geworden.
4.3.4. Echter ook indien van een eerdere onherroepelijkheid van het vonnis zou moeten worden uitgegaan, acht het hof het standpunt van [appellante] inzake een 'verjaard' zijn van het recht op executie van het openbaar ministerie onjuist.
Het hof merkt hierbij op dat, hoewel [appellante] spreekt over verjaring, zij zich kennelijk beroept op de consequentie van het bepaalde in art. 77q (oud) Sr indien het openbaar ministerie niet tijdig reageert op een niet binnen de in een vonnis bepaalde termijn verricht zijn van een opgelegde straf tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte. Het hof zal het beroep van [appellante] op verjaring dan ook in deze zin begrijpen.
4.3.5. Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke uitleg van het bepaalde in art. 77n lid 2 onder a, 2° (oud) Sr, waarin aan de rechter wordt opgedragen de termijn van aanvang van de onbetaalde arbeid na het onherroepelijk worden van het vonnis te bepalen, mee dat moet worden aangenomen dat een aldus bepaalde termijn (in dit geval één jaar na aanvang binnen vier maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis) geen aanvang neemt zolang het vonnis nog niet executabel is. Een andere uitleg acht het hof in strijd met (de strekking van) het wettelijk systeem. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat de termijn voor het uitvoeren van een alternatieve sanctie al loopt terwijl het vonnis nog niet ten uitvoer kan worden gelegd.
4.3.6.