Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2004-06-17
ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ5854
ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ5854 text/xml public 2025-03-21T19:43:47 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AQ5854 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2004-06-17 01/03927 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Algemene wet bestuursrecht 3:41 Invorderingswet 1990 12 Invorderingswet 1990 13 Rechtspraak.nl V-N 2004/54.22 met annotatie van Redactie NTFR 2004/1284 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ5854 text/html public 2013-04-04T21:17:04 2004-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ5854 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 17-06-2004 / 01/03927 Tussen partijen is na de zitting in geschil het antwoord op de volgende vraag: Zijn de betekeningskosten terecht door de Ontvanger in rekening gebracht? BELASTINGKAMER Nr. 01/03927 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen Z van de rijksbelastingdienst (hierna: evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/ZZ van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Ontvanger, aan te duiden als: de Ontvanger) op het bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is op 31 mei 2001 een dwangbevel betekend, waarbij betekeningskosten in rekening zijn gebracht. Op 7 juni 2001 heeft gemachtigde een administratief beroep ingediend tegen de in rekening gebrachte betekeningskosten ad fl. 3.995,=. Bij uitspraak van de Ontvanger van 29 oktober 2001 is de beschikking gehandhaafd. 1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van € 218,=. De Ontvanger heeft bij verweerschrift het beroep bestreden. 1.3. De uitnodiging voor het onderzoek ter zitting is op 30 oktober 2003 door de griffier aan partijen verzonden. Op 11 december 2003 heeft mevrouw mr.A, werkzaam bij S te H, telefonisch contact opgenomen met de griffier en verzocht om uitstel van de zitting vanwege een vakantie op 17 december 2003. Zij heeft hierbij medegedeeld dat er op het kantoor waar zij werkzaam is, meerdere advocaten werkzaam zijn en dat deze advocaten niet alle op 17 december 2003 verhinderd zijn. Na het telefoongesprek heeft mevrouw A een faxbericht naar het Hof gestuurd met hierin een verzoek om uitstel. Het Hof heeft op 11 december 2003 het uitstelverzoek afgewezen en dit telefonisch en schriftelijk aan mevrouw A laten weten. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 17 december 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de heer mr. L., verbonden aan S te H, alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr. P. en, namens de Ontvanger, de heer C., beiden verbonden aan het vorengenoemde onderdeel van de rijksbelastingdienst. 1.5. Belanghebbende en de Ontvanger hebben te dezer zitting pleitnota's voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. 1.6. Het Hof voegt ambtshalve een exemplaar van het verweerschrift in de zaak 02/01935 in het dossier van de zaak 01/03927. Het onderzoek ter zitting van deze zaken heeft gezamenlijk plaatsgevonden. 1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. Over het vierde kwartaal 1999 verleent de Inspecteur bij beschikking aan belanghebbende een teruggaaf van fl. 111.384,=. Deze ter Ter zitting heeft belanghebbende hieraan nog het volgende toegevoegd: - Het beroep op het EVRM is aanvullend bedoeld. - Ik handhaaf mijn stelling over het boete-element. - In de wetsgeschiedenis van het huidige artikel 12 van de Invorderingswet staat dat persoonlijk contact bij het betekenen van dwangbevelen van groot belang wordt geacht. - Op verzoek van de belanghebbende moet de Ontvanger verrekenen. - Er is wel uitstel verleend voor de LISV-vordering. De Ontvanger heeft ter zitting nog het volgende toegevoegd: - Er is geen sprake van een boete-element in de betekeningskosten. De kosten worden slechts afgewenteld op mensen die te laat betalen. - Een deurwaarder gaat op pad om belasting te innen. Als hij iemand aantreft op het adres van een belastingschuldige, die te laat is met betalen, doet hij degene, die hij aantreft, een aanbod om het verschuldigde bedrag contant op dat moment te voldoen waarbij kwitantiekosten van € 9,= verschuldigd zijn. Maar heel weinig mensen betalen contant aan de deur, zeker niet als het om flinke aanslagbedragen gaat. Als degene, die aanwezig is, niet van dit aanbod gebruik maakt, betekent de deurwaarder het dwangbevel en brengt kosten in rekening. - Vanaf 2004 worden de kosten van vervolging flink verhoogd door de wijziging van de Kostenwet. De Kostenwet is gewijzigd, omdat de werkelijke kosten verbonden aan de invordering aanzienlijk hoger lagen dan de conform de Kostenwet in rekening gebrachte bedragen aan vervolgingskosten. - Als de deurwaarder niemand aantreft op het adres van de belastingschuldige, betekent hij het dwangbevel en laat dit in een gesloten envelop achter conform het bepaalde in artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. - Vanaf 2004 is betekening per post mogelijk. Een deurwaarder heeft niet de plicht om te wachten totdat er iemand thuis is. - Ik mag eigenmachtig verrekenen. Er is wel beleid. Als een belanghebbende aangeeft dat een teruggaaf met een bepaalde aanslag moet worden verrekend, doen we dat. Er was destijds alleen een vordering van het LISV, waar we mee konden verrekenen. Als je uitstel voor een vordering hebt verleend, verreken je een teruggaaf niet met die vordering. Ten tijde van de verrekening van de LISV-vordering was geen uitstel verleend. De aansprakelijkheidsstelling dateert van 1996 en 1997. Er zijn wel invorderingsmaatregelen genomen om de LISV-vordering te innen, maar iedere keer werd er verzet of bezwaar aangetekend tegen deze maatregelen. - Het indienen van een bezwaarschrift tegen een aanslag leidt tot de behandeling van een verzoek om uitstel van betaling, maar leidt niet automatisch tot toekenning van uitstel van betaling. - Bij slecht betaalgedrag worden kwartaalaangiften voor de omzetbelasting door de Inspecteur omgezet in maandaangiften. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak alsmede vernietiging van de beschikking. De Ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. In zijn pleitnota beklaagt gemachtigde zich erover dat hij in een kort tijdsbestek de dossiers tot zich heeft moeten nemen, en stelt hij zich op het standpunt dat het Hof door geen verhinderdata op te vragen, gemachtigde voor een voldongen feit heeft geplaatst. Het Hof overweegt het volgende omtrent het afwijzen van het uitstelverzoek. Het Hof vraagt normaliter geen verhinderdata van gemachtigden op, maar streeft wel naar het verzenden van uitnodigingen uiterlijk zes weken voor de zitting, zodat belanghebbenden ruim voor de zitting kunnen aangeven dat zij verhinderd zijn. Mevrouw A heeft pas zes weken na het verzenden van de uitnodiging en slechts zes dagen vóór de zitting contact opgenomen met de griffier. Het Hof overweegt dat mevrouw A derhalve het uitstelverzoek zeer laat heeft gedaan en bovendien geen redenen heeft aangevoerd, waarom zij dat verzoek zo laat deed. Zoals de griffier reeds telefonisch aan mevrouw A heeft gemeld, was het verzoek zeker Belanghebbende heeft niets cijfermatigs gesteld of aannemelijk gemaakt omtrent de werkelijke kosten van vervolging die bij de betekening van het dwangbevel door de belastingdeurwaarder zijn gemaakt. Belanghebbende verwijst naar een vastgesteld tarief voor gerechtsdeurwaarders en is kennelijk van mening dat de werkelijke kosten van de betekening van het onderhavige dwangbevel overeenkomen met dat vastgestelde tarief. Naar het oordeel van het Hof miskent belanghebbende hiermee dat het civiele invorderingsrecht heel anders is dan het fiscale invorderingsrecht en dat een vastgesteld tarief gebaseerd is op een gemiddelde in de praktijk te maken kosten. Een vastgesteld tarief voor gerechtsdeurwaarders zegt derhalve niets over de werkelijk gemaakte kosten in dit geval van betekening door een belastingdeurwaarder. 4.4.3. Een van de beginselen van de Kostenwet is dat de totale invorderingskosten gedekt moeten worden door de opbrengst van de kosten die in rekening worden gebracht ter zake van de diverse vervolgingsmaatregelen. Bij een civiele incassoprocedure worden ook niet alleen deurwaarderskosten in rekening gebracht aan de schuldenaar, maar ook het honorarium voor degene die de vordering incasseert en griffierechten voor de rechtbank. 4.4.4. Gelet op het in 4.4.2 en 4.4.3 overwogene is het Hof van oordeel dat belanghebbende met wat zij heeft gesteld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van fl. 3.995,= niet slechts een "pecuniary compensation for damage" vormt, maar tevens moet worden aangemerkt als "a punishment to deter reoffending" (EHRM 24 februari 1994, nr. 3/1993/398/476, BNB 1994/175). 4.5. Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat de Staat het recht heeft om wetten aan te nemen die de betaling van belasting verzekeren. De Kostenwet behoort tot deze wetten. 4.6.1. Belanghebbende stelt in haar beroepschrift dat de beschikking strijdig is met artikel 6 EVRM, omdat de betekeningskosten mede zijn gerelateerd aan nog niet onherroepelijk vaststaande boeten. 4.6.2. Fiscale boeten vormen een "criminal charge" in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM, zodat artikel 6 van het EVRM in zoverre van toepassing is. Heffing van invorderingsrente is evenals kosten van vervolging een gevolg van niet-tijdige betaling van belastingschulden. De hoogte van het bedrag aan invorderingsrente is evenals de kosten van vervolging mede afhankelijk van het verschuldigde bedrag aan boete. Omdat de Hoge Raad in het arrest van 9 oktober 1996, nr. 31 346, BNB 1997/6, heeft bepaald dat het EVRM het belopen van invorderingsrente over niet vaststaande boetes niet verhindert, is het Hof van oordeel dat de keuze van de wetgever om de in rekening gebrachte kosten van vervolging te relateren aan het bedrag van de aanslag niet onjuist is. 4.7. Belanghebbende stelt dat de kosten van het dwangbevel niet in verhouding staan tot het verschuldigde bedrag aan belasting. In dit geval gaat het om een invorderbaar bedrag van de aanslag van fl. 79.025,= en een bedrag aan invorderingskosten van fl. 3.995,=. Mede gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 20 september 2000, nr. 35 250, BNB 2000/375, is het Hof van oordeel dat de Ontvanger bij afweging van de betrokken belangen heeft kunnen besluiten tot het laten betekenen van een dwangbevel en het in rekening brengen van de kosten hiervan. Belanghebbende heeft met wat zij heeft gesteld onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake is van een bijzonder geval waarin de Ontvanger had moeten afzien van het in rekening brengen van invorderingskosten. 4.8.1. Belanghebbende stelt dat nog niet vaststaande bestuurlijke boetes niet mogen worden ingevorderd. De naheffingsaanslag is met een boete opgelegd. De Hoge Raad heeft in het arrest van 9 oktober 1996, nr. 31 346, BNB 1997/6, bepaald dat de in artikel 6, lid 2, EVRM, neergelegde onschuldpresumptie niet zover gaat dat de invordering van een niet-vas Wordt dat aanbod afgewezen, dan betekent de deurwaarder het dwangbevel, waarbij kosten in rekening worden gebracht. Indien de belastingdeurwaarder een belastingschuldige niet thuis aantreft, betekent hij het dwangbevel en laat dit in een gesloten envelop achter in de brievenbus. 4.11.3. Alle belastingschuldigen ten aanzien van wie de Ontvanger besloot een dwangbevel op te leggen, werden in 2001 gelijk behandeld in die zin, dat allen op het woon- of vestigingsadres werden bezocht door een belastingdeurwaarder. Afhankelijk van de omstandigheid of de deurwaarder iemand op dit adres aantrof, werd een laatste mogelijkheid tot betalen geboden. Naar het oordeel van het Hof zijn belastingschuldigen die niet thuis zijn en belastingschuldigen die wel thuis zijn geen gelijke gevallen. Gelet op het verschil tussen deze groepen - met de ene groep kan de deurwaarder niet ter plekke communiceren en met de andere wel - is een verschillende behandeling geoorloofd. Nu geen sprake is van gelijke gevallen, kan het beroep van belanghebbende op artikel 14 van het EVRM niet tot gegrondheid van het beroep leiden. Mede gelet op het feit dat de wetgever vanaf 1 januari 2004 betekening per post onder zekere voorwaarden mogelijk heeft gemaakt, kan overigens niet worden gezegd dat een belastingschuldige recht heeft op een laatste mogelijkheid tot contante betaling tegen voldoening van kwitantiekosten. 4.11.4. Gelet op het overwogene in 4.11.1 tot en met 4.11.3 is het Hof van oordeel dat belanghebbende in gebreke was ten tijde van het betekenen van het dwangbevel en dat het dwangbevel terecht is betekend. De door belanghebbende in zijn beroepschrift aangehaalde arresten zien op situaties, waarin een terstond uitvoerbare aanslag is opgelegd tegelijkertijd met een dwangbevel. In zulke gevallen werd een belastingschuldige geconfronteerd met betekeningskosten op hetzelfde moment als waarop hij kennis nam van de belastingschuld. De Hoge Raad heeft bepaald dat een belastingschuldige voldoende tijd wordt gegund om de belastingschuld te voldoen, indien er drie uren liggen tussen het kennisnemen van de belastingschuld en het betekenen van het dwangbevel (Hoge Raad 5 november 1997, nr. 32 632, BNB 1997/406). Aan die termijn is in casu ruimschoots voldaan. 4.12. Artikel 12 van de Invorderingswet 1990 bepaalt dat een dwangbevel betrekking kan hebben op verschillende belastingaanslagen. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde weerspreking van de Ontvanger onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er in dit geval een plicht tot oplegging van één dwangbevel voor meerdere aanslagen bestaat. 4.13. Door middel van de kennisgeving van 19 april 2000 heeft de Ontvanger belanghebbende op de hoogte gesteld van de verrekening, genoemd onder 2.1. De plicht van de Ontvanger om op verzoek van de belanghebbende te verrekenen geldt alleen als er op één moment, in casu 28 april 2000, een vordering bestaat en een schuld. Op 28 april 2000 bestond de vordering vanwege de teruggaaf omzetbelasting niet meer omdat deze op 19 april reeds was verrekend. De Ontvanger heeft ter zitting geloofwaardig verklaard, dat op 19 april 2000 alleen met de vordering van het LISV kon worden verrekend. 4.14 Het gelijk is aan de Ontvanger. 5. Het griffierecht Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht wordt vergoed. 6. Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. 7. Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en D.G. Barmentlo, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van D.J. Koopmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 17 juni 2004. De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen. Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 17 juni 2004 Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze u