Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2003-07-30
ECLI:NL:GHSHE:2003:AN8570
ECLI:NL:GHSHE:2003:AN8570 text/xml public 2025-03-22T22:06:00 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AN8570 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2003-07-30 00/02525 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Algemene wet bestuursrecht 7:6 Algemene wet bestuursrecht 6:8 Rechtspraak.nl V-N 2004/8.5 met annotatie van Redactie NTFR 2003/1937 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2003:AN8570 text/html public 2013-04-04T20:27:50 2003-11-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2003:AN8570 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 30-07-2003 / 00/02525 Tussen partijen is na de zitting in geschil het antwoord op de volgende vragen: - Is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in haar bezwaar verklaard? - Dient de Staat der Nederlanden aan belanghebbende een bedrag van € 1.166,61 te voldoen als vergoeding van proceskosten? BELASTINGKAMER Nr. 00/02525 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna: evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 56.413. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar verklaard en de aanslag gehandhaafd. 1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 60,= (€ 27,23). De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden. 1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, een conclusie van repliek ingediend en de Inspecteur een conclusie van dupliek. 1.4. Naar aanleiding van de uitnodiging om op de hierna te noemen zitting te verschijnen, hebben partijen in aan het Hof gerichte correspondentie uitdrukkelijk verklaard ermee in te stemmen dat de zaak behandeld wordt met voorbijgaan aan de termijn als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb. 1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Awb hebben belanghebbende en de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 2 juli 2003 te 's-Hertogenbosch. Beide partijen zijn met schriftelijk bericht niet verschenen. De afwezigheid van partijen hangt samen met de omstandigheid dat het tweede geschilpunt reeds eerder op een zitting van het Hof van 14 mei 2003 is behandeld. 1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat binnen twaalf weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende is geboren op 19 augustus 1955 en is ongehuwd. Belanghebbende heeft deelgenomen aan het piramidespel A B.V. Tenminste fl. 15.000,= is aan haar uitbetaald in het kader van dit spel. 2.2.1. De Inspecteur stelt dat de aanslag is verzonden op 19 november 1999. 2.2.2. Belanghebbende's gemachtigde heeft met dagtekening 2 november 1999 een brief gezonden aan de Inspecteur waarin de gemachtigde enkele vragen stelt naar aanleiding van de brief van de Inspecteur aan belanghebbende van 24 augustus 1999. De gemachtigde die advocaat is, heeft geen door belangh Op de zitting van 14 mei 2003 heeft de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst, in de zaken met kenmerk 00/01185, 00/02259 en 00/02297 onder meer het volgende gezegd: - Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid. De omstandigheid dat sprake is van gecompliceerde wetgeving kan tot uiting worden gebracht in het "gewicht van de zaak" bij de berekening van de proceskostenvergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Staatssecretaris vond het niet goed dat het bezwaar werd aangehouden. Het is niet zo dat de Inspecteur heel erg de fout is ingegaan. 3. Geschil en standpunten van partijen 3.1. Tussen partijen is na de zitting in geschil het antwoord op de volgende vragen: - Is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in haar bezwaar verklaard? - Dient de Staat der Nederlanden aan belanghebbende een bedrag van € 1.166,61 te voldoen als vergoeding van proceskosten? Niet in geschil is dat de aanslag dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 9.126,=. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zakelijk weergegeven stelt belanghebbende het volgende ter motivering van haar standpunt: De forfaitaire regeling neergelegd in het Besluit en de bijlage daarbij is in strijd met het bepaalde in de artikelen 6 en 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 1, van het Eerste protocol bij het EVRM en de artikelen 14 en 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en in strijd met de strekking van de Awb. Zakelijk weergegeven stelt de Inspecteur het volgende ter motivering van zijn standpunt: Er dient een vergoeding aan belanghebbende te worden toegekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 3.4. De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak, ontvankelijkverklaring van het bezwaar, vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 9.126,= en tot veroordeling van de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.166,61. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Belanghebbende stelt dat belanghebbende de aanslag met dagtekening 19 november 1999 niet heeft ontvangen. De Inspecteur stelt in zijn conclusie van dupliek dat er geen objectieve reden is om aan te nemen dat de postbestelling van het aanslagbiljet niet juist zou zijn verlopen. 4.2.1. Met betrekking tot de tijdigheid van de indiening van het beroep is van belang vast te stellen op welke dag de uitspraak op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt (artikel 6:8 Awb). Ingevolge artikel 3:41 geschiedt de bekendmaking door middel van toezending. Ingevolge artikel 6:8 Awb juncto artikel 22 j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is voor de dag van de bekendmaking. 4.4.2. De Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft geen bewijsstukken overgelegd van de terpostbezorging. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, gelet op de inhoud van de brieven van de gemachtigde van 8 februari en 15 mei 2000, de omstandigheid dat in de brieven van belanghebbende van voor 8 februari 2000 niet wordt gerept over een aanslag en hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende vóór 10 april 2000 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt met de aanslag. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2000, nr. 34 999, BNB 2000/220, vangt, indien de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, de bezwaartermijn pas aan op de dag van de ontvang In het bijzonder acht het Hof in dit verband van belang dat het geschil in de hoofdzaak voor een belangrijk deel van feitelijke aard was en dat het zich reeds in de bezwaarfase liet aanzien dat na afloop van de procedures voor de Hoge Raad de uitkomst van het geschil in de hoofdzaak afhankelijk zou zijn van de beslissing omtrent die feitelijke geschilpunten. 6.6. Gelet op het in 6.3 en 6.4 overwogene is het Hof van oordeel dat van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit geen sprake is. 6.7. Belanghebbende betoogt in de door hem ingezonden nader stukken dat de forfaitaire regeling neergelegd in het Besluit en de bijlage daarbij in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, artikel 1, van het Eerste protocol bij het EVRM en artikel 26 van het IVBPR. 6.8. In zijn arrest van 28 september 1995, Pub. Series A 327, NJ 1995,726, inzake Masson en Van Zon, heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) geoordeeld dat het EVRM een persoon die is vrijgesproken van een strafbaar feit geen recht op vergoeding van proceskosten toekent. Een dergelijk recht, zo vervolgt het EHRM, kan noch aan artikel 6, lid 2, EVRM, noch aan enige andere bepaling in het EVRM of de daarbij behorende protocollen worden ontleend. Naar het oordeel van het Hof heeft hetzelfde te gelden voor een persoon aan wie een belastingaanslag is opgelegd die later is vernietigd. Ook aan het bepaalde in het IVBPR kan naar het oordeel van het Hof niet een dergelijk recht worden ontleend. Van strijd van het forfait met de door belanghebbende genoemde verdragsbepalingen is derhalve geen sprake. 6.9. Belanghebbende stelt nog dat het forfait tot gevolg heeft dat de in artikel 6, lid 1, van het EVRM gewaarborgde toegang tot de rechter en de processuele gelijkheid van partijen worden geschonden. Die stelling faalt reeds omdat gestelde schendingen plaats zouden vinden in het kader van de procedure in de hoofdzaak, welke de vaststelling van de belastingschuld betreft. Een dergelijke procedure valt niet binnen de werkingssfeer van artikel 6, lid 1, van het EVRM (HR 26 april 2002, nr. 37 229, FED 2002/266). Van een schending van de waarborgen neergelegd in deze verdragsbepaling kan daarom geen sprake zijn. 6.10. Blijkens het gestelde in de laatste alinea van pagina 12 van belanghebbendes nadere stukken doet belanghebbende zijn betoog dat de voornoemde forfaitaire regeling in strijd is met de strekking van de Awb, steunen op het uitgangspunt dat in de onderhavige zaak het procesrecht van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken van toepassing zou zijn. Dit betoog behoeft geen behandeling aangezien voornoemd uitgangspunt onjuist is. Immers, het beroep is ingesteld na invoering van de Wet van 29 oktober 1998, houdende aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van het fiscale procesrecht), Stb. 621. 6.11. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen acht het Hof wel termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb, doch niet voor een afwijking van de forfaitaire regeling neergelegd in het Besluit en de daarbij behorende bijlage. Andere zaken waarin dezelfde gemachtigde optreedt en een soortgelijke kwestie speelt, zijn geen samenhangende zaken aangezien deze niet nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend. Met toepassing van dat besluit en die bijlage stelt het Hof de vergoeding vast op 1,5 (punten) x 1,5 (wegingsfactor) x € 322,-- is € 724,50. 7. Beslissing Het Hof: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de bestreden uitspraak; - vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 9.126; - gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23; - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 724,50; en - wijst de Staat aan al