Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2003-06-04
ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0487
ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0487 text/xml public 2025-07-30T17:36:10 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AI0487 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2003-06-04 01/02582 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU0878 Rechtspraak.nl V-N 2003/56.1.2 NTFR 2003/1427 Viditax (FutD) 2005081213 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0487 text/html public 2013-04-04T19:14:28 2003-07-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0487 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-06-2003 / 01/02582 - Op welk moment hield belanghebbende op inwoner van Nederland te zijn in de zin van artikel 4 van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brussel op 19 oktober 1970 (hierna: het Verdrag); - Op welk moment zijn de aandelen A BV vervreemd in de zin van artikel 49, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB). BELASTINGKAMER Nr. 01/02582 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (België) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is op 1 november 2000 voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van fl. 4.041.917,=, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van € 27,22. De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 26 februari 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.4. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met bijlagen toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de vier bij deze pleitnota behorende bijlagen. 1.5. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij en hij heeft deze voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. 1.6. Tijdens de zitting heeft het Hof belanghebbende uitgenodigd om na de zitting per fax te berichten welke kosten zijn gemaakt in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift. In zijn brief van 5 maart 2003 die tot de stukken van het geding behoort heeft belanghebbende aangegeven dat hij afziet van vergoeding van de werkelijk voor de behandeling van het bezwaarschrift gemaakte kosten en in plaats hiervan het Hof verzoekt om een kostenvergoeding toe te kennen volgens het puntenstelsel. 1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat binnen twaalf weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende Op 13 december 1991, in de namiddag, heeft belanghebbende met hulp van zijn zwager, de heer I, een aantal grotere meubelstukken overgebracht van zijn woning gelegen aan de adres J in K naar het pand aan de adres G te Y. Hij stelt op deze datum te zijn verhuisd naar dit adres. Op 16 januari 1992 is hij verhuisd naar de adres L in Y. Belanghebbendes zoon H is op 18 januari 1992 gehuwd en heeft met zijn echtgenote per die datum het woongedeelte van de voormalige dancing betrokken. 2.7. Belanghebbendes zoon H heeft tot 18 januari 1992 in het pand aan de adres J te K gewoond en belanghebbendes zoon M heeft hier tot omstreeks oktober 1992 gewoond. 2.8. In 1995 heeft de vorige adviseur, D, een advies gegeven om de aandelen in A BV aan B BV over te dragen. Daartoe werd besloten. In het najaar van 1995 is de heer N in beeld gekomen als belastingadviseur van belanghebbende. Hij kreeg de opdracht het besluit tot vervreemding uit te voeren en wel zodanig dat er fiscaal geen risico ontstond op heffing van inkomstenbelasting over de vervreemdingswinst van belanghebbende. De heer N gaf in dat kader aan de notaris de opdracht tot het maken van een concept van een akte van aandelenoverdracht. Op 3 december 1996 heeft notaris O aan de Heer N het eerste concept van de akte inzake de overdracht van de in bezit van belanghebbende zijnde 90 preferente aandelen A in A BV aan B BV gezonden. De eerste regel van deze conceptakte luidt: "Heden, de twintigste december van het jaar negentienhonderd zes en negentig, verscheen voor mij, (...)". In die conceptakte ontbreken de koopprijs en werd van voldoening van de koopsom uitgegaan. 2.9. Op 16 december 1996 heeft notaris O een aangepaste conceptakte van de aandelenoverdracht aan de Heer N toegestuurd. Daarin was de koopprijs bepaald op fl. 4.000.000,-- en werd tevens in schuldigerkenning van de koopprijs en verpanding van alle aandelen A BV voorzien. In verband daarmee stuurde de notaris tevens een concept van de akte houdende de verpanding van alle aandelen in A BV aan de Heer N toe. 2.10. Op 19 december 1996 heeft notaris O een ontwerptekst van notulen van een gecombineerde vergadering van directie, aandeelhouders en certificaathouders per fax gezonden naar het bedrijfsadres van belanghebbende. Dat ontwerp is op 20 december 1996 door belanghebbende met zijn drie zonen besproken waarna het door de aanwezigen is ondertekend. 2.11. Bij notariële akte van 20 december 1996 is artikel 4, lid 9 van de statuten van de Stichting onder verwijzing naar voormelde vergadering gewijzigd in die zin, dat belanghebbende ook na verkoop van zijn aandelen A BV - tot hij twee en zeventig wordt - enig bestuurder van de Stichting blijft. 2.12. Bij notariële akte van 20 december 1996 heeft belanghebbende vervolgens zijn 90 preferente aandelen A in A BV geleverd aan B BV. De koopprijs van de aandelen, groot fl. 4.000.000,-, is door B BV schuldig gebleven. Alle A en B aandelen uitgegeven door A BV zijn op 20 december 1996 door B BV verpand aan belanghebbende in verband met de schuldig gebleven koopprijs. 2.13. Bij deze levering en deze verpanding is belanghebbende opgetreden als enig directeur van B BV. 2.14. Belanghebbende heeft aangifte gedaan over het jaar 1996 naar een inkomen van fl. 86.917,=. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur een correctie aangebracht van fl. 3.955.000,= ter zake van winst uit aanmerkelijk belang. De winst uit aanmerkelijk belang is belast tegen een tarief van 20%. 3. Geschil en standpunten van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen: - Op welk moment hield belanghebbende op inwoner van Nederland te zijn in de zin van artikel 4 van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brus - (De heer N) De prijsberekening van de aandelen A is vóór 16 december 1996 gemaakt door een register-accountant, die bij mij in dienst was. Ik bevestig dat het een zeer eenvoudige berekening was. De koop betrof alleen de preferente aandelen A. En A BV was een passieve vennootschap. Tijdens de zitting heeft de Inspecteur nog het volgende toegevoegd: - Ik verklaar, dat belanghebbende in een gesprek, waarvan geen gespreksverslag is opgemaakt, heeft verklaard, dat de overdracht al in kannen en kruiken was op 3 december 1996. - Een notaris zal altijd kijken naar de titel van de overeenkomst op het moment van levering. De zinsnede in de akte "risico per heden overgaat" heeft geen invloed. Volgens mij heeft de risico-overgang plaatsgevonden op of voor 3 december 1996. 3.4. De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vernietiging van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4. Beoordeling van het geschil 4.1.1. Tussen partijen is niet in geschil, dat het tijdstip waarop belanghebbende ophield in Nederland te wonen in de zin van artikel 4 van het Verdrag, niet lag voor 13 december 1991. 4.1.2.1. De Inspecteur heeft ter zitting desgevraagd zijn in het verweerschrift ingenomen standpunt gehandhaafd, dat de vervreemding reeds vóór 3 december 1996 heeft plaatsgevonden en desgevraagd bevestigd, dat reeds om die reden de aanslag in stand moet worden gelaten. Ter zitting heeft het Hof belanghebbende geconfronteerd met het feit, dat het Hof die stelling eerst zou onderzoeken. 4.1.2.2. Daarbij heeft het Hof verwezen naar HR 14 december 2001, nr. 36 365, BNB 2002/208 en vooral naar Hof Den Bosch 18 december 2002, nr. 00/02761 en 00/02964. Daarin is, zakelijk weergegeven, beslist dat redelijke wetstoepassing, althans bij aanwezigheid van een samenstel van rechtshandelingen doorslaggevend gericht op belastingbesparing, meebrengt, dat geen zelfstandige betekenis wordt toegekend aan rechtshandelingen die na het tot verrichten van dat samenstel genomen besluit zijn uitgevoerd om dat besluit te effectueren. 4.1.2.3. Belanghebbende heeft te kennen gegeven de in 4.1.2.2. bedoelde uitspraak te kennen en in dat verband in zijn beroepschrift te hebben gesteld, dat het samenstel hier niet gericht was op belastingbesparing maar uitsluitend op de bedrijfsopvolging. En verder heeft belanghebbende te kennen gegeven in zijn pleitnota dat het besluit tot wijziging van artikel 4, lid 9, van de statuten der Stichting wel zelfstandige betekenis had, omdat belanghebbende niet zonder dat besluit zijn aandelen A wilde vervreemden. Te dien aanzien overweegt het Hof het volgende. 4.2.1. Belanghebbende is in 1991 naar België verhuisd en heeft in 1996 zijn belastingadviseur opdracht gegeven met de notaris te regelen, dat hij al zijn aandelen waarop een aanmerkelijk belang claim van de Nederlandse fiscus rustte kon vervreemden buiten de vijf jaarstermijn van artikel 13 van het Verdrag. Daarbij heeft hij de koopprijs aan de koper geleend en een pandrecht bedongen tot zekerheid van de aflossing van het bedrag van de koopprijs. Hij heeft zijn positie als bestuurder van de Stichting zeker gesteld door een wijziging van de statuten van de Stichting. Een en ander vormde naar het oordeel van het Hof een samenstel van rechtshandelingen (hierna: dat samenstel). 4.2.2. Het Hof ziet vervolgens niet welk ander oogmerk belanghebbende met het verrichten van de tot dat samenstel behorende rechtshandelingen kan hebben gehad dan het ontwijken van de heffing van inkomstenbelasting door Nederland over de daarbij optredende winst uit aanmerkelijk belang. De bedrijfsopvolging kan daarvoor het motief niet zijn geweest. Die was financieel in 1991 al geregeld met de uitreiking van B aandelen aan B BV. En qua zeggenschap is die ook in 1996 niet van de grond gekomen. Het Hof is daarom van oordeel, dat belanghebbende zijn stelling, dat de bedrijfsopvolging het oogmerk voor dat samenstel vormde Belanghebbende heeft ter zitting gesteld en het Hof acht ook aannemelijk dat de notaris pas na 3 december 1996 het probleem ontdekte dat belanghebbende bij verkoop van alle aandelen zijn positie als enig bestuurder van de Stichting zou verliezen. Het is naar het oordeel van het Hof ook aannemelijk dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, het voorstel voor een nieuwe tekst van artikel 9, lid 4, van de statuten van de Stichting pas na 3 december is gemaakt en niet eerder dan op 20 december 1996 onder ogen van de drie zonen werd gebracht. 4.4.2.2. Het Hof kent daaraan echter om de volgende reden niet de in onderdeel 4.1.2.2.en 4.3.3. bedoelde zelfstandige betekenis toe: - Belanghebbende kon eenvoudig door één aandeel A BV achter te houden alle macht in de Stichting behouden. De wijziging van art 4, lid 9, van de statuten van de Stichting was slechts nodig om te voorkomen, dat belanghebbende een van de negentig aandelen A in A BV moest behouden. De drie zonen waren dus niet in staat om belanghebbende wezenlijk tegen te werken, als zij dat al gewild hadden. En ze hadden er om die reden geen redelijk belang bij. Het zou de verhoudingen alleen maar verstoren. - De overdracht van de aandelen van belanghebbende was het sluitstuk van een in 1991 ingezette en in 1996 afgeronde reeks van samenhangende rechtshandelingen gericht op belastingbesparing en daarmee op een toename van het familievermogen. Dat te dwarsbomen was niet in het belang van de drie zonen. - De zonen waren alle drie onvoldoende capabel om het bedrijf te leiden. Er was dus geen duidelijke opvolger. De drie zonen hoefden in de door belanghebbende gekozen opzet niet voor een van hen of voor een (of meer) derde(n) te kiezen. Ze hoefden alleen maar te tekenen. - Op grond van de gewijzigde stichtingsstatuten (zie 2.11) werden de drie zonen voor een lange termijn van de macht in de Stichting uitgesloten. Toch hebben zij op 20 december 1996 hetgeen hen werd voorgelegd getekend. De handtekeningen van de drie zonen waren daarom, naar het oordeel van het Hof, op 20 december 1996 slechts een niet wezenlijke formaliteit. Anders dan belanghebbende stelt, hing noch de koop noch de levering van de aandelen van belanghebbende daar naar het oordeel van het Hof in werkelijkheid vanaf. Het Hof acht daarom aannemelijk, dat een en ander, zoals de Inspecteur heeft gesteld, al op of voor 3 december 1996 helemaal 'rond' was, met dien verstande dat de kwestie van de bestuursbenoeming bij de Stichting nadien een formaliteit in de sfeer van de uitvoering was, die in harmonie door belanghebbende en diens drie zonen aan de hand van het voorstel van de notaris is afgewikkeld, omdat geen van hen er enig redelijk belang bij had daarbij dwars te liggen. 4.4.2.3. Zowel het in 4.4.2.1. als het in 4.4.2.2. overwogene wordt naar het oordeel van het hof bevestigd door de, naar het oordeel van het Hof, geloofwaardige verklaring van de Inspecteur, dat belanghebbende tijdens een gesprek met de Inspecteur heeft verklaard, dat de overdracht al rond was op 3 december 1996. Bevestiging voor een en ander vindt het Hof ook in het concept van de akte van levering van 3 december 1996. In de kop staat dat 20 december 1996 de datum van levering is. Naar het oordeel van het Hof is niet relevant het feit, dat in de conceptakte van 3 december 1996 de koopprijs en de verpanding niet zijn opgenomen. Dat zijn naar het oordeel van het Hof geen essentialia van de overeenkomst van koop en verkoop. Het Hof gaat verder voorbij zowel aan het feit, dat als titel voor de levering in de akte van 20 december 1996 een tussen partijen gesloten overeenkomst van koop en verkoop is genoemd, als aan het feit, dat in die akte van 20 december 1996 staat, dat het risico 'per heden' is overgegaan. Beide bepalingen stonden immers ook al in de conceptakte van 3 december 1996. De notaris was naar de heer N ter zitting heeft verklaard een eenvoudige dorpsnotaris, die werkte met standaardteksten. Dat laatste is ter zitting door geen der partijen weersp