Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2002-12-27
ECLI:NL:GHSHE:2002:AF5378
ECLI:NL:GHSHE:2002:AF5378 text/xml public 2025-03-22T00:51:21 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AF5378 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2002-12-27 98/04543 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Belastingblad 2004/154 NTFR 2003/505 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2002:AF5378 text/html public 2013-04-04T18:30:14 2003-03-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2002:AF5378 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 27-12-2002 / 98/04543 - BELASTINGKAMER Nr. 98/04543 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd sector Middelen van de gemeente P (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) aan de belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van het object plaatselijk bekend Astraat 1 te Y (hierna: de onroerende zaken) per de peildatum 1 januari 1995 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000. 1. Ontstaan en loop van het geding De ambtenaar heeft op 14 april 1997 een WOZ-beschikking voor de onroerende zaak gezonden aan de belanghebbende. De belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar aangetekend. De ambtenaar heeft bij de bestreden uitspraak het beroep ongegrond verklaard doch ambtshalve de bij de beschikking vastgestelde waarde verminderd met 25% naar fl. 204.000,=. De belanghebbende is tijdig en regelmatig tegen de bestreden uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=. De ambtenaar heeft een vertoogschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 29 juni 2001 te Bergen op Zoom. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn echtgenote en de gemachtigde van de belanghebbende, alsmede de ambtenaar. De belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de ambtenaar een brief van 8 maart 1999 overgelegd. Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot de belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, lid 1, aanhef en onderdeel 2(, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkomstige toepassing heeft gevonden. Partijen hebben het Hof schriftelijk laten weten het niet wenselijk te achten hun standpunten nogmaals mondeling toe te lichten. 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast: 2.1. De onroerende zaak betreft een woning gebouwd in 1956, kadastraal bekend gemeente P, sectie A nummer 1, groot 2910 m2. Het perceel ligt ten noorden en in de onmiddellijke nabijheid van van de vuilstortplaats "Q". Hier is vanaf 1950 tot en met 1982 afval gestort. 2.2. Bij voormelde beschikking heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op fl. 272.000,= en op 30 juli 1998 ambtshalve verminderd tot fl. 204.000,=. De vermindering betreft een vermindering van 25% wegens overlast, rompslomp en onzekerheid. 2.3. De Milieudienst B beveelt in een rapport van het "verkennend onderzoek voormalige stortplaats Q, gemeente P" uit mei 1994 aan om het bodemslib in de sloten rondom de stortplaats te bemonsteren en het grondwater benedenstrooms te blijven monitoren. 2.4. Blijkens een brief van 7 februari 1996 van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft de Stuurgroep Inventarisatie voormalige stortplaat Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de brieven die na de mondelinge behandeling zijn binnengekomen, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. 3.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de belanghebbende het volgende toegevoegd: - Er is geen plan van aanpak met betrekking tot de onderhavige situatie opgesteld door de gemeente. 3.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de ambtenaar het volgende toegevoegd: - Ik persisteer bij het vertoogschrift. Het is niet duidelijk of er sanering moet plaatsvinden. De onderhavige situatie heeft geen grote urgentie bij het Stadsgewest B. - Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het toekennen van de urgentiescore 2 aan de stortplaats. 4. Conclusies van partijen. De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de bij de beschikking vastgestelde waarde tot fl. 42.500,=. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. De ambtenaar, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, beroept zich op een taxatierapport en ter ondersteuning daarvan op de opbrengst behaald bij verkoop van een aantal met de onroerende zaak vergelijkbare objecten. Het Hof heeft onvoldoende reden aan de betrouwbaarheid van dit taxatierapport te twijfelen. 5.2. Naar het oordeel van het Hof is niet komen vast te staan dat er sprake is van een zodanige milieuverontreiniging met betrekking tot het perceel van de belanghebbende die gevaren voor de volksgezondheid en grote gebruiksbeperkingen met zich meebrengt. Tevens is niet gebleken dat sanering van de stortplaats en/of het perceel van de belanghebbende noodzakelijk is. Hierbij overweegt het Hof dat verschillende rapporten die zijn vermeld onder de feiten elkaar tegenspreken en dat niet duidelijk is of de onderzoeken op een verantwoorde manier zijn opgezet en uitgevoerd. Bovendien is geen plan van aanpak opgesteld. De belanghebbende stelt in zijn pleitnota dat het rapport van I niet te summier is, maar maakt dit tegenover de gemotiveerde betwisting door de ambtenaar, die zich beroept op het oordeel van J Adviesbureau B.V., niet aannemelijk. 5.3. De omstandigheid dat de door de ambtenaar ter vergelijking aangevoerde objecten andere objectkenmerken hebben - bij deze panden is geen sprake van een mogelijke bodemverontreiniging - brengt nog niet met zich dat deze objecten niet als vergelijkbaar met de onroerende zaak kunnen worden bestempeld. Wel is van belang dat bij de vergelijking met zodanige verschillen rekening wordt gehouden. De ambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat zulks is geschied. 5.4. Nu niet is komen vast te staan dat er saneringskosten hoeven te worden gemaakt door de belanghebbende, de ambtenaar of een derde partij, laat staan hoeveel deze zouden bedragen, behoeft bij de waardebepaling van de onroerende zaak geen rekening te worden gehouden met de door de belanghebbende geschatte saneringskosten. Ten overvloede overweegt het Hof dat gelet op het bepaalde in de Wet bodembescherming het niet voor de hand ligt dat een sanering op kosten van de belanghebbende zou moeten plaatsvinden indien mocht blijken van een ernstige sanering. 5.5. Hoewel niet is komen vast te staan dat sprake is van ernstige milieuverontreiniging, is naar het oordeel van het Hof wel sprake van enige onzekerheid omtrent wellicht in de toekomst te blijken milieuverontreiniging, het negatieve imago en de lichte gebruiksbeperkingen. In dat kader heeft de ambtenaar een vermindering van 25% toegepast op de waarde die aan de onroerende zaak kan worden toegekend in een situatie waarin geen aanleiding is te veronderstellen dat in de toekomst milieuverontreiniging kan blijken. De belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vermindering te laag is. 5.6. De belanghebbende stelt dat de onroerende zaak bij verk