Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1999-11-15
ECLI:NL:GHSHE:1999:AB0580
BELASTINGKAMER Nr. 96/02645 HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Registratie en successie te Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur), betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting, jaar 1996, aanslagnummer. 1. Ontstaan en loop van het geding De vorenvermelde naheffingsaanslag is opgelegd is opgelegd tot een bedrag van fl. 18.894,=, zonder verhoging. De tot de gedingstukken behorende kopie van de naheffingsaanslag vermeldt geen dagtekening. Blijkens het vertoogschrift van de Inspecteur en het in kopie tot de gedingstukken behorende bezwaarschrift tegen de aanslag van belanghebbende is de dagtekening van de aanslag 7 oktober 1996. Nu het Hof niet is gebleken dat partijen hierbij van een onjuist juridisch standpunt zijn uitgegaan, volgt het Hof partijen hierin. Met dagtekening 8 oktober 1996, bij het Hof ingekomen op 10 oktober 1996 heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend tegen de “uitspraak op het bezwaarschrift de dato 7 oktober 1996 door de inspecteur der Belastingdienst/Registratie en Successie te Y inzake de definitieve aanslag overdrachtsbelasting 1996, nummer OV”. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=. Met dagtekening 8 november 1996, ingekomen bij de Inspecteur op 11 november 1996, heeft belanghebbende bij de Inspecteur een bezwaarschrift ingediend tegen vorenvermelde aanslag. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift afgewezen bij een ongedagtekende, althans in de tot de gedingstukken behorende kopieën ongedagtekende, uitspraak. Op 18 februari 1997 heeft belanghebbende bij het Hof een aanvullend beroepschrift ingediend. De Inspecteur heeft het beroepschrift bij vertoogschrift bestreden. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 29 april 1999 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. 2. Vaststaande feiten Blijkens de gedingstukken en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen hen het volgende vast. 2.1. Bij notariële akte van 2 juni 1995 (hierna: de akte) hebben de heer A, geboren in 1936, en zijn echtgenote mevrouw B, geboren in 1937, (hierna zowel tezamen als ieder van hen afzonderlijk aangeduid als: verkoper), onder voorbehoud van het huurrecht ten behoeve van de verkoper, in economische eigendom overgedragen aan hun zoon, belanghebbende, het woonhuis met tuin, schuur en verdere toebehoren, staande en gelegen te C, plaatselijk bekend D(..), C, kadastraal bekend gemeente C, sectie A nummer 3450, groot twaalf aren en vijfenzestig centiaren (hierna: het woonhuis). De koopsom bedroeg fl. 237.000,=, zijnde de waarde in verhuurde staat. 2.2. Over de bezitsverschaffing en het risico van het woonhuis is in de akte het volgende vermeld: “Het verkochte behoort met ingang van het tijdstip van ondertekening van deze akte in economische zin aan koper als bezitter toe, zodat vanaf dat moment bij hem het gehele belang bij het verkochte berust, de baten de koper ten goede komen en de lasten voor zijn rekening zijn en hij het volledige risico van het verkochte draagt. Vanaf gemeld tijdstip komen met name ook voordelen of nadelen, voortvloeiende uit vervreemding van het verkocht aan derden, te zijnen bate en te zijnen last. Koper is in verband met het bovenstaand verplicht om voor en namens verkoper de in artikel 174 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal te verzekeren en verzekerd te houden (…). Koper vrijwaart verkoper voor alle aanspraken van derden voortvloeiende uit de gerecht Ingevolge artikel 22a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 1996; hierna: AWR) vangt, in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht, de termijn voor het instellen van beroep - voor zover te dezen van belang - aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. In dit laatste geval moet het ervoor gehouden worden dat de beroepstermijn op de voet van artikel 6:8 juncto 3:41 AWB aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:10 van de Algemene wet bestuurs-recht (hierna: AWB) is een voor het begin van de termijn ingediend beroepschrift niet ontvankelijk, tenzij de bestreden uitspraak ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen, of nog niet reeds tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. 4.2. Nu, gelijk hiervóór onder 1 is vermeld, de datum waarop de naheffingsaanslag is opgelegd, moet worden gesteld op 7 oktober 1996, en belanghebbende tegen deze aanslag op 8 november 1996, ingekomen op 11 november 1996, een bezwaarschrift tegen deze aanslag bij de Inspecteur heeft ingediend, is het reeds op 10 oktober 1996 ingekomen beroepschrift van belanghebbende naar het oordeel van het Hof op de voet van artikel 6:10 AWB, niet ontvankelijk, nu op die datum de uitspraak van de Inspecteur nog niet tot stand gekomen kon zijn en belanghebbende ook redelijkerwijs niet kon menen dat dit het geval was, hetgeen reeds moge volgen uit de omstandigheid dat belangheb-bende op 8 november 1996 een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag indiende. 4.3. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbendes brief van 8 oktober 1996, gelet op haar bewoordingen en strekking, niet worden aangemerkt als een, zij het onjuist geadresseerd, bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag, zodat dit geschrift niet ingevolge artikel 6:15 AWB, nadat de datum van ontvangst daarop was aangetekend, zo spoedig mogelijk had moeten worden doorgezonden aan de Inspecteur. 4.4. De omstandigheid dat belanghebbendes beroepschrift, gelijk hiervóór onder 2.2. is vermeld, voortijdig en mitsdien niet-ontvankelijk is, belet belanghebbende niet binnen de door de wet gestelde termijn nogmaals een beroepschrift in te dienen. 4.5. Noch de als bijlage 5 bij het beroepschrift, noch de als bijlage 4 bij het vertoogschrift in kopie tot de gedingstukken behorende uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift is voorzien van een dagtekening. Wèl is in een als bijlage bij het beroepschrift behorende toelichting op de vorenvermelde uitspraak onder meer het volgende vermeld: “De belanghebbende, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van de inspecteur, kan binnen zes weken, nadat dit afschrift is bezorgd of tegen ontvangstbewijs is uitgereikt in beroep komen bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (..).” 4.6. Nu een dagtekening op het afschrift van de uitspraak van de Inspecteur ontbreekt, kan op de voet van artikel 22a AWR de beroepstermijn niet aanvangen op de dag na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak. Evenmin staat vast wanneer de uitspraak van de Inspecteur aan belanghebbende is bekendgemaakt door de bezorging daarvan of de uitreiking tegen ontvangstbewijs. Op de Inspecteur rust de bewijslast de onder 4.1 hiervóór bedoelde aanvangsdatum van de beroepstermijn op zijn minst aannemelijk te maken. Hieraan doet niet af de op het exemplaar van de uitspraak van de Inspecteur, dat in kopie door belanghebbende als bijlage bij het beroepschrift is overgelegd, de met de pen geschreven woorden: “In beroep gaan vóór 01.01.97”. Noch met zijn verklaringen ter zitting, noch met de van hem afkomstige stukken heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt wanneer het afschrift van zijn uitspraak is bezorgd dan wel tegen ontvangstbewijs is uitgereikt. Een en ander brengt met zich dat niet vaststaat wanneer de beroepstermijn ingevolge artikel 22a Aan de artikelen 217 en 221 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ontleent het Hof het oordeel dat onder een schriftelijke overeenkomst mede moet worden verstaan een schriftelijk aanbod, binnen redelijke tijd gevolgd door schriftelijke aanvaarding. De schriftelijke overeenkomst komt dan tot stand op het moment van de schriftelijke aanvaarding. 4.13. Belanghebbende is naar het oordeel van het Hof evenwel niet geslaagd in het op hem rustende bewijs dat de bij akte van 2 juni 1995 aan belanghebbende overgedragen economische eigendom van de woning het gevolg was van een op 31 maart 1995, 18.00 uur bestaande schriftelijke overeenkomst in de hiervóór bedoelde zin. In de eerste plaats ontbreekt een door koper én verkoper (uiterlijk) op 31 maart 1995, 18.00 uur ondertekend stuk. Ook de onder 2.3 aangehaalde brief van de notaris van 24 maart 1995 kan niet als een zodanige overeenkomst worden aangemerkt, nu deze brief naar inhoud en strekking slechts een advies van de notaris met betrekking tot de overdracht van het woonhuis behelst en daarin geen aanbod van de verkoper, noch een aanvaarding van de koper kan worden gelezen. Mitsdien moet worden geoordeeld dat artikel 2, tweede lid, van de Wet niet op grond van artikel V, vierde lid van de Wijzigingswet, buiten toepassing kan blijven. 4.14. Voor zover belanghebbende in zijn pleitnota -de in deze zaak voorgedragen en overgelegde pleitnota is gelijkluidend aan de pleitnota’s welke belanghebbende ter zitting van het Hof van 29 april 1999 heeft voorgedragen en overgelegd in de zaken met de nummers 96/02638, 96/02639, 96/02642 en 96/02644, welke zaken eveneens de toepassing van artikel 2, tweede lid van de Wet betroffen, doch waarin, blijkens de in die zaken ingediende beroep- en vertoogschriften, mede andere punten in geschil waren-, bedoelt zich ook in deze zaak erop te beroepen dat de overdracht van de economische eigendom van het woonhuis geen overdracht is in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wet, faalt dat beroep. Naar het oordeel van het Hof rechtvaardigt de inhoud van de akte, en met name de onder 2.1 en 2.2 hiervóór aangehaalde passages, niet de conclusie dat vorenvermelde overdracht niet een econo-mische overdracht in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wet is. De onderhavige overdracht vormt naar het oordeel van het Hof derhalve een verkrijging in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wet. 4.15. Gelet op het hiervóór onder 4.13 en 4.14 overwogene moet vraag III worden beantwoord in de door de Inspecteur voorgestane zin. IV. Grondslag voor de heffing van overdrachtsbelasting 4.16. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld, dan wel anderszins aannemelijk gemaakt, dat de waarde in verhuurde staat van het woonhuis in casu moet worden gesteld op 60% van de vrije waarde van de woning. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, gelet op de leeftijd van de huurders, de familierelatie tussen de verhuurder en huurders, de overeengekomen huurprijs en de inhoud van het huurcontract in redelijkheid kunnen komen tot een van het huurrecht uitgaande waardedrukkende factor van 20%. Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur terecht de waarde in het economisch verkeer van het door belanghebbende verkregen woonhuis gesteld op fl. 315.000,=. Mitsdien moet ook de hiervoor weergegeven vraag IV worden beantwoord in de door de Inspecteur voorgestane zin. 5. Proceskosten en griffierecht Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het beroep ongegrond bevindende, acht het Hof geen termen aanwezig om de Inspecteur op de voet van artikel 5, zevende lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken te gelasten belanghebbende het door hem gestorte griffierecht geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Gelet op a