Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1996-12-04
ECLI:NL:GHSHE:1996:AA4344
BELASTINGKAMER Nr. 94/1045 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Ontstaan en loop van het geding. De vorenvermelde aanslag is met dagtekening 31 juli 1993 opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 52.293,= met een belastingvrije som van fl. 5.225,=. Na daartegen door belanghebbende tijdig gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de thans bestreden uitspraak het belastbaar inkomen nader vastgesteld op fl. 53.243,= met een belastingvrije som van fl. 10.881,=. Belanghebbende is van deze uitspraak tijdig en regelmatig in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 november 1995 te P. Daar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is te dezer zitting met schriftelijk bericht van verhindering niet verschenen. Na deze mondelinge behandeling heeft tussen het Hof en partijen op de voet van het bepaalde in de artikelen 14, eerste lid, aanhef en onder 2E, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken een briefwisseling plaatsgevonden. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 juni 1996, eveneens te P. Aldaar zijn toen beide partijen met telefonisch bericht van verhindering niet verschenen. Het Hof heeft in deze zaak op 8 juli 1996 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het procesverbaal van die uitspraak zijn op 16 juli 1996 aan partijen verzonden. De Inspecteur heeft tijdig en op regelmatige wijze verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het hiervoor verschuldigde recht is door de Inspecteur op 14 augustus 1996 betaald. 2. Feiten. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter eerste zitting de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende, geboren in 1950, is gehuwd geweest met A. Uit dit huwelijk is, in 1986, één kind geboren, B. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van januari 1988 is tussen belanghebbende en A de echtscheiding uitgesproken. Bij dit vonnis is onder meer bepaald dat de ouderlijke macht van belanghebbende en A over B in stand zal blijven. 2.2. Niet is in geschil dat gedurende het onderhavige jaar (1992) ten aanzien van B sprake was van een situatie van zogeheten co-ouderschap tussen belanghebbende en A en dat B in verband daarmede gedurende dit jaar zowel tot het huishouden van belanghebbende als tot het huishouden van A behoorde. 2.3. De kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (zoals deze met ingang van 1 januari 1992 luidt; hierna: de A.K.W.) voor B over alle in het jaar 1992 gelegen kwartalen is uitsluitend uitbetaald aan A. 2.4. Niet is in geschil dat belanghebbende B gedurende het gehele onderhavige jaar in belangrijke mate heeft onderhouden. 2.5. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen over het jaar 1992 heeft belanghebbende ter zake van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van B een bedrag van in totaal fl. 2.100,= als buitengewone lasten in mindering op zijn onzuiver inkomen gebracht en heeft hij verzocht om indeling in tariefgroep 5. Evenvermeld bedrag van fl. 2.100,= is te specificeren als volgt: eerste kwartaal fl. 475,= tweede kwartaal fl. 475,= derde kwartaal fl. 475,= vierde kwartaal (op 2 september 1992 is B zes jaar oud geworden) fl. 675,= totaal 1.475,= dient te worden verhoogd tot fl. 2.951,=. 3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 52.293,= met een belastingvrije som van fl. 12.356,=. De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, na wijziging van zijn standpunt met betrekking tot de hoogte van de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 52.293,= (aangegeven belastbaar inkomen) plus fl. 2.100,= (geen aftrek wegens buitengewone lasten) is fl. 54.393,= met een belastingvrije som van fl. 12.356,=. 4. Beoordeling van het geschil. 4.1. De Inspecteur heeft op de eerste zitting erkend dat de bij de bestreden uitspraak toegepaste berekening van de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek over slechts de helft van het bedrag dat ter zake van het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden in belanghebbendes onzuiver inkomen is begrepen, geen steun vindt in het recht en dat de bij deze uitspraak aan belanghebbende verleende alleenstaande-ouderaftrek ad fl. 1.476,= derhalve met fl. 1.475,= dient te worden verhoogd tot fl. 2.951,=. Belanghebbendes bij deze uitspraak in aanmerking genomen belastingvrije som ad in totaal fl. 10.881,= dient mitsdien met eveneens fl. 1.475,= te worden verhoogd tot fl. 12.356,=. 4.2. Anders dan de Inspecteur op pagina 2 van zijn reactie van 25 januari 1996 lijkt te stellen, bevat met ingang van 1 januari 1992 niet alleen het Samenloopbesluit kinderbijslag, maar ook artikel 18, tweede tot en met vijfde lid, van de A.K.W. regelen ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag ingevolge die wet als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling. Zulks volgt niet alleen uit de inhoud van deze leden, maar ook uit het bepaalde in het zesde lid van dit artikel en het vermelde in het algemeen gedeelte van de Nota van Toelichting bij het Samenloopbesluit kinderbijslag. 4.3. B is jonger dan 16 jaar en behoort zowel tot het huishouden van belanghebbende als tot het huishouden van belanghebbendes ex-echtgenote. Ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de A.K.W. heeft derhalve zowel belanghebbende als diens ex-echtgenote recht op kinderbijslag voor B. Nu belanghebbende en zijn ex-echtgenote niet gezamenlijk een huishouden vormen en het kind tot zowel het huishouden van belanghebbende als het huishouden van diens ex-echtgenote behoort, doen de in artikel 18, tweede en vierde lid, van de A.K.W. bedoelde situaties van samen-loop zich te dezen niet voor. Ingevolge het bepaalde in het vijfde lid van dit artikel wordt alsdan de kinderbijslag betaald waarop degene recht heeft die de hoogste bijdrage in het onderhoud van het kind levert en wordt aan de andere personen geen kinderbijslag uitbetaald. 4.4. Nu, naar de Inspecteur terecht in zijn reactie van 25 januari 1996 heeft gesteld, het Samenloopbesluit kinderbijslag niet in de onderhavige situatie voorziet - artikel 5a van dit besluit is daarin eerst bij Koninklijk Besluit van 21 september 1995, Stb. 451, met ingang van 1 oktober 1995 ingevoegd, zodat de vraag welke gevolgen dit artikel voor situaties als de onderhavige heeft in dit geding in het midden kan blijven -, moet er voor dit geding van worden uitgegaan dat de omstandigheid dat de kinderbijslag ingevolge de A.K.W. voor B over de in het onderhavige jaar gelegen kwartalen uitsluitend aan belanghebbendes ex-echtgenote en niet aan belanghebbende is uitbetaald, op het bepaalde in artikel 18, vijfde lid, van de A.K.W. berust. Feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat dit laatste anders is, zijn gesteld noch gebleken. De enkele vermelding in het bezwaarschrift dat belanghebbende en zijn ex-echtgenote in dezelfde mate, ieder voor de helft, bijdragen in de kosten van levensonderhoud van B, is daartoe onvoldoende, nu hoogst