Rechtspraak
Gerechtshof 's-Gravenhage
2012-03-06
ECLI:NL:GHSGR:2012:BW0419
Civiel recht
Hoger beroep
817 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.099.106/01
Rolnummer rechtbank : 1104459 CVEXPL 10-205550
arrest van 6 maart 2012
inzake
[...] Advocaten B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
advocaat: mr. R. Moghni te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. Marges te Rotterdam.
Procesverloop
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam sector kanton van 26 augustus 2011.
Appellante heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.
Appellante heeft de zaak aangebracht op de rol van 20 december 2012. Voor appellante heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen.
De zaak is op 20 december 2011 aangehouden tot de rol van 17 januari 2012 voor afwachten betaling griffierecht partijen.
Appellante heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald.
Op de rol van 24 januari 2012 is de zaak twee weken aangehouden voor akte uitlating artikel 127a Rv aan de zijde van appellant en geïntimeerde uitlaten eventueel incidenteel appel. Het hof heeft van geen van beide partijen een akte ontvangen.
In verband met het achterwege blijven van betaling van het griffierecht heeft het hof op 7 februari 2012 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.
Motivering
De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 20 december 2011. Volgens art. 3 lid 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellante ervoor zorgen dat binnen vier weken na 20 december 2011, dus uiterlijk 17 januari 2012, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Uit de controle van de administratie is niet gebleken dat het griffierecht was bijgeschreven. De zaak is op de rol geplaatst voor akte uitlating partijen op
7 februari 2012.
Partijen hebben geen akte genomen.
Er is niet gebleken van omstandigheden als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv., dat de toepassing van art. 127a lid 2 Rv., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Nu appellante niet tot betaling van het griffierecht is overgegaan, zal geïntimeerde
overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van deze instantie worden ontslagen en zal appellante worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
- ontslaat geïntimeerde van deze instantie;
- veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op € 284,-- voor verschotten en op € 447,-- voor salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Davids, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2012.