Rechtspraak Gerechtshof 's-Gravenhage 2007-02-07
ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6072
Strafrecht
Rolnummer: 22-005796-06 Parketnummer(s): 09-046696-04, 09-624903-05, 09-046697-04, 09-046691-04, 09-046692-04, 09-865169-05, 09-046690-04, 09-865137-05, 09-865140-05, 09-046694-04, 09-865194-05, 09-865147-05, 09-865282-05, 09-865398-05 en 09-865283-05 Datum uitspraak: 7 februari 2007 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 april 2006 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1968, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 januari 2007. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 2, 8 en 13 tenlastegelegde vrijgesproken en is hij veroordeeld: ter zake van het onder 3 tenlastegelegde tot een geldboete van € 1.200,- subsidiair 24 dagen hechtenis; ter zake van het onder 4, 11 en 16 tenlastegelegde tot drie geldboetes van elk € 150,- subsidiair telkens 3 dagen hechtenis; ter zake van het onder 5 en 7 tenlastegelegde tot twee geldboetes van elk € 250,- subsidiair telkens 5 dagen hechtenis; ter zake van het onder 6 tenlastegelegde tot een geldboete van € 700,- subsidiair 14 dagen hechtenis; ter zake van het onder 9 en 19 tenlastegelegde tot twee geldboetes van elk € 300,- subsidiair telkens 6 dagen hechtenis; ter zake van het onder 10, 12, 14, 15, 17 en 18 tenlastegelegde tot zes geldboetes van elk € 1.500,- subsidiair telkens 30 dagen hechtenis. De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat nu per 30 juni 2004 het Besluit bestuurlijke boete in werking is getreden, primair het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor de feiten die zijn begaan na 30 juni 2004, aangezien die feiten door deze wetswijziging niet langer strafrechtelijk kunnen worden afgedaan. Het hof verwerpt dit verweer en verwijst voor de motivering daarvan naar hetgeen hierna omtrent de strafbaarheid van het bewezenverklaarde wordt overwogen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is, nu de betreffende rittenstaat zich niet (in kopie) in het dossier bevindt en het hof derhalve de verweten onjuiste invulling van die staat niet kan controleren, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 17 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 18 en 19 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: (zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt) Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat, nu per 30 juni 2004 het Besluit bestuurlijke boete in werking is getreden, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor de feiten, gepleegd na 30 juni 2004. Aannemende dat de raadsman van de verdachte hier de op 1 oktober 2004 in werking getreden Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet bedoeld heeft, overweegt het hof hieromtrent als volgt. De artikelen 10:1 en 11:3 van de Arbeidstijdenwet zijn op 1 oktober 2004 ingevolge de Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet gedeeltelijk in werking getreden respectievelijk gewijzigd. Eerst op 1 juni 2005 zijn deze artikelen ook in werking getreden voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet onderscheiden categorieën van arbeid betreft, alsmede arbeid in bedrijven of instellingen die rechtstreeks betrekking heeft op arbeid, verricht in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid onder a, van de Arbeidstijdenwet. Nu in casu alle overtredingen van artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet zijn begaan voor 1 juni 2005, waren dit strafbare feiten. Het verweer van de raadsman van de verdachte faalt derhalve. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van het onder 3, 10, 11, 12, 14, 15 en 18 bewezenverklaarde: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 86 van de Wet personenvervoer 2000, zevenmaal gepleegd. ten aanzien van het 4, 5, 6, 7, 9, 16 en 19 bewezen-verklaarde: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 11:3, derde lid, van de Arbeidstijdenwet, zevenmaal gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 17 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 18 en 19 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het onder 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 18 en 19 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde. Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 3, 12, 14, 15 en 18 tenlastegelegde tot het betalen van vijf geldboetes van elk € 50,- (vijftig euro), bij gebreke aan betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 (één) dag. Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 4 en 16 tenlastegelegde tot het betalen van twee geldboetes van elk € 150,- (honderdvijftig euro), bij gebreke aan betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 (drie) dagen. Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 5 en 7 tenlastegelegde tot het betalen van twee geldboetes van elk € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke aan betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de tijd van 5 (vijf) dagen. Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 6 tenlastegelegde tot het betalen van een geldboete van € 700,- (zevenhonderd euro), bij gebreke aan betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 14 (veertien) dagen. Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 9 tenlastegelegde tot het betalen van een geldboete van € 300,- (driehonderd euro), bij gebreke aan betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 (zes) dagen. Beveelt, dat een op € 200,- (tweehonderd euro) bepaald gedeelte van die geldboete, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 4 (vier) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 10 en 11 tenlastegelegde tot het betalen van een twee geldboetes van elk € 150,- (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 (drie) dagen. Beveelt, dat een telkens op € 100,- (honderd euro) bepaald gedeelte van die geldboetes, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 2 (twee) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 19 tenlastegelegde tot het betalen van een geldboete van € 300,- (driehonderd euro), bij gebreke aan betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 (zes) dagen. Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. S.K. Welbedacht, in bijzijn van de griffier mr. S. Bek. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 februari 2007.