Rechtspraak 2005-09-30
ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3648
ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3648 text/xml public 2015-11-11T02:21:01 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AU3648 Gerechtshof 's-Gravenhage 2005-09-30 2200190005 Uitspraak Hoger beroep NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3648 text/html public 2013-04-04T22:43:11 2005-10-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3648 Gerechtshof 's-Gravenhage , 30-09-2005 / 2200190005 Gelijkheidsbeginsel Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd. De verdachte heeft aangifte terzake van belediging tegen aangeefster gedaan. Nu het openbaar ministerie is overgegaan tot de vervolging van de verdachte en niet van deze aangeefster, dient het openbaar ministerie, wegens schending van het gelijkheidbeginsel, niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelgde. Het hof verwerpt dit verweer. Op grond van het bepaalde in artikel 167, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering komt aan het openbaar ministerie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toe om na een onderzoek vervolging tegen een verdachte in te stellen. Op grond van artikel 167, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie afzien van vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend. Weliswaar vindt die ruime bevoegdheid zijn begrenzing in (onder andere) het gelijkheidsbeginsel, maar het enkele feit dat - zoals in casu is aangevoerd - een ander niet is vervolgd, brengt nog niet zonder meer mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Feiten of omstandigheden die zouden leiden tot het oordeel dat zulks in casu wel het geval is, zijn niet aannemelijk geworden. Rolnummer: 22-001900-05 Parketnummer(s): 10-642176-05 Datum uitspraak: 30 september 2005 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 21 maart 2005 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 september 2005. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 400,-, subsidiair acht dagen hechtenis, te betalen in vier maandelijkse termijnen van elk EUR 100,-. De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd. De verdachte heeft aangifte terzake van belediging tegen [aangeefster] gedaan. Nu het openbaar ministerie is overgegaan tot de vervolging van de verdachte en niet van deze [aangeefster], dient het openbaar ministerie, wegens schending van het gelijkheidbeginsel, niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelgde. Het hof verwerpt dit verweer. Op grond van het bepaalde in artikel 167, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering komt aan het openbaar ministerie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toe om na een onderzoek vervolging tegen een verdachte in te stellen. Op grond van artikel 167, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie afzien van vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend. Weliswaar vindt die ruime bevoegdheid zijn begrenzing in (onder andere) het gelijkheidsbeginsel, maar het enkele feit dat - zoals in casu is aangevoerd - een ander niet i