ECLI:NL:GHSGR:2004:AQ2782
ECLI:NL:GHSGR:2004:AQ2782 text/xml public 2013-04-04T21:14:20 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AQ2782 Gerechtshof 's-Gravenhage 2004-07-14 866-H-03 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2004:AQ2782 text/html public 2013-04-04T21:14:20 2005-01-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSGR:2004:AQ2782 Gerechtshof 's-Gravenhage , 14-07-2004 / 866-H-03 Tegen welke waarde dient een gemeenschappelijk appartement in de verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap te worden betroken? Peildatum van waardering van het appartement. Valt ook hypothecaire geldlening in deze beperkte gemeenschap? Uitspraak : 14 juli 2004 Rekestnummer : 866-H-03 Rekestnr. rechtbank : 02-6464 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [belanghebbende], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. I. de Vink, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster, tevens inciden-teel verzoe-kster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. J.W. Wladimiroff-Nater. PROCESVERLOOP De man is op 5 oktober 2003 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 7 juli 2003. De vrouw heeft op 10 november 2003 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend. De man heeft op 24 december 2003 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend. Van de zijde van de man zijn bij het hof op 16 oktober 2003, 25 november 2003 en 7 april 2004 aanvullende stukken ingekomen. Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 15 april 2004 een faxbericht ingekomen. Op 16 april 2004 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door haar procureur. VASTSTAANDE FEITEN Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast. De man en de vrouw zijn op [datum], op huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd. Zij hebben samen geen kinderen. Op [datum] heeft de vrouw bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Zij heeft onder meer verzocht de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap vast te stellen. Voorts heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man als alimentatie ten behoeve van de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 2.000,- per maand. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij heeft zelfstandig verzocht de verdeling aldus vast te stellen dat het appartem[adres]es] te [woonplaats] en de aan dit appartement verbonden hypothecaire schuld aan hem worden toegescheiden, onder de verplichting van de man om de vrouw te ontslaan uit haar verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire lening en de vrouw te veroordelen een bedrag van € 33.736,27 aan de man te betalen. Bij brief van 12 maart 2003 heeft de man zijn zelfstandig verzoek gewijzigd, in die zin dat hij verzoekt de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 43.881,16 aan de man te betalen. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking heeft de rechtbank verder - uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld: Aan de man wordt toegescheiden: - het appartementsrecht op de woning aan de [adres] te [woonplaats], met veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 68.750,- ter zake van overbedeling. De rechtbank heeft het alimentatieverzoek van de vrouw afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de behandeling van de zaak met betrekking tot het verzoek tot verrekening van de kosten van de normale gang van de huishouding aangehouden. De echtscheidingsbeschikking i
Het hof gaat er daarbij van uit dat de man aan de vrouw de wettelijke rente zal uitkeren, wanneer de toescheiding niet binnen drie maanden na heden zal worden geëffectueerd. 7. Voorts stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat de hypothecaire geldlening bij de Aegon onder nummer [x] een gemeenschappelijke schuld zou zijn, dat dit geenszins uit de voormelde huwelijkse voorwaarden zou volgen, dat gesteld noch gebleken is dat die schuld uit andere hoofde tot de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen zou behoren en dat de man in verband met voornoemd appartementsrecht een bedrag van € 68.750,- aan de vrouw dient te betalen. De man heeft aangevoerd dat de hypotheekschuld aan de Rabobank onder leningnummer [x] was verbonden aan het appartementsrecht aan de [adres]. De hypothecaire lening aangegaan bij de Aegon onder nummer [x] rust - volgens de man - op de woning aan de [adres], hetgeen door de vrouw niet is bestreden. 8. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Partijen zijn bij huwelijkse voorwaarden onder meer overeengekomen dat tussen hen elke gemeenschap van goederen wordt uitgesloten, met uitzondering van het appartementsrecht [adres], alsmede het tegoed van de en/of rekening bij de Rabobank nummer [x], welke goederen aan partijen in gemeenschap zullen toebehoren, ieder voor de onverdeelde helft. Partijen zijn aldus een beperkte gemeenschap overeengekomen. In geschil is, met betrekking tot het appartementsrecht, of ook de daaraan verbonden hypothecaire geldlening in die gemeenschap valt. Bij de uitleg van een overeenkomst houdende huwelijkse voorwaarden komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de desbetreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij dient mede acht te worden geslagen op hetgeen de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het overeengekomene meebrengen. Tot de door partijen bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen beperkte huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap behoren, mede in het licht van artikel 1:122 BW juncto titel 7 van Boek 1 BW, voor zover ten deze toepasselijk, naar de aard van die gemeenschap niet alleen het appartementsrecht, maar ook de schulden aangegaan ter financiering en het onderhoud daarvan. Voor het onderhavige geval brengt een uitleg naar redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van de overeengekomen beperkte gemeenschap derhalve mee dat ook de aan het appartementsrecht verbonden, reeds voor het huwelijk bestaande, ter financiering van het appartementsrecht aangegane hypothecaire geldlening tot die gemeenschap behoort, tenzij in de huwelijkse voorwaarden anders zou zijn bepaald. Dat laatste is niet het geval. Ook uit de stellingen van partijen omtrent hun bedoelingen ten aanzien van de huwelijkse voorwaarden volgt niet anders. De vrouw heeft gesteld dat de achtergrond van de beperkte gemeenschap is geweest dat werd tegemoetgekomen aan haar angst om na het overlijden van de man onverzorgd achter te blijven. De man stelt dat een beperkte gemeenschap is overeengekomen omdat de vrouw eronder leed niets te bezitten. Geen van beide lezingen sluit uit dat ook schulden tot de gemeenschap kunnen behoren. De hypothecaire geldlening behoort derhalve tot de gemeenschap en de daaruit voortvloeiende schuld dient mitsdien door beide deelgenoten te worden gedragen 9. Nu de man in zijn appèlschrift heeft aangegeven dat de openstaande hypotheekschuld bij de Rabobank per 31 december 2001 € 60.722,- bedroeg en ter zitting onweersproken heeft verklaard dat in die stand geen wijziging is gekomen, dient de man, mede gelet op hetgeen het hof heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 5 en 6, in verband met voornoemd appartementsrecht een bedrag van € 38.389,- aan de vrouw te voldoen. Hetgeen de man subsidiair in zijn derde grief heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer