Rechtspraak 2004-05-27
ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151
ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151 text/xml public 2025-03-22T21:52:59 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AP0151 Gerechtshof 's-Gravenhage 2004-05-27 01/1086 Uitspraak Bodemzaak Hoger beroep NL Civiel recht Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AW2077 Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AW2077 Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AW2080 Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AW2080 Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AW2082 Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AW2082 Rechtspraak.nl NJ 2004, 470 NJF 2004, 481 JOR 2004/206 met annotatie van B.P.M. van Ravels, W.J.M. van Andel http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151 text/html public 2013-04-04T21:00:51 2004-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151 Gerechtshof 's-Gravenhage , 27-05-2004 / 01/1086 Vie d'Or was een levensverzekeringsmaatschappij die in de eerste helft van de jaren '90 een spectaculaire groei doormaakte maar nadien vrij snel in moeilijkheden raakte en vervolgens failliet werd verklaard. In deze zaak gaat het om de vraag of de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de schade die de voormalige polishouders en andere crediteuren hebben geleden als gevolg van de déconfiture van Vie d'Or. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het is van oordeel dat de Verzekeringskamer niet heeft gehandeld als van een redelijk handelend toezichthouder mocht worden verwacht, dat de actuaris in strijd met de voor zijn beroepsgroep geldende normen en op verwijtbare wijze heeft nagelaten de directie en de raad van commissarissen tegen het gevaar van discontinuïteit te waarschuwen en dat de accountants ernstig hebben gefaald in de uitvoering van hun taak. Uitspraak: 27 mei 2004 Rolnr.: 01/1086 Rolnr. rb.: 98/2863 HET GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van: 1. STICHTING VIE D'OR gevestigd te Eindhoven, hierna: de Stichting, 2. mr. Emile Gerard Joseph Marie BOGAERTS Q.Q., wonende te Helvoirt, gemeente Haren, 3. mr. Aloysius Antonius Maria DETERINK Q.Q., wonende te Son, gemeente Son en Breugel, appellanten sub 2 en 3 in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van N.V. Levensverzekeringsmaatschappij Vie d'Or, gevestigd te Veldhoven, hierna: de curatoren, appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appel, procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, tegen 1. STICHTING PENSIOEN- EN VERZEKERINGSKAMER (voorheen genaamd: STICHTING VERZEKERINGSKAMER), gevestigd te Apeldoorn, hierna: de Verzekeringskamer, 2. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën), zetelende te 's-Gravenhage, hierna: de Staat, geïntimeerden in het principaal appel, procureur: mr. H.Th. Bouma, 3. DELOITTE & TOUCHE, mede kantoorhoudende te Rotterdam, 4. [geïntimeerde sub 4], wonende te [woonplaats], 5. [geïntimeerde sub 5] wonende te [woonplaats], 6. [geïntimeerde sub 6], wonende te [woonplaats], geïntimeerden in het principaal appel, appellanten in het incidenteel appel hierna te noemen: de accountants, procureur: mr. H.C. Grootveld, 7. [geïntimeerde sub 7], gevestigd te Amsterdam, 8. [geïntimeerde sub 8], wonende te [woonplaats], geïntimeerden in het principaal appel, hierna: de actuaris, procureur: mr. E. Grabandt. HET GEDING IN HOGER BEROEP Bij exploot van 5 september 2001 hebben de Stichting en de curatoren hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 13 juni 2001, tussen partijen gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) hebben de Stichting en de curatoren tegen het bestreden vonnis negen grieven aangevoerd en hun eis gewijzigd. Bij memories van antwoord (in het geval van de accountants: met producties) hebben respectievelijk de Verzekeringskamer en de Staat, de accountants en de actuaris de grieven bestreden. De accountants hebben incidenteel geappelleerd en twaalf grieven tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerd. De Stichting en de curatoren hebben deze grieven bij memorie van antwoord in Het begrip 'voormalige polishouder' is in de statuten, voor zover thans van belang, als volgt omschreven: "de persoon wiens rechten en verplichtingen uit een verzekeringsovereenkomst met de vennootschap [Vie d'Or, hof] krachtens machtiging van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch zijn of zullen worden overgedragen aan (…) Twenteleven (…), voor zolang deze persoon deze overeenkomsten(en) van levensverzekering met (….) Twenteleven continueert". Elf voormalige polishouders hebben hun (eventuele) vorderingen jegens de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris terzake van de in verband met de déconfiture van Vie d'Or geleden schade aan de Stichting gecedeerd. 1.8 In deze zaak gaat het om de vraag of de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de schade die de voormalige polishouders en andere crediteuren hebben geleden als gevolg van de déconfiture van Vie d'Or. De Stichting en de curatoren hebben hiertoe (na eiswijziging in hoger beroep), behalve een veroordeling in de proceskosten, de volgende vorderingen ingesteld (de nummering van het petitum is aangehouden): de vorderingen van de Stichting: 1.a de Stichting vordert een verklaring voor recht dat door de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris onrechtmatig is gehandeld jegens alle voormalige polishouders van Vie d'Or en dat zij alsmede de Staat deswege jegens hen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de schade die de polishouders in het faillissement van Vie d'Or hebben geleden; de Stichting stelt deze vordering in op basis van art. 3:305a BW; 2.a de Stichting vordert dat de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren worden veroordeeld tot betaling aan de Stichting van € 225.583,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994, althans tot betaling van schadevergoeding in goede justitie door het hof te bepalen; 2.b de Stichting vordert dat de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, terzake van het door polishouders nr. 3, 8 en 10, vermeld op productie 1 bij conclusie van eis, misgelopen gegarandeerde rendement op de premies die zij na 1 augustus 1994 bij Vie d'Or zouden hebben ingelegd; de Stichting stelt de vorderingen sub 2.a en 2.b in als cessionaris van de genoemde elf voormalige polishouders; 2.c de Stichting vordert voorts dat de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris worden veroordeeld bepaalde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente (een en ander zoals gespecificeerd in het petitum van de memorie van grieven) aan de Stichting te betalen terzake van de door de Stichting gemaakte kosten tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid en tot verkrijging van voldoening buiten rechte; deze vordering is subsidiair ten opzichte van de vordering van de curatoren sub 3, voorzover het instellen van deze vordering (sub 2.c) aan toewijzing van de vordering van de curatoren in de weg zou staan; de vorderingen van curatoren: 1.b. voor zover het onder 1.a gevorderde niet (geheel) toewijsbaar is, vorderen de curatoren voor recht te verklaren dat door de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris onrechtmatig is gehandeld jegens alle crediteuren van Vie d'Or en dat zij alsmede de Staat deswege jegens hen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de schade die deze crediteuren in het faillissement van Vie d'Or hebben geleden; 3. curatoren vorderen voorts de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren te veroordelen tot betaling van € 80.319.098,--, te verminderen met het ingevolge de vordering sub 2 toe te wijzen bedrag, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994, alsmede van € 4.624.378,88 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 1995; curatoren stellen de vorderingen sub 1.b en 3.30); de accountants bestrijden dit oordeel met de grieven V tot en met IX in het incidenteel appel; (x) voor de door de oud-polishouders geleden schade moet aansluiting worden gezocht bij de datum 1 augustus 1994, de datum waarop de gekorte verplichtingen van Vie d'Or jegens de polishouders zijn overgedragen aan Twenteleven; wat betreft de polishouders wier polis nog niet tot uitkering was gekomen beliep de schade het bedrag dat nodig was om een polis bij Twenteleven te verkrijgen die uitzicht bood op dezelfde uitkering als hun polis bij Vie d'Or; wat betreft polishouders wier polis al wel tot uitkering was gekomen beliep de schade het bedrag dat hun uitkering lager was dan de uitkering waarop zij recht hadden gehad indien Vie d'Or niet was gefailleerd; de uitgangspunten en de uitwerking daarvan voor de berekening van de geleden schade zoals die zijn neergelegd in de beide rapportages van KPMG komen de rechtbank niet onjuist voor (r.o. 3.32.1); voor voordeelstoerekening vanwege het feit dat sommige oud-polishouders van Vie d'Or na hun overstap naar Twenteleven hebben geprofiteerd van de sedertdien aanzienlijk gestegen beurskoersen bestaat geen grond (r.o. 3.32.2); de accountants bestrijden deze overwegingen in grief XI van het incidenteel appel; (xi) de schade van de 11 polishouders kan niet, zoals de Stichting wil, worden gelijkgesteld aan hun aandeel in het door KPMG becijferde bedrag ad ƒ 177 miljoen aan totale schade, aangezien deze methode van vaststelling van de schade in concreto te globaal is en geen recht doet aan de specifieke omstandigheden welke per polishouder bepalend zijn voor de vaststelling van de door hem/haar geleden schade; de vordering tot vergoeding van de schade van de 11 polishouders wordt afgewezen (r.o. 3.32.3); de Stichting bestrijdt dit oordeel met grief VIII in het principaal appel; (xii) de door de Stichting gevorderde schadevergoeding bestaande uit (onder andere) de kosten van de noodregeling en die van de uitvoering van het sociaal plan, komen niet voor vergoeding in aanmerking; wel kan de Stichting aanspraak maken op schadevergoeding van ƒ 12.200,-- (twee punten van het toepasselijke liquidatietarief) wegens de kosten die zij, ten behoeve van de oud-polishouders wier belangen zij behartigt, heeft gemaakt voor de vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid (r.o. 3.32.4); in grief IX van het principaal appel voert de Stichting aan dat de rechtbank dit bedrag te laag heeft vastgesteld. 1.10 Het hof zal achtereenvolgens de grieven in het principaal appel (onderdeel B) en de grieven in het incidenteel appel (onderdeel C) bespreken. Aangezien de grieven van de Stichting deels gegrond zijn zal aansluitend (onderdeel D), in verband met de devolutieve werking van het appel, een aantal verweren van de Verzekeringskamer, de Staat en de actuaris worden behandeld. In onderdeel E tenslotte zal de slotsom uit de voorafgaande onderdelen worden getrokken. B. Beoordeling van de grieven in het principaal appel 2.1 In grief I komen de curatoren op tegen het oordeel van de rechtbank, dat de vordering die zij namens de gezamenlijke crediteuren van Vie d'Or hebben ingesteld tot vergoeding van het tekort in de boedel moet worden afgewezen. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de overweging dat de kern van de zogenaamde "Peeters-Gatzen-jurisprudentie" is dat de curatoren in een faillissement bevoegd zijn namens de gezamenlijke schuldeisers tegen een derde een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad in te stellen, indien sprake is van benadeling van de schuldeisers door de gefailleerde en de derde aan die benadeling heeft meegewerkt, dan wel daarbij anderszins betrokken is geweest. Volgens de rechtbank kan in het onderhavige geval niet worden volgehouden dat de door curatoren aan hun vorderingen ten grondslag gelegde handelingen van gedaagden hebben geleid tot benadeling van de gezamenlijke schuldeisers. Van een duidelijke vermindering van het actief van Vie d'Or dan wel een vermeerderi 2.7 Curatoren, die in deze procedure het door hen op ruim ƒ 187 miljoen begrote tekort in de boedel van Vie d'Or vorderen, hebben niet gesteld dat het optreden (of het gebrek daaraan) van Vie d'Or, de accountants en de Verzekeringskamer met betrekking tot de vorderingen op de [betrokkene]-vennootschappen tot het faillissement van Vie d'Or, dan wel tot schade voor de crediteuren van Vie d'Or hebben geleid in die zin dat als gevolg van dat (gebrek aan) optreden het tekort in de boedel groter is dan het zonder dat (gebrek aan) optreden zou zijn geweest. Zij hebben ook niet gesteld dat, indien tijdig tegen de waardering van deze vorderingen bezwaar zou zijn gemaakt, daarop meer of anders zou zijn afgelost dan thans is gebeurd. 2.8 Nu curatoren geen andere gevallen van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers hebben gesteld moet de conclusie zijn dat hun namens de gezamenlijke crediteuren ingestelde vorderingen niet toewijsbaar zijn. 3.1 In grief II voeren curatoren aan dat de rechtbank ten onrechte de vordering namens de vennootschap Vie d'Or heeft afgewezen. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de overweging dat de handelingen van gedaagden die de curatoren aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd steeds met instemming van en - in een aantal gevallen - zelfs op verzoek van (de directie van) Vie d'Or zijn verricht. Het oordeel van de rechtbank moet kennelijk aldus worden begrepen dat onder de genoemde omstandigheden de gedaagden niet onrechtmatig jegens Vie d'Or hebben gehandeld. Voor zover het betoog van curatoren er veronderstellenderwijs van uitgaat dat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan het leerstuk 'eigen schuld', gaat het hof dan ook daaraan voorbij. 3.2 Het oordeel van de rechtbank is, afgezien van het feit dat zij de vordering van curatoren had moeten afwijzen in plaats van hen daarin niet-ontvankelijk te verklaren, juist zodat de grief faalt. Curatoren bestrijden op zichzelf niet dat de handelingen van gedaagden die de curatoren aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd steeds met instemming en soms zelfs op verzoek van (de directie van) Vie d'Or zijn verricht. Het betoog van curatoren houdt in dat het nu juist de taak was van gedaagden om toezicht en controle uit te oefenen op directie en commissarissen van Vie d'Or. Curatoren stellen echter niet dat Vie d'Or bij het verlenen van instemming of het doen van een verzoek aan gedaagden niet rechtsgeldig zou zijn vertegenwoordigd. Onder die omstandigheden hebben gedaagden niet onrechtmatig jegens Vie d'Or gehandeld, ook al zouden gedaagden in hun toezicht hebben gefaald. Bijzondere omstandigheden die dat in dit geval anders zouden maken zijn niet gesteld of gebleken. 4.1 In grief III voert de Stichting aan dat de rechtbank in het dictum slechts een verklaring voor recht heeft gegeven dat het handelen van de accountants onrechtmatig is, maar niet ook dat zij jegens de polishouders aansprakelijk zijn en op welke voet. De rechtbank motiveert haar oordeel door er op te wijzen dat voor de vaststelling van de aansprakelijkheid zal moeten worden bezien of er door een betrokken oud-polishouder schade is geleden en welke schade is veroorzaakt door welke onrechtmatige gedraging, alsmede of, en zo ja in hoeverre, er causaal verband bestaat tussen de als onrechtmatig aangemerkte gedraging en de gestelde schade. Volgens de rechtbank zal dit per polishouder dan wel per homogene subgroep dienen te geschieden en is onder deze omstandigheden een collectieve actie terzake van de vaststelling van de aansprakelijkheid niet aangewezen. De Stichting bestrijdt dit oordeel met een betoog dat er op neerkomt dat wel degelijk algemene uitspraken te doen zijn over de vraag in hoeverre gedaagden aansprakelijk zijn voor de door de polishouders geleden schade, de omvang van de schade, en het causaal verband tussen de onrechtmatige gedragingen en de schade. Het betreft volgens de Stichting - ook naar het oordeel van de rechtbank - vraagstukken die zich in algemene zin la Het hof merkt hierbij ten overvloede op, dat ook indien er wel oud-polishouders van Vie d'Or zouden zijn wier rechten en verplichtingen niet op Twenteleven zijn overgegaan, dit niet afdoet aan het feit dat de statuten de belangenbehartiging door de Stichting nadrukkelijk beperken tot de oud-polishouders bij wie dat wel het geval is. 5.4 De Stichting voert vervolgens aan dat na verloop van tijd alle polishouders 'aflopers' zullen worden omdat hun polis op enig moment zal expireren, bijvoorbeeld wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Ook dit argument faalt omdat, de Verzekeringskamer wijst er terecht op, degene wiens polis tot uitkering komt nog steeds de overeenkomst van levensverzekering met Twenteleven continueert en dus onder de statutaire doelomschrijving van de Stichting valt, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de polishouder die na de overgang naar Twenteleven zijn polis heeft afgekocht. 5.5 De stelling van de Stichting dat de 'afkopers' en de 'aflopers' enerzijds en de overige polishouders anderzijds, ten aanzien van hun aanspraken jegens gedaagden in een identieke positie verkeren en dat de te beantwoorden rechtsvragen in beide gevallen hetzelfde zijn, is mogelijk juist, maar kan er niet toe leiden dat de Stichting kan optreden namens oud-polishouders die blijkens haar statuten uitdrukkelijk - en kennelijk welbewust -van belangenbehartiging zijn uitgesloten. Ook het argument, dat gedaagden geen enkel redelijk belang hebben om zich er tegen te verzetten dat de Stichting ook namens de 'afkopers' en 'aflopers' optreedt, faalt, aangezien de wet de eis van statutaire grondslag nu eenmaal stelt en het gedaagden - zonder dat zij hun belang daarbij hoeven te adstrueren -vrijstaat zich erop te beroepen dat aan die eis (voor wat betreft de 'afkopers' en 'aflopers') niet is voldaan. 6.1 In grief V voeren curatoren aan dat de rechtbank ten onrechte de door hen gevraagde verklaring voor recht namens de gezamenlijke crediteuren van Vie d'Or niet heeft toegewezen. De rechtbank had volgens curatoren aan deze vordering moeten toekomen, omdat de voorwaarde was vervuld waaronder deze was ingesteld, te weten dat de door de Stichting gevorderde verklaring voor recht niet zou kunnen worden gegeven, althans niet voor zover de Stichting deze vordert ten behoeve van de 'afkopers' en 'aflopers'. De rechtbank had deze vordering dan ook niet onbesproken mogen laten, aldus curatoren. 6.2 Ook deze grief faalt. De bij conclusie van repliek (nr. 717) vermeerderde eis van curatoren houdt in dat gevorderd werd een verklaring voor recht dat door gedaagden sub 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 onrechtmatig is gehandeld namens de gezamenlijke crediteuren van Vie d'Or en dat alle gedaagden deswege jegens hen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van schadevergoeding als in het lichaam van de dagvaarding onder 411 en 413 omschreven. Uit hetgeen hiervoor naar aanleiding van grief I is overwogen volgt dat hun vordering namens de gezamenlijke crediteuren van Vie d'Or, die strekte tot het verkrijgen van schadevergoeding ter grootte van het tekort in de boedel, niet toewijsbaar is. Dit brengt tevens mee dat hun vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht als door hen bij eisvermeerdering gevorderd evenmin toewijsbaar is, nu curatoren met deze verklaring voor recht in wezen dezelfde vragen aan de orde stellen als in hun vordering tot schadevergoeding, te weten of gedaagden jegens de gezamenlijke crediteuren onrechtmatig hebben gehandeld en of zij deswege tot betaling van schadevergoeding gehouden zijn. 7.1 In grief VI komt de Stichting op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Verzekeringskamer niet onrechtmatig heeft gehandeld en dus niet op dezelfde voet jegens de polishouders en andere crediteuren aansprakelijk is als de accountants. Dit oordeel van de rechtbank berust op overwegingen die als volgt kunnen worden samengevat. 7.2 Allereerst stelt de rechtbank het criterium voorop waaraan het handelen van een toezichthouder als de Verz Het hof zal deze verwijten eerst bespreken en daarna bezien of er aanleiding is ook nog de andere verwijten te beoordelen. 7.7 Voor wat betreft verwijt b. (het ten onrechte laten meetellen van de genoemde contracten voor de beoordeling van de solvabiliteit van Vie d'Or) is het volgende van belang. Ingevolge art. 39 lid 1 Wtv dient een verzekeraar te beschikken over een solvabiliteitsmarge die ten minste een bedrag beloopt dat wordt berekend op de wijze voorgeschreven in een krachtens art. 28 lid 6 Wtv vast te stellen model van een staat. Over de omvang van de solvabiliteitsmarge bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Een derde gedeelte van de solvabiliteitsmarge vormt het garantiefonds, dat ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag beloopt (art. 39 lid 2). In een krachtens art. 28 lid 6 Wtv vast te stellen model van een staat wordt bepaald (i) welke vermogensbestanddelen de solvabiliteitsmarge - en voor levensverzekeraars het garantiefonds - kunnen vormen en welke vermogensbestanddelen daarbij een aftrek dienen te vormen en (ii) de mate waarin en de voorwaarden waaronder dit geschiedt; de Verzekeringskamer kan tegen de waardering van de vermogensbestanddelen bezwaar maken (art. 39 lid 4). 7.8 Bij Koninklijk Besluit van 11 juni 1987, Stb. 291 (het Statenbesluit schade- en levensverzekeringsbedrijf, hierna: het Statenbesluit), zijn onder andere de in r.o. 7.7 bedoelde staten vastgesteld. Van belang in dit verband is Staat 1.301 (Aanwezige Solvabiliteitsmarge), waarin onder de te specificeren bestanddelen van de aanwezige solvabiliteit is vermeld: (…..) Andere bestanddelen voor zover de verzekeringskamer tegen het in aanmerking nemen hiervan geen bezwaar heeft Marges op grond van de waardering van balansposten dan wel op grond van winstverwachtingen, indien voor het in aanmerking nemen van de marges de instemming van de Verzekeringskamer is verkregen en voor zover deze marges niet dienen tot dekking van het minimum bedrag van het garantiefonds of van zoveel meer als de helft van het garantiefonds beloopt (specificeren en op een bijlage toelichten) 7.9 Naar het oordeel van het hof volgt uit de Wtv en de daarop gebaseerde regelgeving dat deze zich niet verzet tegen het in aanmerking nemen van verwachte (toekomstige) winsten bij de berekening van de aanwezige solvabiliteit, indien en voorzover de Verzekeringskamer daarmee instemt en mits deze niet dienen tot dekking van het minimum bedrag van het garantiefonds of van meer dan de helft van het garantiefonds. Tevens blijkt daaruit dat de Verzekeringskamer een zekere mate van vrijheid heeft bij de waardering van de bestanddelen van de aanwezige solvabiliteit. Dit alles leidt tot de conclusie dat het in aanmerking nemen van de SRC's en het Modco-contract bij de vaststelling van de solvabiliteit van Vie d'Or, door middel van welke contracten immers - tegen betaling van een bepaalde prijs - Vie d'Or in wezen toekomstige, onzekere winsten had zeker gesteld, op grond van de destijds geldende regels niet per se ongeoorloofd was en dat het aan de Verzekeringskamer was om te beoordelen of dergelijke zeker gestelde winsten in het geval van Vie d'Or geheel of gedeeltelijk in aanmerking konden worden genomen. 7.10 De Stichting heeft nog aangevoerd dat een en ander in strijd zou zijn met de Eerste Richtlijn van de EG van 5 maart 1979 (79/267/EEG), meer in het bijzonder met art. 18 lid 3 daarvan. Daaruit zou volgens de Stichting volgen, dat toekomstige winsten slechts mogen meetellen voor de aanwezige solvabiliteit indien in de afgelopen vijf jaar winst is gemaakt. Dit betoog gaat evenwel niet op, omdat deze bepaling klaarblijkelijk betrekking heeft op toekomstige, onzekere winsten en niet op winsten die door middel van een herverzekeringscontract zijn zeker gesteld. Voor het overige bevat de Eerste Richtlijn geen bepalingen die tot het oordeel zouden moeten leiden dat het in aanmerking nemen van verzekerde toekomstige winsten is uitgesloten. Integendeel, u Het hof is evenwel van oordeel dat het antwoord op de vraag of de Verzekeringskamer had moeten ingrijpen door het benoemen van een stille bewindvoerder, ervan afhangt of daarvoor in de omstandigheden van het geval voldoende reden bestond, onafhankelijk van de toekomstige gedragslijn die de Verzekeringskamer in haar plan van aanpak aanvankelijk had neergelegd. Nu de Verzekeringskamer niet verplicht was een plan van aanpak op te stellen, stond het haar ook vrij terug te komen op haar aanvankelijke voornemen een stille bewindvoerder te benoemen indien Vie d'Or niet aan een aantal voorwaarden zou voldoen. 7.15 Bij het beantwoorden van de vraag of de Verzekeringskamer als een redelijk handelend toezichthouder heeft gehandeld door in of na de zomer van 1991 geen stille bewindvoerder te benoemen, neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt: (a) De Verzekeringskamer heeft de staten op grond waarvan zij moest beoordelen of Vie d'Or aan de solvabiliteitseisen voldeed en die vóór 1 juli van elk kalenderjaar moeten worden ingediend, over het jaar 1990 pas op 18 oktober 1991 ontvangen. Dit was in afwijking van de eerdere toezegging van de directie, de accountants en de actuaris dat de staten op 2 augustus 1991 zouden worden ingediend. Overigens ontving de Verzekeringskamer de verslagstaten over het jaar 1989 ook al te laat, namelijk op 30 augustus 1990. Anders dan de Verzekeringskamer, acht het hof het bij herhaling en - in 1991 - in afwijking van eerdere toezeggingen ruim overschrijden van de voorgeschreven termijn een ernstige aanwijzing dat aan een goede gang van zaken bij Vie d'Or moest worden getwijfeld. Het gaat er bij deze staten immers om de Verzekeringskamer in staat te stellen de voor de polishouders van groot belang zijnde solvabiliteit te beoordelen, waarbij juist het feit dat het daarbij om een beoordeling achteraf gaat de Verzekeringskamer extra alert had moeten doen zijn indien indiening van de staten plaatsvindt ruim na het verstrijken van de voorgeschreven termijn. (b) In de loop van november 1991 kwam de Verzekeringskamer tot de conclusie dat de solvabiliteitspositie in de verslagstaten over 1990 een geflatteerd beeld gaf van de werkelijkheid; correcties op de jaarrekening leidden tot een daling van de aanwezige solvabiliteitsmarge tot beneden het niveau van het minimumgarantiefonds (memorie van antwoord Verzekeringskamer nr. 38). Hieruit moest de Verzekeringskamer derhalve blijken dat de door Vie d'Or op 15 juli 1991 ingediende voorlopige balans en resultatenrekening over 1990, volgens welke gegevens Vie d'Or per eind 1990 aan de vereiste solvabiliteitsmarge zou voldoen, in ieder geval op dit punt een onjuist beeld gaven. (c) Vanaf 10 oktober 1990 tot maart 1991 heeft de Verzekeringskamer onderzoek bij Vie d'Or ingesteld. Uit dit onderzoek constateerde de Verzekeringskamer dat Vie d'Or een achterstand had bij de administratieve verwerking van verzekeringsgegevens (memorie van antwoord Verzekeringskamer nr. 21). In maart 1991 heeft de actuaris de Verzekeringskamer ervan op de hoogte gesteld dat de administratie bij Vie d'Or niet adequaat was. "Vie d'Or maakte zoveel productie dat zij achter de feiten aanholde. Een inschatting van de resultaten uit de bedrijfsvoering was daarom niet goed mogelijk" (memorie van antwoord Verzekeringskamer nr. 20). Op 4 september 1991 deelde de accountant mee dat de administratie pas op een termijn van anderhalf jaar volledig op orde zou zijn (memorie van antwoord Verzekeringskamer nr. 33). (d) Op 12 juli 1990 is het surplus-reliefcontract met NRG tot stand gekomen. De hieruit resulterende solvabiliteit van ƒ 13 miljoen zou bij insolventie van Vie d'Or in rook opgaan. Het bedrag van ƒ 13 miljoen is op de balans van Vie d'Or per 31 december 1989 geheel als actief opgenomen en in dat jaar tevens als winst in de jaarrekening verantwoord. (e) Bij brief van 30 mei 1991 heeft de actuaris de relatie met Vie d'Or opgezegd. Dit gebeurde nadat de Verzekeringskamer in een gesprek 7.19 De Verzekeringskamer heeft aangevoerd dat zij voor het zogenaamde toezichthoudersdilemma stond, waarmee zij wil zeggen dat ingrijpen bij een levensverzekeringsmaatschappij, bijvoorbeeld door het intrekken van de vergunning, weliswaar toekomstige polishouders voor schade behoedt, maar de bestaande polishouders juist dupeert. Wat er van deze redenering ook zij, de Verzekeringskamer verliest uit het oog dat haar niet het verwijt wordt gemaakt dat zij de vergunning van Vie d'Or niet heeft ingetrokken, maar dat zij heeft nagelaten tijdig een stille bewindvoerder te benoemen. Door een stille bewindvoerder te benoemen had de Verzekeringskamer juist de mogelijkheid om de continuïteit van Vie d'Or zoveel mogelijk te bevorderen. Het standpunt van de Verzekeringskamer dat benoeming van een stille bewindvoerder in de markt toch snel bekend zou zijn geworden en daardoor het einde van Vie d 'Or zou hebben betekend, moet worden verworpen. De mogelijkheid een stille bewindvoerder te benoemen was in 1990, dus zeer recent in de Wtv opgenomen. Bij die gelegenheid is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel overwogen dat de stille bewindvoering ter vermijding van onevenredige schade niet bekend zou worden gemaakt (TK 1988-1989, 20884 nr. 3 p. 9). De Verzekeringskamer heeft haar standpunt dat desalniettemin voor het bekend worden van stille bewindvoering moest worden gevreesd in dat licht onvoldoende met feiten onderbouwd. 7.20 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat grief VI slaagt. Hetgeen de Stichting overigens nog aan deze grief ten grondslag heeft gelegd behoeft dan ook geen behandeling. 8.1 In grief VII komt de Stichting op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen causaal verband bestaat tussen de door de rechtbank vastgestelde onrechtmatige handelwijze van de actuaris en de door de polishouders geleden schade. 8.2 De rechtbank heeft in haar bestreden vonnis overwogen dat de actuaris heeft gehandeld in strijd met voor de beroepsgroep waartoe hij behoort geldende normen en gedragsregels, door niet in een actuarieel rapport aan zijn opdrachtgever te waarschuwen voor de uitgeholde winstcapaciteit en financiële positie van Vie d'Or, alsmede door over de jaren 1989 en 1990 geen actuarieel rapport uit te brengen aan de raad van commissarissen van Vie d'Or. De rechtbank is eveneens van oordeel dat het handelen in strijd met deze normen en gedragsregels door de actuaris een onrechtmatige daad is jegens de polishouders van Vie d'Or. De rechtbank heeft evenwel overwogen dat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de actuaris en het optreden van de schade ontbreekt. Volgens de rechtbank heeft de actuaris zijn werkzaamheden ten behoeve van Vie d'Or geruime tijd vóór de déconfiture beëindigd en was de situatie van Vie d'Or toen nog niet hopeloos. Bovendien heeft de actuaris volgens de rechtbank wel degelijk bedenkingen geuit met betrekking tot de zorgelijke situatie en heeft hij zijn werkzaamheden gestaakt omdat van de zijde van Vie d'Or onvoldoende aan deze bedenkingen tegemoet is gekomen. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat aan de tekortkomingen in de handelwijze van de actuaris onvoldoende zelfstandig gewicht toekomt om de conclusie te rechtvaardigen dat die tekortkomingen (mede) hebben geleid tot de déconfiture van Vie d'Or. 8.3 De Stichting brengt hiertegen allereerst in dat de omstandigheid dat de situatie van Vie d'Or niet hopeloos was juist bewijst dat er wel causaal verband bestaat. Als de situatie wel hopeloos was geweest had het weinig meer uitgemaakt of de actuaris wel of niet op de juiste wijze had gewaarschuwd, aldus de Stichting. Het betoog van de Stichting is juist. Het enkele feit dat de situatie van Vie d'Or op 17 oktober 1991 niet hopeloos was staat niet alleen niet aan causaal verband in de weg, maar kan veeleer tot de slotsom leiden dat maatregelen om de situatie van Vie d'Or te verbeteren in dat stadium nog een positief effect zouden hebben, in die zin dat de schade voor polishou Bij de te nemen maatregelen moet niet zozeer worden gedacht aan het doorvoeren van verbeteringen op eigen kracht - het hof acht weinig aannemelijk dat Vie d'Or daartoe op korte termijn in staat zou zijn - maar veeleer aan de overname van Vie d'Or door bijvoorbeeld een andere verzekeringsmaatschappij. Het hof acht voldoende aannemelijk dat een overname in die tijd ook nog zou zijn gelukt. De toestand van Vie d'Or was in het tweede halfjaar immers nog niet hopeloos. De aandeelhouders van Vie d'Or bleken eind 1991 begin 1992 nog bereid een bedrag van ca ƒ 20 miljoen in Vie d'Or te steken. Het hof is derhalve van oordeel dat de schade van de polishouders niet zou zijn opgetreden indien de actuaris zijn plicht de directie en de raad van commissarissen schriftelijk te waarschuwen was nagekomen. Aan het beroep van de Stichting op de zogeheten omkeringsregel komt het hof niet toe, nu het ook zonder toepassing van deze regel het causaal verband in de vorm van sine qua non verband bewezen acht, terwijl een aanbod tot tegenbewijs op dit punt niet is gedaan. 8.7 De schade kan, gelet op de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, ook aan de actuaris worden toegerekend. De actuaris heeft immers in strijd met de voor zijn beroepsgroep geldende normen en op verwijtbare wijze nagelaten de directie en de raad van commissarissen tegen het gevaar van discontinuïteit te waarschuwen. Dat gevaar heeft zich ook verwezenlijkt, Vie d'Or heeft haar bedrijf moeten staken. Het gevolg daarvan is geweest dat de rechten van de polishouders aan Twenteleven zijn overgedragen en daarbij zijn gekort. Die schade van polishouders is ook typisch een vorm van schade die het optreden van de actuaris had moeten voorkomen en die voor hem ook voorzienbaar was althans had moeten zijn. 8.8 Het voorgaande voert tot de slotsom dat grief VII slaagt. 9.1 In grief VIII vecht de Stichting het oordeel van de rechtbank aan dat de schade niet kan worden berekend op de wijze als door de Stichting (in eerste aanleg) gesteld, namelijk als fractie van de betalingswaarde. De Stichting heeft bovendien haar eis vermeerderd in die zin dat ook aanspraak wordt gemaakt op het gemis aan het gegarandeerde rendement op de na 1 augustus 1994 te storten premies. 9.2 De rechtbank heeft overwogen dat de datum waarbij aansluiting moet worden gezocht om de omvang van de schade vast te stellen 1 augustus 1994 is, te weten de datum waarop de gekorte verplichtingen van Vie d'Or jegens de polishouders zijn overgedragen aan Twenteleven. Wat betreft de polishouders wier polis op die datum nog niet tot uitkering waren gekomen beloopt volgens de rechtbank de schade het bedrag dat nodig was om een polis bij Twenteleven te verkrijgen die uitzicht bood op dezelfde uitkering als hun polis bij Vie d'Or. Wat betreft de polishouders wier polis al wel tot uitkering was gekomen beloopt de schade het bedrag dat hun uitkering lager was dan de uitkering waarop zij recht zouden hebben gehad indien Vie d'Or niet was gefailleerd. De uitgangspunten en de uitwerking daarvan voor de berekening van de geleden schade, zoals die zijn neergelegd in beide rapportages van KPMG, acht de rechtbank niet onjuist. De rechtbank ziet geen grond om de schade beperkt te achten tot enkel de afkoopwaarde van de verzekeringen. Ook verwerpt de rechtbank het beroep (van de accountants) op voordeelstoerekening, die zou meebrengen dat rekening wordt gehouden met het voordeel dat (een aantal van) de oud-polishouders van Vie d'Or hebben gehad doordat zij ter gelegenheid van de overgang naar Twenteleven zijn overgestapt op zogenaamde unit-linked verzekeringen en hebben geprofiteerd van de sedertdien aanzienlijk gestegen beurskoersen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de schade van de 11 polishouders die hun rechten aan de Stichting hebben gecedeerd niet kan worden gesteld op de fractie die de waarde van de polissen van deze oud-polishouders uitmaakte van de betalingswaarde van alle polissen van Vie d'Or, vermenigvuldigd met de totale scha 9.7 Het hof is eveneens met de rechtbank van oordeel dat de schade van de 11 polishouders niet kan worden berekend op de wijze die de Stichting voorstaat, namelijk door de door KPMG berekende schade ad ƒ177 miljoen te vermenigvuldigen met de fractie die de waarde van de polissen van deze polishouders uitmaakte van de betalingswaarde van alle polissen van Vie d'Or. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze benadering onvoldoende recht doet aan de individuele positie van de polishouders. De accountants betogen voorts terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitgangspunten en de uitwerking daarvan voor de berekening van de geleden schade zoals neergelegd in de beide rapportages van KPMG haar niet onjuist voorkomen. Uit deze rapportage blijkt voldoende dat KPMG van geheel andere uitgangspunten voor de schadeberekening uitgaat dan welke het hof hiervoor als juist heeft aangemerkt. 9.8 Voor de door de accountants bepleite voordeelstoerekening is geen plaats. Het voordeel dat polishouders mogelijk hebben genoten doordat zij bij Twenteleven op een unit-linked verzekering zijn overgestapt en hebben geprofiteerd van de sedertdien gestegen beurskoersen, is immers niet het gevolg van dezelfde gebeurtenis waardoor zij ook schade hebben geleden. De schade is geleden als gevolg van de onrechtmatige daad van de accountants terwijl de koerswinsten het gevolg zijn van de keuze die de polishouders hebben gemaakt voor een unit-linked verzekering. Voor het overige komt het rekening houden met na 1 augustus 1994 gestegen beurskoersen in strijd met het hiervoor vermelde uitgangspunt dat de schade naar de toestand op 1 augustus 1994 moet worden vastgesteld. 9.9 Het voorgaande voert tot de slotsom dat grief VIII in het principaal appel tevergeefs is voorgesteld, doch dat grief XI van de accountants gedeeltelijk slaagt. 9.10 Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht over de omvang van de schade die door de 11 polishouders, die hun rechten aan de Stichting hebben gecedeerd, is geleden. Geen van de partijen heeft immers berekeningen in het geding gebracht op basis van de uitgangspunten die het hof hiervoor in r.o. 9.4 en 9.5 heeft geformuleerd. De Stichting zal, conform haar aanbod, alsnog in de gelegenheid worden gesteld deze berekeningen in het geding te brengen en de andere partijen zullen daar op kunnen reageren. Aangezien niet valt uit te sluiten dat partijen over de berekening van de schade van mening blijven verschillen, zal het hof tevens een comparitie van partijen gelasten om met partijen over de te benoemen deskundigen en de aan hen te stellen vragen te overleggen. Daarbij zal ook aan de orde kunnen komen of de situaties van de genoemde 11 polishouders voldoende representatief zijn voor de gehele groep van polishouders die aanspraak kunnen maken op schadevergoeding en zo nee, of het vanuit een oogpunt van proceseconomie niet de voorkeur zou verdienen deskundigen op te dragen zich tevens over andere, voldoende representatieve gevallen uit te laten. 9.11 In grief IX voert de Stichting aan dat de rechtbank de kosten voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid aanmerkelijk te laag heeft begroot op ƒ 12.000,--. Zij vordert thans betaling van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de rapportages van KPMG, het rapport Brunner/Scheltema en het voeren van de tuchtprocedures tegen de actuaris en de accountant. De rapportages van KPMG bestaan uit drie rapporten over de aansprakelijkheid van respectievelijk de accountants, de actuaris en de Verzekeringskamer, alsmede een rapport over de schade van de polishouders. De kosten voor de rapportage over de accountants is door KPMG tezamen met de kosten voor het onderzoek naar de bestuurders in rekening gebracht. Van het totale aldus gedeclareerde bedrag van ƒ 992.029,-- rekent de Stichting ƒ 200.000,-- aan de rapportage over de accountants toe. De kosten voor de schaderapportage ad ƒ 233.145,-- rekent de Stichting in gelijke delen aan de accountants, de actuaris en de Ve Ook hier speelt derhalve een rol dat een efficiënte procesvoering ermee gebaat is dat eerst slechts door een beperkt aantal polishouders schadevergoeding wordt gevorderd en dat het redelijk is dat die efficiënte vorm van procederen niet meebrengt dat de Stichting de door haar gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid niet volledig zou kunnen verhalen. 9.15 De slotsom uit het voorgaande is dat de vordering van de Stichting zoals geformuleerd onder 2.c van het petitum toewijsbaar is. C. Het incidenteel appel: 10.1 De accountants komen in het incidenteel appel op tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering van de Stichting tegen de accountants, zoals neergelegd in de rechtsoverwegingen 3.27 tot en met 3. 31 van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft daarin - samengevat - overwogen dat er, gelet op de uitspraken van de Raad van Tucht en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in deze procedure van uit moet worden gegaan dat de accountants hebben gehandeld in strijd met voor de beroepsgroep waartoe zij behoren geldende normen en gedragsregels. De rechtbank ziet geen reden over de door de accountants aangevoerde argumenten, die grotendeels neerkomen op een herhaling van argumenten die ook reeds voor de tuchtrechter waren aangevoerd, anders te oordelen dan de tuchtrechters hebben gedaan. Het handelen van de accountants in strijd met de bedoelde normen en gedragsregels betekent volgens de rechtbank in dit geval dat zij tevens onrechtmatig hebben gehandeld jegens de (thans oud-)polishouders van Vie d'Or, omdat de volgens de tuchtrechter geschonden normen in hoge mate overeenkomen met de zorgvuldigheidsnormen die de accountants jegens die polishouders in acht moesten nemen. 10.2 De rechtbank heeft voorts overwogen dat causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de accountants en de schade van de (oud-)polishouders aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onrechtmatig handelen van de accountants, dat bestond uit het onvoldoende uitvoering geven aan hun controlerende en informerende taken, een risico in het leven geroepen dat daardoor schade door derden zou ontstaan, meer in het bijzonder het risico dat bij Vie d'Or een situatie van insolventie zou ontstaan. Dat risico heeft zich ook verwezenlijkt. De accountants hebben niet aangetoond dat dit risico zich ook zou hebben verwezenlijkt indien hun onrechtmatig handelen achterwege zou zijn gebleven. De rechtbank acht het integendeel aannemelijk geworden dat indien de accountants tijdens hun werkzaamheden met betrekking tot de jaarrekening over 1989 correct en zorgvuldig hadden gehandeld, de problemen bij Vie d'Or reeds in die tijd veel duidelijker en dwingender aan de oppervlakte waren gekomen. Omdat de situatie van Vie d'Or destijds nog niet hopeloos was, is juist aannemelijk dat aanmerkingen van de zijde van de accountants, eventueel uitmondend in het onthouden van de goedkeuring aan de jaarrekeningen, veel eerder zouden hebben geleid tot ingrijpender maatregelen van de Verzekeringskamer, zoals het benoemen van een stille bewindvoerder. De rechtbank acht het daarbij van belang dat de perspectieven van overname van Vie d'Or in die fase beduidend gunstiger waren en niet onaannemelijk is dat overname (zonder korting van verplichtingen jegens de polishouders) had kunnen plaatsvinden. De rechtbank heeft dan voor recht verklaard dat de accountants onrechtmatig hebben gehandeld jegens de oud-polishouders van Vie d'Or, met dien verstande dat de rechtbank daarbij de kring van oud-polishouders heeft beperkt overeenkomstig haar oordeel ten aanzien van de uitleg van de statuten van de Stichting. 10.3 Grief I houdt - kort samengevat - in dat de rechtbank ten onrechte bepaalde feiten als vaststaand heeft aangenomen en evenzeer ten onrechte relevante feiten en omstandigheden niet in haar afwegingen heeft betrokken. Deze grief voldoet slechts aan de eis, dat de rechter en de wederpartij daaruit moeten kunnen opmaken welk oordee De rechtbank heeft haar oordeel toereikend gemotiveerd, door te overwegen dat de volgens de tuchtrechter geschonden normen in hoge mate overeenstemmen met de zorgvuldigheidsnormen die de accountants in acht moesten nemen jegens de polishouders van Vie d'Or. Het hof tekent hierbij nog het volgende aan. De Raad van Tucht heeft onder meer en voor zover hier van belang het volgende overwogen: - de administratie van Vie d'Or voldeed op wezenlijke onderdelen niet aan de daaraan te stellen eisen; - in 1989, het jaar waarin de bij Vie d'Or verzekerde kapitalen toenamen van ongeveer ƒ 110 miljoen tot ruim ƒ 2 miljard, ontbrak een administratie van de rekening-courantpositie per tussenpersoon en er was geen interne controle op de volledigheid van de premiebetalingen per polis; - de controlerend accountant kon niet beschikken over adequate informatie omtrent de rekening-courantverhoudingen met de afzonderlijke tussenpersonen en de rechten en verplichtingen jegens de polishouders; - indien de accountant ervoor kiest de raad van commissarissen primair mondeling op de hoogte te stellen van bepaalde belangrijke feiten en omstandigheden, dan dient hij toe te zien op tenminste een juiste vastlegging van hetgeen hij mondeling heeft meegedeeld; dit is in het onderhavige geval niet steeds geschied; - de klacht dat de controle over 1989 niet tot goedkeurende verklaringen had mogen leiden, is gegrond. Hierbij is voorts van belang dat de Ondernemingskamer in zijn beschikking van 9 juli 1989, welke beschikking - behoudens een hier niet terzake doend punt - onherroepelijk is geworden, onder meer het besluit van de raad van commissarissen tot goedkeuring en het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot vaststelling van de jaarrekening van Vie d'Or over 1989 heeft vernietigd omdat deze jaarrekening naar het oordeel van de Ondernemingskamer onjuist was. 10.8 Uit het voorgaande blijkt dat de accountants ernstig hebben gefaald in de uitvoering van hun taak. Onder de gegeven omstandigheden levert dit ook onrechtmatig handelen jegens de polishouders op. De accountants hadden moeten beseffen dat het voor bestaande en toekomstige polishouders van een levensverzekeringsmaatschappij, die met het oog op onder meer een oudedagsvoorziening aanzienlijke bedragen voor langere termijn aan de maatschappij toevertrouwen, van groot belang is dat (a) geen geflatteerd beeld van de jaarrekening wordt gegeven, zoals met betrekking tot het NRG-contract wel is gebeurd, maar ook en bovenal dat (b) de jaarrekening niet wordt voorzien van een goedkeurende verklaring indien die niet behoort te worden afgegeven omdat, zoals in dit geval, de accountants niet konden beschikken over adequate informatie omtrent de rechten en verplichtingen tegenover de polishouders. Ook is het voor bestaande en toekomstige polishouders van groot belang dat de accountants indien daar, zoals in het onderhavige geval, aanleiding voor is, de raad van commissarissen op adequate wijze waarschuwen, opdat tijdig maatregelen zouden kunnen worden genomen om een onjuiste gang van zaken te verbeteren. Ook daarin zijn de accountants tekortgeschoten. 10.9 Grief IV faalt omdat de accountants daar geen belang bij hebben. De accountants vechten in hoger beroep immers niet aan dat er in dit geding van moet worden uitgegaan dat de accountants op de door de Raad van Tucht aangegeven punten in strijd hebben gehandeld met de normen en gedragsregels die gelden voor de beroepsgroep waartoe zij behoren. Nu de juistheid van het oordeel van de Raad van Tucht niet meer ter discussie staat, kan in het midden blijven op welke wijze de Raad van Tucht tot zijn oordeel is gekomen. Het hof merkt nog ten overvloede op dat dezelfde klacht door de accountants ook is aangevoerd in het hoger beroep tegen de uitspraak van de Raad van Tucht bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, en dat deze niet tot vernietiging van die uitspraak heeft geleid. Bij deze stand van zaken is er geen taak meer voor dit hof om deze klac