Rechtspraak 2002-03-05
ECLI:NL:GHSGR:2002:AD9816
ECLI:NL:GHSGR:2002:AD9816 text/xml public 2015-11-10T18:00:18 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AD9816 Gerechtshof 's-Gravenhage 2002-03-05 2200071599 Uitspraak Hoger beroep NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2002:AD9816 text/html public 2013-04-04T17:37:31 2002-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSGR:2002:AD9816 Gerechtshof 's-Gravenhage , 05-03-2002 / 2200071599 - rolnummer 2200071599 parketnummer 0903143396 datum uitspraak 5 maart 2002 tegenspraak GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken ARREST gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 december 1998 in de strafzaak tegen de verdachte: L., 1. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 november 2000, 17 januari 2001, 16 februari 2001, 18 mei 2001, 5 oktober 2001, 22 november 2001, 3 december 2001, 22 januari 2002 en 19 februari 2002. 2. Tenlastelegging Aan L. is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd. 3. Procesgang In eerste aanleg is L. ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier maanden. L. en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 4. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep van de officier van justitie en L. is blijkens mededeling van de advocaat-generaal en de raadsman van L. op de terechtzitting van 14 november 2000 niet gericht tegen de door de rechtbank gegeven (partiële) vrijspraken. Het hof heeft, mede gelet op de redactie van de tenlastelegging, op die terechtzitting besloten de in de inleidende dagvaarding tenlastegelegde verklaringen die in het geheel niet in de bewezenverklaring van de rechtbank zijn opgenomen, buiten het hoger beroep te houden. Waar hierna wordt gesproken van 'de zaak' of 'het vonnis', wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen. 5. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 6. Beslissing omtrent gevoerde verweren 6.1.1.1. Nu bij het niet verschaffen van volstrekte duidelijkheid over de betekenis van het besloten gesprek aan Sapman ontbreekt volgens de verdediging de rechtmatigheid aan deze wijze van verhoor. De Parlementaire Enquête Commissie Opsporingsmethoden (hierna afgekort als: PEC) heeft onrechtmatig gehandeld door relevante informatie die in gesprekken zijn verkregen zonder meer te gebruiken in een aangifte terwijl geen verhoor in de zin van de Wet op de Parlementaire Enquête (hierna afgekort als: WPE) is gevolgd. De PEC heeft in strijd gehandeld met gedane toezeggingen door ondanks de toezegging van vertrouwelijkheid de naam, toenaam en tevens adres van hun bron in een publieke aangifte te vermelden. Van deze onrechtmatige gang van zaken is door het openbaar ministerie in de onderhavige zaak gebruik gemaakt, waardoor er sprake is van een grove (rechtstatelijke) schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het niet nakomen van een toezegging tijdens een, zogenaamd besloten gesprek, dient als onrechtmatig bestempeld te worden. De Schutznorm hoeft in sommige "bijzondere gevallen" geen belemmering te vormen. In casu hebben we van doen met een "bijzonder geval" als bedoeld in HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567. Sapman heeft dus tot tweemaal toe de toezegging gehad strekkende tot geheimhouding. Allereerst door het Rijksrecherche-team bezig met het feitenonderzoek, en de tweede maal door de PEC, tijdens het besloten gesprek. Tot tweemaal toe zijn deze toezeggingen geschonden. Uiteindelijk resultaat van deze schendingen was de aangifte op 1 februari 1996. Van een ongeclausuleerde c.q. onvoorwaardelijke toestemming voor het gebruik van de verklaringe Een sap- en limonadefabrikant, de heer [R.](hof: opgenomen zijn naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, alsook de volledige adresgegevens), heeft in zijn bedrijf in België sappen afkomstig uit dekladingen van door de CID Kennemerland doorgelaten drugstransporten verwerkt. Ook heeft de heer Sapman in 1993 in Ecuador een bedrijf opgericht om sappen te exporteren. De heer Sapman verklaart dat hij dit met de heer V. en de heer L., chef van de regionale criminele inlichtingendienst van het Politiekorps Kennemerland besproken heeft. De heer L. heeft zich volgens Sapman voorgedaan als 'T.'. Hij verklaart ook van hen geld ontvangen te hebben voor het opzetten van een bedrijf in Ecuador. De heer L. verklaart in het verhoor van de commissie op 2 november 1995 nooit over enige betaling aan de heer Sapman gesproken te hebben met V. of daarvan geweten te hebben. De heer L. zou pas in de week voor 2 november 1995, de datum van zijn tweede verhoor voor de enquêteomissie, van enige betalingen gehoord hebben." 6.1.4.2. Bij dit proces-verbaal van meineed zijn (blijkens het proces-verbaal van de Rijksrecherche, blz. 7/8) onder meer gevoegd een fotokopie van het ongecorrigeerde stenografische verslag van het besloten gesprek van de PEC met Sapman op 30 oktober 1995 en het verslag van een door de Rijksrecherche opgenomen en afgeluisterd gesprek tussen Sapman en V. 6.1.4.3. Het ongecorrigeerde stenografische verslag is door de PEC niet aan Sapman ter goedkeuring en/of correctie voorgelegd. 6.1.5. De eerste vraag die beantwoording behoeft, is de vraag of de met opsporing belaste ambtenaren onrechtmatig zijn opgetreden. Het hof stelt allereerst vast dat niet aannemelijk is geworden dat tijdens het feitenonderzoek door de Rijksrecherche aan Sapman met het oog op de door hem af te leggen verklaringen een uitdrukkelijke, ongeclausuleerde toezegging tot (absolute) geheimhouding is gedaan. Wèl is komen vast te staan dat aan alle gehoorde personen, onder wie Sapman, is toegezegd dat de af te leggen verklaringen niet zonder hun toestemming in enig strafrechtelijk onderzoek zouden worden gebruikt. Daarbij zal vooral gedacht zijn aan reeds gepleegde strafbare feiten en niet aan strafbare feiten die in de toekomst zouden worden gepleegd, zoals meineed. Het hof wijst in dit verband op de op 24 juli 1997 ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van rijksrechercheur Koene, die in juli 1995 tot het Fort-team is toegetreden (punt 2), inhoudende: "Ik heb tevoren aan iedereen gezegd waar we mee bezig waren, te weten een oriënterend feitenonderzoek. Ik heb ook gezegd overeenkomstig de in het team afgesproken lijn dat als we een afgenomen verhoor in enig strafrechtelijk onderzoek zouden willen gebruiken, we zouden terugkomen om te vragen of de getuige daar toestemming voor gaf." Het hof refereert voorts aan de mededelingen van het openbaar ministerie in eerste aanleg (zie het schriftelijk requisitoir van de officier van justitie mr. Slits, blz. 7) en in hoger beroep (zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 december 2001, blz. 3), waarin die toezegging is bevestigd. De Rijksrecherche heeft derhalve geen toezegging geschonden door de PEC te informeren over de door Sapman in het feitenonderzoek afgelegde verklaringen en de PEC inzage te verschaffen in die verklaringen. De Rijksrecherche was daartoe zelfs verplicht, gelet op de informatieplicht vervat in artikel 3 WPE en de op grond van die wetsbepaling door de toenmalige Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken in februari 1995 met de PEC gemaakte afspraken, onder meer inhoudende dat de commissie, in de persoon van haar voorzitter of bij ontstentenis de vice-voorzitter, alle gegevens die ter kennis komen van de commissie of haar medewerkers kan verifiëren door kennisname van niet-geanonimiseerde en niet-gecodeerde gegevens2. De door Sapman tijdens het feitenonderzoek afgelegde verklaringen zijn derhalve op rechtmatige wijze ter kennis van de PEC gekomen. Van enig on 31/32) van het eindrapport van de PEC "Inzake opsporing", blijkt dat ter voorbereiding van die formele verhoren vele (voor)gesprekken door de commissie zijn gevoerd (die op hun beurt mede door interviews werden voorbereid). Die voorgesprekken, door in beginsel de voltallige commissie, "hadden een besloten, vertrouwelijk karakter. Van een gesprek vervaardigde de Stenografische dienst der Staten-Generaal een woordelijk verslag, dat aan de gesprekspartners ter goedkeuring werd voorgelegd".4 Op die gesprekken is de regeling van de verhoren in de PEC niet van toepassing; zij dragen dus een informeel karakter. 6.1.6.5. De WPE verzet zich volgens het hof niet tegen het voeren van genoemde besloten gesprekken, op basis van vrijwilligheid. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 1 juli 1991, Stb. 415, tot wijziging van de WPE, waarbij aan de vaste praktijk van een aan de verhoren voorafgaand dossieronderzoek een formeel-wettelijke basis werd gegeven5, blijkt niet dat de wetgever slechts informatieverschaffing door getuigen en deskundigen heeft willen toelaten. Zo stelden de indieners van het wetsvoorstel in hun memorie van antwoord6: "Voorts willen wij hier nog graag wijzen op een functie van de zgn. informele gesprekken met potentiële getuigen en deskundigen, die de drie na-oorlogse enquêtecommissies in hun procedures hadden opgenomen. Naast een middel voor de commissie om het ‹‹ informatieterrein›› te verkennen konden deze gesprekken ook als middel voor de getuigen en deskundigen dienen om zich, zij het in de beslotenheid, voor te bereiden op de gang van zaken tijdens de verhoren". De besloten gesprekken dienen dus onder meer "om het informatieterrein te verkennen" en maken deel uit van de procedures van alle na-oorlogse parlementaire enquêtecommissies. Aangenomen moet worden dat de wetgever het in 1991 nog niet nodig heeft geoordeeld om aan die informele gesprekken een formeel-wettelijke basis te verschaffen. Het stellen van vragen vindt immers zijn legitimatie in het informatierecht dat ieder lid van de Staten-Generaal op grond van de aard van zijn functie heeft. Zie ook de verklaring van de deskundige prof. Boon ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 (blz. 12). De onderzoeksmethoden van parlementaire enquêtecommissies hebben zich sedert de totstandkoming van genoemde wet verder ontwikkeld. Uit de verklaring van de getuige De Graaf is gebleken dat door de PEC is afgezien van besloten verhoren in verband met de daaraan volgens deze commissie gekoppelde geheimhoudingsplicht. Juist in verband met de aard van het door haar te onderzoeken onderwerp heeft de PEC gebruik gemaakt van het besloten gesprek. Overigens heeft dit de PEC ertoe gebracht in haar Eindrapport te adviseren om de WPE in die zin te wijzigen dat de mogelijkheid moet worden geopend om "in zeer uitzonderlijke gevallen van een besloten verhoor onder ede een openbaar verslag te publiceren". In tegenstelling tot voorgaande enquêtecommissies heeft de PEC zich daarbij op het standpunt gesteld dat artikel 18b, eerste lid, WPE niet de mogelijkheid biedt tot het openbaar maken van een verslag van een besloten verhoor7. Volgens het hof kan hier worden gesproken van een voortschrijdend inzicht van de elkaar opvolgende parlementaire enquêtecommissies omtrent de te volgen procedures en te hanteren onderzoeksmethoden8. Contra legem is de praktijk van het besloten gesprek niet, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, omdat voorop blijft staan dat "de volksvertegenwoordiging in ons staatsbestel het recht en vooral de plicht heeft alle inlichtingen te verkrijgen die nodig zijn om de waarheid te ontdekken"9. De stelling van de verdediging dat aan het besloten gesprek de rechtmatigheid ontbreekt wordt door het hof, gelet op het vorenoverwogene, niet onderschreven. 6.1.6.6. Gelet op de informele status van het besloten gesprek kan een dergelijk gesprek uitsluitend op basis van vrijwilligheid plaatsvinden. Een besloten gesprek valt naar haar aard in beginsel bin 53): "Mijnheer Sapman, wij zullen uw naam helemaal niet noemen, want daar kunt u schade van lijden. Dat zou niet goed kunnen zijn. Maar de dingen die u nu vertelt, dat kunnen wij wel aan V. en L. vragen en ze daarmee confronteren", waarop Sapman antwoordde: "Natuurlijk. Als V. daar zou zitten en ik daar, zou ik hem recht in zijn gezicht vertellen als hij blijft liegen. Ik ben een eerlijk mens. Je moet niet liegen. Alles moet toch verteld worden tegen u?" De voorzitter sprak daarop: "Dat is te hopen, ja. Maar u wilt dat zelf niet vertellen in het openbaar." Sapman antwoordde: "Omdat mijn belang anders is." De voorzitter vervolgde: "Voor een boel mensen is het niet in hun belang om bij ons te komen in het openbaar. Wij kunnen met u meer rekening houden, maar u wilt dat ook absoluut niet?" Sapman antwoordde: "Neen, ik moet verder. Maar als ik hier geconfronteerd word, als dat nodig is om de waarheid te vertellen." De voorzitter voegde daar nog aan toe: "Wij zetten u niet onder ede. Dat heeft ook een speciale reden, want dan zouden wij het eigenlijk helemaal niet gebruiken. Dan moet het sowieso helemaal geheim, alleen maar onder ons blijven. Wij kunnen er niet eens iemand mee confronteren, dus daarom doen wij dat niet. Maar alles wat u hier gezegd heeft, daar zou u ook voor zweren? U hoeft dat niet te doen, maar zou u dat wel doen?" Sapman antwoordde vervolgens bevestigend. In het vervolg van het gesprek verklaarde Sapman (blz.66): "Ik heb gemeend de volledige waarheid te vertellen. Ik vind dat Haarlem ook de waarheid moet vertellen. Als u mij daarvoor nodig heeft in kruisverhoor, kom ik meteen. Dat is één. Twee, maar dat heeft u al verteld: wilt u er rekening mee houden dat na van Traa, sorry dat ik het zo zeg, er nog meer leven is. Iets verderop doet Sapman de suggestie om hem maar 'limonadefabrikant' te noemen (blz. 66). Nadien vroeg de voorzitter nog eens (blz. 67): "Maar goed, u heeft er geen bezwaar tegen dat wij de heren confronteren met uw waarheid?", waarop Sapman antwoordde: "Dat moet u doen". De voorzitter sprak vervolgens: "Maar dat is voor een deel ook in het openbaar, zij het dat wij uw naam afschermen", waarop Sapman antwoordde: "Ik hoop dat V. dan niet met mijn naam naar boven komt om een of andere reden". De voorzitter zei vervolgens: Maar dat moet u zich wel goed realiseren, want zo moeten wij, misschien helaas voor u, wel ons werk doen. Wij begrijpen dat het in uw belang is, in het belang van uw privacy, om dat deel af te schermen dat u anders zou kunnen beschadigen. Maar er zijn hier natuurlijk wel een paar dingen over tafel gegaan waar wij de mensen mee moeten confronteren." Sapman antwoordde: "Moet dat allemaal in het openbaar?", waarop de voorzitter antwoordde: "Het principe, ja.". 6.1.6.9. Uit het verslag van het besloten gesprek valt af te leiden dat Sapman na enig sturend optreden van de toenmalige voorzitter van de PEC wel inzag dat L. en V. tijdens de openbare verhoren zouden worden geconfronteerd met de door hem tijdens het besloten gesprek afgelegde verklaring en dat hij daar geen bezwaar tegen had, zij het dat hij zich bij voortduring bezorgd toonde voor zijn eigen veiligheid. Met het oog op die veiligheid is hem door de toenmalige voorzitter van de PEC toegezegd dat hij niet in het openbaar zou worden verhoord en dat hij bij de openbare verhoren als limonadefabrikant zou worden aangeduid. Aldus zou de persoonlijke levenssfeer van Sapman ook niet worden geschonden, aangezien immers geen gegevens zouden worden geopenbaard die zouden leiden tot identificeerbare individuele gegevens van Sapman. 6.1.6.10. Uit de processen-verbaal van de openbare verhoren van L. en V. blijkt naar 's hofs oordeel genoegzaam dat de PEC deze beperkte mate van vertrouwelijkheid in acht genomen heeft. 6.1.6.11. Niet is gebleken dat Sapman voor, tijdens dan wel na het besloten gesprek op 30 oktober 1995 toestemming heeft gegeven om diens persoonsgegevens in combinatie met de door hem verstrekte informatie op te nemen in de aang in de hoedanigheid van getuige tijdens een openbaar verhoor ten overstaan van de PEC onder ede werden gehoord - daarvan aangifte heeft gedaan en dit belang op dat moment zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van Sapman en zijn gezin. Overigens beschikte het openbaar ministerie ten tijde van de aangifte al uit anderen hoofde over alle gegevens uit het 'saptraject', inclusief de naam en verdere persoons- en adresgegevens van Sapman. 6.1.6.14. Nu de openbare verhoren van L. en V. aanstaande waren en er een gerede kans bestond dat zij bij hun eerder in het feitenonderzoek en bij de besloten gesprekken ten overstaan van de PEC afgelegde verklaringen zouden blijven, moet het voor de PEC duidelijk zijn geweest dat, als L. en V. tijdens de openbare verhoren de reeds door hen afgelegde verklaringen zouden bevestigen, een verdenking terzake van meineed zou kunnen ontstaan en bij het opmaken van een proces-verbaal van meineed de persoonsgegevens van Sapman niet zouden kunnen worden gemist. Daar staat tegenover dat de PEC jegens L. en V. blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, indien zij Sapman vooraf erop zou hebben geattendeerd dat, als L. en V. de door hen afgelegde verklaringen zouden bevestigen, mogelijk jegens hen aangifte van meineed zou worden gedaan. Het valt mitsdien te billijken dat de PEC tijdens het besloten gesprek van Sapman ervan heeft afgezien Sapman zelf te informeren hoe eventueel met zijn persoonsgegeven en de door hem verstrekte informatie zou kunnen worden omgegaan indien L. en V. bij de door hen afgelegde verklaringen tijdens de openbare verhoren zouden persisteren. 6.1.6.15. Het had volgens het hof de voorkeur verdiend indien de PEC voorafgaand aan alle besloten gesprekken, juist nu een besloten gesprek zo'n informeel en vertrouwelijk karakter heeft, aan betrokkenen zou hebben meegedeeld dat er niet zonder meer van mocht worden uitgegaan dat geheimhouding zou worden betracht ingeval tijdens een openbaar of besloten verhoor van een getuige een verdenking van meineed zou ontstaan. Betrokkene zou dan op grond van de gegeven informatie de vrijheid hebben gehad om geheel of gedeeltelijk af te zien van het afleggen van een verklaring. Het zou volgens het hof jegens Sapman van een zorgvuldig overheidsoptreden hebben getuigd indien de PEC hem - voordat aangifte werd gedaan - daarover zou hebben geïnformeerd. Het hof kan zich - gelet op de veelvuldige contacten tussen de Rijksrecherche en Sapman - niet voorstellen dat hij met het oog hierop voor de PEC niet bereikbaar zou zijn geweest. Zoals reeds overwogen, was toestemming van Sapman niet vereist, vanwege het zwaarder wegende belang van het strafrechtelijke onderzoek terzake van meineed door V. en L.. Van enig als onrechtmatig te kwalificeren optreden van de PEC is derhalve in de zienswijze van het hof geen sprake geweest. Reeds aan de eerste voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging gestelde voorwaarde, te weten onrechtmatig optreden van de PEC, is dus volgens het hof niet voldaan. 6.1.6.16. Het hof overweegt voorts nog het volgende. Door het doen van aangifte door de PEC nam het strafrechtelijk onderzoek terzake van meineed een aanvang. De enkele opneming in die aangifte van de persoonsgegevens van Sapman in combinatie met de door hem vertrouwelijk verstrekte informatie behoeft op zichzelf nog geen ernstig gevaar voor de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van Sapman en zijn gezin op te leveren. Van enige openbaarmaking van die persoonsgegevens die een dergelijk gevaar zouden kunnen veroorzaken was ten tijde van de aangifte geen sprake. De PEC mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat ook de wettelijke regeling van het strafproces voldoende waarborgen bood om de identiteit van Sapman geheim te houden. De getuige Coenen, de toenmalige griffier van de PEC, heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2001 verklaard dat tijdens de persconfer Het hof heeft bij tussenarrest van 28 november 2000 (§ 4.4 en § 5.4) dienaangaande nader onderzoek door de advocaat-generaal mr Cremers gelast, die destijds mede leiding gaf aan het Fort-team. Daarbij heeft de verdediging mr. Cremers uitgebreid (schriftelijk) kunnen bevragen. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een tweetal rapporten d.d. 18 januari en 7 februari 2001, waarin mr. Cremers verslag doet van zijn onderzoek in het dossier van het Fort-team. De verdediging heeft vervolgens bij faxbericht van 31 oktober 2001 opnieuw verzocht het integrale Fort-team dossier aan het strafdossier toe te voegen, op welk verzoek het hof ter terechtzitting van 22 november 2001 afwijzend heeft beslist (blz. 6 p.v.). Het hof verwerpt daarom de klacht dat de verdediging ontlastend materiaal is onthouden op de gronden die daarvoor ter terechtzitting van 22 november 2001 zijn gegeven, in samenhang met de overwegingen die - blijkens het tussenarrest van 28 november 2000 - ten grondslag lagen aan de destijds door het hof gevolgde wijze van onderzoek. Deze motivering en overwegingen beschouwt het hof als hier herhaald en ingelast. Het hof wijst er overigens op dat het onderdeel van de tenlastelegging waarop de klacht in het bijzonder betrekking heeft - te weten dat L. in strijd met de waarheid heeft verklaard dat Sapman al geruime tijd voor L.'s vertrek bij de RCID Kennemerland als informant was afgebouwd - door het hof niet wettig en overtuigend bewezen wordt geacht, zodat reeds daarom elk redelijk verdedigingsbelang ontbreekt. 6.3.1. Tenslotte betoogt de verdediging nog dat de typering van het Fort-team dossier tot "staatsgeheim" voor oneigenlijke doeleinden is gebruikt. De kwalificatie "staatsgeheim" stond er niet aan in de weg dat, na de vereiste toestemming, door opsporingsinstanties wel stukken uit het archief konden worden verkregen. Deze onacceptabele gang van zaken doet afbreuk aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde beginsel van "equality of arms". Gezien de hiervoor geschetste onrechtmatige gang van zaken is de verdediging onredelijk geschaad en is geen sprake is geweest van een "fair trial" in de zin van artikel 6 EVRM. 6.3.2. De klacht dat de rubricering 'staatsgeheim' voor oneigenlijke doeleinden is gebruikt en tot onredelijke schade voor en ongelijke behandeling van de verdediging heeft geleid, stuit reeds af op het gegeven dat een strafdossier onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie wordt samengesteld en - per definitie - een selectie inhoudt van het mogelijk relevante onderzoeksmateriaal. Bovendien is tijdens de behandeling in hoger beroep op generlei wijze gebleken - niet alleen gelet de verklaring van die officier van justitie, mr. Slits, ter terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2000 (in de oude samenstelling), maar ook gelet op de uitkomsten van het nader in opdracht van het hof ingestelde onderzoek - dat het proces-verbaal van het door de Rijksrecherche ingestelde (strafrechtelijke) onderzoek selectief is geweest ten opzichte van het gebruik van gegevens uit het feitenonderzoek, laat staan dat daarbij enige verkorting van de verdedigingsrechten zou zijn beoogd. 7. Bewezenverklaring 7.1. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat L. het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt. Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. L. moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is L. daardoor niet geschaad in de verdediging. BIJLAGE: dat hij op 02 november 1995 te 's-Gravenhage als getuige in zijn openbare verhoor door de Parlementaire Enquête Commissie Opsporingsmethoden (de zogenaamde Commissie van Traa), nadat hij ten overstaan van deze Commissie de eed overeenkomstig de bepaling van art. 8 lid 1 en 2 Wet op de Parlementaire Enquête had afgelegd, in zijn De heer L., heeft, na op de wijze bij de wet bepaald in handen van de voorzitter van de commissie de eed te hebben afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, verklaard hetgeen is weergegeven in de aan dit proces-verbaal gehechte en daarvan deel uitmakende aantekeningen, welke getuige na lezing heeft ondertekend. 9.3. Het stenografisch verslag van het openbaar verhoor van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden op 2 november 1995 in de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Generaal te Den Haag, voor zover inhoudende: Verhoord wordt de heer L. De voorzitter: Ik wil graag met u overgaan naar het zogenaamde sap-traject. Wordt de sap- en limonademan een informant? De heer L.: Deze man wordt een informant van de RCID Kennemerland. De voorzitter: Mag ik u vragen met wie u deze informant, deze limonade- en sapfabrikant, gerund hebt? De heer L.: Deze sapman is gerund door drie man van de RCID Kennemerland, waarvan ik er één ben. De voorzitter: Daar bent u er één van. Wie waren de andere twee? De heer L.: De een is de heer V. en de ander een medewerker van de RCID Kennemerland. De heer De Graaf: U hebt eerder gezegd dat u dit niet deed als chef van de CID, behalve bij een belangrijke informant in het Delta-traject. Dat is echter niet deze limonadefabrikant. Hier hebt u het dus ook gedaan? De heer L.: Incidenteel. De heer De Graaf: Waarom? De heer L.: Deze man gaf zeer specifieke en goede informatie die wij gebruikten in het Delta-traject. De heer De Graaf: Dat zal best, maar dat hadden uw CID-runners toch ook kunnen doen. Die waren toch ook betrokken bij het Delta-traject? De heer L.: Tja... De heer De Graaf: Daar is ook geen verklaring voor? De heer L.: Nou, geen verklaring voor... Vorige keer is door de commissie gevraagd of het niet normaal is dat er af en toe een CID-chef meegaat. Dat is ook normaal. Bij deze specifieke man met deze specifieke kennis heb ik vaker deel uitgemaakt van het tweemanschap. De voorzitter: Is het ook zo dat u eind november toestemming hebt gegeven om de personennaam van een van de dekmantels te gebruiken voor het openen van een borgrekening voor het bedrijf van deze persoon? De heer L.: Dat is juist. Hij had alleen een niet-Nederlandse cover-naam nodig. En die hebben wij hem aangereikt. Daarmee was de continuïteit van zijn bedrijf verzekerd. Dat was het belang dat wij in de zaak hadden. Wij hadden er belang bij dat zijn bedrijf in stand bleef, omdat wij continu of zeer regelmatig vruchtensappen transporteerden naar zijn bedrijf. Ik neem aan dat het november 1992 geweest moet zijn. U hebt het gehad over eind november 1992. Neen, dat kan niet. Het is eind 1993. De voorzitter: De limonademan zegt dat hij vanaf 1993 betalingen heeft gekregen via V. Hij zegt echter ook dat u hem betalingen hebt aangeboden. De heer L.: Dit is absolute waanzin. Ik heb deze man nimmer geld gegeven. Er is ook niet in mijn bijzijn geld over tafel gegaan naar deze man. (..) Zoals ik al zei zijn er onder mijn leiding of in mijn bijzijn geen betalingen verricht door de heer V. De voorzitter: Weet u of V. wel betalingen heeft gedaan aan deze man? De heer L.: Daar hebben wij het afgelopen dinsdag uitgebreid over gehad. Dat is echter gebeurd op een moment dat V. al weg was bij de politie. Het is dus niet onder mijn leiding gebeurd. De voorzitter: En daar hebt u nooit van geweten, zegt u? De heer L.: Ik ben daarmee geconfronteerd door de rijksrecherche op, als ik het goed heb, donderdag of vrijdag een week geleden. Daarna is het verhoor door de rijksrecherche afgebroken en heb ik mij in verbinding gesteld met V.. Toen heb ik het verhaal van hem gehoord. De voorzitter: Hebt u nooit meer met V. over deze limonadefabrikant gesproken, nadat V. de dienst verlaten had? De heer L.: Ik heb na die tijd nog regelmatig met V. gesproken, dus uiteraard ook over deze limonademan. De voorzitter: Precies. U zegt echter: ik heb daarbij nooit gesproken over geld dat betaald is. De heer L.: Neen, wij hebben daar niet ov Ik had deze constructie van tevoren zelf uitgedacht en besproken met mijn bank. T. ging akkoord met dit voorstel. V. maakte zijn koffertje open en haalde daar geld uit en gaf mij vervolgens een bundeltje met bankbiljetten van ƒ 1.000,-. Met het geld ben ik naar het toilet gegaan en heb het daar geteld. Ik telde 200 bankbiljetten van ƒ 1.000,-. 9.5. Een ambtsedig proces-verbaal van het Fort-Team Rijksrecherche betreffende verhoor van getuige op 5 juli 1995 opgemaakt en ondertekend door J.B.A. de Wit en W.T. Deinum voornoemd, voorzover inhoudende als de op 16 juni 1995 afgelegde verklaring van Sapman (blz. 102 t/m 108): Terugbladerend in mijn agenda van 1993, die ik nu heb meegenomen, zie ik dat ik toen de personalia en bedrijfsnaam van T. overgenomen heb. Het betreft hier volgens zijn opgave: T. Kort na de betaling van die ƒ 200.000,- in maart 1993 werd bij ontmoetingen in Haarlem tussen L., V. en mij, gesproken over het importeren van fruit uit Zuid Amerika. L., die ik in deze periode nog steeds kende als T., was meestal bij deze besprekingen aanwezig maar V. was de woordvoerder. V. vertelde mij dat het importeren als doel had het bestuderen van het traject. De goederen zouden door T. geïmporteerd worden waarna "Myrey" ze vervolgens moest verwerken. Op aangeven van V. en T. heb ik op of omstreeks 24 mei 1993 een aantal bestellingen gedaan. Ik vertelde dat tijdens een bespreking met V. en T. waarop T. mij vroeg hoeveel ik nodig had. Ik gaf aan dat dit wel ƒ 50.000,- was waarop T. antwoordde dat dit geen probleem was. De volgende dag, vermoedelijk 25 mei 1993 omstreeks 22.00 uur, trof ik V. in Haarlem. In de auto overhandigde V. mij ƒ 50.000,-. Vanaf dat moment begon V. en dus ook T., "Myrey", te financieren. Ik kreeg in de tijd daarop volgend bijna elke twee á drie weken geld van V. Die overdracht vond altijd plaats in Haarlem volgens de standaard procedure. In de bar van het Carlton Square Hotel vertelde ik V. wat ik met het geld gedaan had, ik gaf hem daar ook schriftelijk een verantwoording over welke, volgens V., voor de boekhouder van hem bestemd was. Daarna gingen wij samen naar buiten waar ik dan het geld kreeg van V. of in zijn auto of daarbuiten. Bij deze gesprekken zat meestal ook T. Per keer kreeg ik 20 á 30 duizend gulden. We praten nu over de periode maart tot oktober 1993. Elke keer was dat contant en haast altijd in bankbiljetten van ƒ 1.000,-. Een enkele keer waren het briefjes van ƒ 250,-. Eind september, begin oktober 1993 begonnen V. en T. met mij te praten om een project in Zuid Amerika te starten. Half oktober 1993 kwam T. bij ons op de fabriek in Essen. Hij was samen met, tot onze verbazing, een vrouw die aan ons werd voorgesteld als Nelleke L. Zij zou met mijn vrouw meereizen naar Miami. Volgens T. sprak ze vloeiend Spaans. Ik ben hierna op 17 december 1993, volgens mijn paspoort, alleen teruggevlogen naar Nederland en heb diezelfde nacht nog verslag uitgebracht aan T. en V. te Haarlem. Later in diezelfde maand is T. samen met V. bij mij thuis in Kapelle geweest om over het project te praten. Mijn broer Paul zag T. toen ook. 9.6. Een ambtsedig proces-verbaal van het Fort-Team Rijksrecherche betreffende verhoor van getuige op 5 juli 1995 opgemaakt en ondertekend door J.B.A. de Wit en W.T. Deinum, voorzover inhoudende als de op 19 juni 1995 afgelegde verklaring van Sapman (blz. 109 t/m 119): In januari 1994 kon ik daadwerkelijk een begin maken met de feitelijke opbouw van het bedrijf, zoals wij het voor ogen hadden in Ecuador. Na uitgebreid gesproken te hebben met V. en T. over de opzet van het één en ander, wat gebeurde rond 2 januari 1994, vertrok ik op 4 januari 1994 in gezelschap van Nelleke L. naar Ecuador. Ten behoeve van de eerste kosten kreeg ik van V. ƒ 50.000,- of ƒ 75.000,- mee. In het algemeen spraken wij af te Haarlem of in het Novotel te Rotterdam. V. was haast altijd alleen. Slechts een enkele keer was hij vergezeld van T. Op de parkeerplaats van het hotel, in de auto van V., kreeg ik dan mee Ik heb in het bedrijf van mijn broer gewerkt. U vraagt mij of dat in 1993 geweest kan zijn. Dat kan. U vraagt mij of het bedrijf Myrey heette. Dat klopt. Mijn broer vertelde dat hij financiering verkreeg via de Nederlandse politie. Hij heeft gezegd dat hij van de politie behoorlijke bedragen kreeg. Eenmaal heb ik in het kantoortje op het bedrijf een dikke enveloppe gezien waarin geld zat. Mijn broer zei dat dat geld was dat hij de dag daarvoor gekregen had. Het waren allemaal duizendjes. Mijn broer heeft ook de namen van de politieagenten genoemd: V en T. Ik heb de beide personen ook een keer gezien. Wij hebben toen met zijn vieren een gesprek gehad in het kantoortje van mijn broer. De heren zijn mij voorgesteld als de mensen van de politie die achter het gebeuren zaten. Het gesprek ging aan de hand van een plan dat op papier werd uitgetekend door een van de politiemensen. Een van de twee politiemannen deed het woord. Er zouden twee vestigingen komen, een in België en een in een land in Zuid-Amerika. U vraagt mij of het Ecuador was. Dat klopt. Mijn broer is naar Ecuador vertrokken, samen met zijn vrouw en nog een vrouw. Zij hoorde bij die twee mannen. Naderhand werd mij duidelijk dat zij L. heette. Toen bleek dat zij de zus was van de politieman die zich T. had genoemd. Mijn broer ging eenmaal per week of veertien dagen 's avonds weg. Hij vertelde dat hij dan naar Haarlem ging. 9.11. Een proces-verbaal, op 19 januari 1998 opgemaakt door I. Moyersoen, onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, in aanwezigheid van de rechter-commissaris mr A.V. van den Berg (arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage), inhoudende als de op die datum afgelegde verklaring van Sapvrouw: Ik ken de naam T. Ik heb die van V. gehoord voordat het Ecuadorproject startte. Ik ben later te weten gekomen dat T. en L. dezelfde persoon waren. V. heb ik voor het eerst gezien op de fabriek waar mijn man in Nederland werkte, Laura Products in St. Maartensdijk. Dat was ongeveer tien jaar of minder geleden. L. heb ik rond 1993 voor het eerst gezien, in een café in Haarlem. L. wilde aan Sapman en mij een project in Ecuador uitleggen. V. en mijn man zijn ook bij dat gesprek aanwezig geweest. L. voerde voornamelijk het woord. Ik heb L. verder nog één keer gezien. Dat was op de fabriek van Myrey in Essen (België), voor het project in Ecuador startte. V. heb ik veel vaker gezien. Ik zag hem om de twee à drie maanden. Ik heb hem in Nederland en in België gezien, op de fabriek van Myrey en thuis. In Nederland was het meestal in Haarlem maar ook wel elders. 9.12. Een ambtsedig proces-verbaal van het Fort-Team Rijksrecherche betreffende verhoor van getuige op 10 november 1995 opgemaakt en ondertekend door H.P.C. Koene en W.T. Deinum voornoemd, voorzover inhoudende als de op 20 oktober, 24 oktober en 31 oktober 1995 afgelegde verklaring van Sapvrouw (blz 313 t/m 326): Eenmaal heb ikzelf geld van V. ontvangen. Dat was in maart 1994. Sapman had aan V. gevraagd of het goed was wanneer ik het geld zou ophalen. V. had, toen hij de bar van Novotel binnenkwam, al een koffertje bij zich. In mijn auto opende hij zijn koffer en haalde een blauw kleurige plastic zak uit zijn koffer en gaf deze zak aan mij. Ik heb in de zak gekeken en zag dat er veel geld in deze zak zat. Het waren allemaal Nederlandse bankbiljetten van ƒ 1000,-. Elke keer als we naar Ecuador gingen, vond er een overdracht van geld plaats tussen V. en/of L. Ik hoorde dat van Sapman en zag ook dat wanneer hij terugkwam van een afspraak met V. en/of L. hij geld had ontvangen. 9.13. Een deskundigenrapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie, met bijlagen, nummer 95.12.20.030, d.d. 16 februari 1996, opgemaakt door drs W.P.F. Fagel, schriftexpert, opgemaakt op de door hem afgelegde belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende: ONTVANGEN MATERIAAL Op diverse data tussen 6 december 1995 en 2 februari 1996 werden ontvangen van de Rijksrecherche Amsterdam: 1. Voorgaande bevindingen zijn in beide gevallen niet voldoende om de betrokken handtekeningen op zichzelf genomen met een der gebruikelijke waarschijnlijkheidsgraden (zie bijlage "De vergelijkingsmethode", paragraaf III) aan V. respectievelijk L. toe te schrijven. Worden echter ook de in bijlage II en III getoonde invullingen en bijschriften in de vergelijking betrokken, dan neemt het aantal aanknopingspunten voor vergelijking sterk toe, waardoor verdergaande uitspraken mogelijk worden. Bij vergelijking van de in bijlage II getoonde invullingen en bijschriften, die zoals eerder opgemerkt vermoedelijk van dezelfde hand zijn als de tot groep B1 behorende handtekeningen in deze bijlage, met het van V. beschikbare vergelijkingsmateriaal zijn overeenkomsten of sporen daarvan waargenomen in onder andere het bewegingsverloop van de letters D, R, K, d, g, k, 1 en w, de lettercombinaties in, on en ri, en de cijfers 3, 4, 5, 7, 8 en 9. Een aantal letters kon niet worden vergeleken omdat zij niet in het beschikbare vergelijkingsmateriaal van betrokkene voorkomen. Onder de aanname dat de in bijlage II getoonde handtekeningen en invullingen c.q. bijschriften van één hand zijn, kan op grond van de combinatie van daarin geconstateerde overeenkomsten met het handschrift van J. V. worden geconcludeerd dat de betrokken handtekeningen, invullingen en bijschriften, die zich bevinden op de stukken I/1, I/2, I/3, I/11, 1/12 en 1/13, waarschijnlijk zijn geproduceerd door V. De conclusies met betrekking tot de schrijveridentificatie worden uitgedrukt in waarschijnlijkheidsgraden. Daarbij geeft de uitdrukking "met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" de meest verregaande mate van identificatie aan, gevolgd door hoogstwaarschijnlijk, waarschijnlijk, zeer wel mogelijk en mogelijk. Deze conclusies worden zowel in positieve als in negatieve zin gehanteerd'. Bij vergelijking van de in bijlage III getoonde bijschriften "GELEZEN EN GOEDGEKEURD" met het van L. beschikbare vergelijkingshandschrift zijn overeenkomsten of sporen daarvan waargenomen in het bewegingsverloop van alle in de bijschriften voorkomende letters met uitzondering van de letters K en N. Onder de aanname dat de in bijlage III getoonde handtekeningen en bijschriften van één hand zijn, kan op grond van de combinatie van daarin geconstateerde overeenkomsten met het handschrift van K.P. L. worden geconcludeerd dat de betrokken handtekeningen en bijschriften zeer wel mogelijk zijn geproduceerd door L. SAMENVATTING De betwiste handtekeningen zijn in twee groepen te verdelen. Groep 1 is weergegeven in bijlage II, groep 2 in bijlage III. De handtekeningen in groep 1 vertonen sporen van overeenkomst met het beschikbare handschrift van V., de handtekeningen in groep 2 met het handschrift van L. In beide gevallen zijn de geconstateerde sporen van overeenkomst evenwel onvoldoende om de handtekeningen in kwestie met een der gebruikelijke waarschijnlijkheidsgraden aan de betrokkene toe te kunnen schrijven. Worden ook de in bijlage II en III getoonde invullingen en bijschriften in de vergelijking betrokken, dan kan worden geconcludeerd dat: - de handtekeningen, invullingen en bijschriften weergegeven in bijlage II en voorkomend op de stukken genoemd in bijlage I bij de volgnummers 1, 2, 3, 11, 12 en 13 als een geheel genomen waarschijnlijk zijn geproduceerd door V.; - de handtekeningen en bijschriften weergegeven in bijlage III en voorkomend op de stukken genoemd in bijlage I bij de volgnummers 4 tot en met 10 als een geheel genomen zeer wel mogelijk zijn geproduceerd door L. Bijlage I Overzicht betwiste stukken (Stukken gerangschikt in chronologische volgorde, afgaande op de datum van deze stukken.) Volgnr. Omschrijving Datering 1. Inschrijvingsformulier Handelsregister Kamer van Koophandel en Fabrieken te Haarlem, betreffende onderneming T. 15-03-93 2. Getuigschrift Roerende Voorheffing van de N.V. Spaarkrediet 26-04-93 3. Kontrakt van Service-krediet van de N.V. Spaarkrediet 05-05-93 4. Verklaring Bewijsoverweging De getuige Sapman heeft talrijke verklaringen afgelegd, tegenover Barendregt en de Rijksrecherche, de PEC, de rechter-commissaris in het gerechtelijk vooronderzoek in de onderhavige strafzaak en tenslotte ten overstaan van het hof. De getuige is in essentie consistent geweest in alle tegenover genoemde instanties afgelegde verklaringen. De getuige heeft alle hem gestelde vragen tijdens de vele, soms langdurige verhoren in details beantwoord. Het hof acht de door de getuige Sapman afgelegde verklaringen in ieder geval voldoende betrouwbaar voor zover zij betrekking hebben op de door het hof bewezen geachte feiten, in aanmerking genomen dat in andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen voor de juistheid van die verklaringen voldoende steun kan worden gevonden. Het hof heeft de overtuiging gekregen dat de verklaringen van de getuige Sapman in zoverre op waarheid en de in de bewezenverklaring opgenomen verklaringen van L. op onwaarheid berusten. 11. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Als getuige in een onder ede voor een commissie van onderzoek als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet op de Parlementaire Enquête afgelegde verklaring feiten tegen de waarheid voordragen, meermalen gepleegd. 12. Strafbaarheid van L. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van L. uitsluit. L. is dus strafbaar. 13. Strafmotivering 13.1. De advocaat-generaal mr Van der Horst heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat L. ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 13.2. Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van L. zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. 13.3. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. L. heeft zich als getuige ten overstaan van de PEC schuldig gemaakt aan verschillende meineden. Hij heeft in strijd met de op hem als getuige rustende verplichting gehandeld door tijdens een openbaar verhoor onder ede in strijd met de waarheid verklaringen af te leggen. Aldus heeft hij het aan het Parlement toekomende grondwettelijke recht op enquête gefrustreerd. Het welbewust bemantelen van de waarheid ten overstaan van een parlementaire enquêtecommissie, die in staat moet zijn om de waarheid, in casu inzake de hantering van opsporingsmethoden, te achterhalen ten einde bewindslieden ter verantwoording te roepen dan wel bestuurlijke en/of wetgevende maatregelen te initiëren, kan in een democratische rechtsstaat niet worden getolereerd. Dit klemt des te meer, nu L. tot 1 september 1994 leiding gaf aan de RCID Kennemerland en ten tijde van de bewezenverklaarde meineden als projectleider aan het Kernteam Randstad Noord en Midden was verbonden. Hij had derhalve had behoren te weten hoe zeer het algemeen belang toen vereiste dat de waarheid inzake de in het IRT-tijdperk gebezigde opsporingsmethoden boven tafel kwam, opdat op dat terrein adequate wetgevende en bestuurlijke maatregelen konden worden genomen, en dat de daarvoor benodigde feiten niet mochten worden verdoezeld. 13.4. Ten voordele van L. heeft het hof rekening gehouden met de volgende omstandigheden. Het werk van criminele inlichtingendiensten bestaat uit het systematisch en gericht inwinnen van gegevens over ernstige criminaliteit. In de periode voorafgaande aan het parlementaire onderzoek door de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden (waarvan het rapport Opsporing gezocht d.d. 21 oktober 1994 de basis vormde voor het instellen van de PEC) werd - onder druk van de politiek - een klimaat geschapen waarin de politie moest 'scoren' in de strijd tegen de zware, georganiseerde criminaliteit. Er bestonden grote verschillen tussen de verschillende criminele is door de aangifte en de strafvervolging negatief in de publiciteit gekomen en is lange tijd in verband gebracht met andere ernstige misdrijven. Het hof houdt rekening met het feit dat het langdurige strafproces voor hem een grote psychische belasting heeft veroorzaakt. Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat L. niet eerder is veroordeeld. 13.5. Het hof is, alles afwegende, dan ook van oordeel dat dient te worden volstaan met een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf, waarmee enerzijds de ernst van de gepleegde normschending wordt onderstreept, en anderzijds rekening wordt gehouden met de gevolgen die het thans bewezenverklaarde feit - langs andere weg - al voor L. heeft gehad. 14. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 57 en 207 van het Wetboek van Strafrecht alsmede op artikel 25 van de Wet op de Parlementaire Enquête. 15. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht. Verklaart bewezen dat L. het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt L. daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart L. strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde. Veroordeelt L. tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE MAANDEN. Beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat L. zich vóór het einde van de proeftijd van TWEE JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door mrs Von Brucken Fock, Scholten-Hinloopen en Aler, in bijzijn van de griffier mr De Vries. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2002. 1 Zie laatstelijk HR 11 december 2001, NJ 2002, 47. 2 Zie het Rapport onderzoek naar het functioneren van de RCID Kennemerland van de Rijksrecherche Fort-team d.d. 29 maart 1996, Ten Geleide en Bijlage I bij het rapport Inzake opsporing, enquêtecommissie opsporingsmethoden, Werkwijze en procedures, Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 072, nr. 12, blz. 27 en 147/148. 3 Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13 837, nr. 3, blz. 8). 4 Bijl. I, blz. 31. 5 Memorie van antwoord behorende bij het Voorstel van wet van de leden De Kwaadsteniet, Joekes, Alders en Schutte tot wijziging van de Wet op de Parlementaire Enquête en in verband daarmee opnemen van een bepaling in het Wetboek van Strafrecht, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 19 816, nr. 10, blz. 11. 6 Ibidem, blz. 18. 7 Eindrapport Enquête Opsporingsmethoden, Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 072, nrs. 10-11, blz. 476. 8 Zie ook Enquêtecommissie vliegramp Bijlmermeer, Lijst met vragen en antwoorden; Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 241, nr. 14, blz. 131. 9 Nota naar aanleiding van het eindverslag behorende bij het Voorstel van wet van de leden Schutte, Castricum en Hermans tot wijziging van de Wet op de Parlementaire Enquête en in verband daarmee opnemen van een bepaling in het Wetboek van Strafrecht, Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 19 816, nr. 16, blz.4. 10 Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 072, nr. 12, blz. 27. 11 Proces-verbaal van verhoor d.d. 3 maart 1998 (punt 24). 12 Het hof laat daar dat de getuige De Graaf ter terechtzitting van 5 oktober 2001 (blz. 6) heeft verklaard dat Sapman daags na zijn verhoor telefonisch uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven om zijn verklaring te gebruiken, nu de getuigen Coenen en Hercules ter terechtzitting van 22 november 2001 dienaangaande onvoldoende duidelijkheid hebben kunnen verschaffen en Sapman zelf op 22 november 2001 (blz. 7) verklaarde níet de dag na zijn verhoor de PEC te hebben gebeld. 13 Zie het ambtsedig proces-verbaal no. 96/025/P d.d. 24 juni 1996, opgemaakt en ondertekend door W.T. Deinum, rijksrechercheur, en het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof d