Rechtspraak 2000-06-30
ECLI:NL:GHSGR:2000:AA6305
ECLI:NL:GHSGR:2000:AA6305 text/xml public 2015-11-12T13:31:53 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AA6305 Gerechtshof 's-Gravenhage 2000-06-30 0975408797 en 0975403399 Uitspraak Hoger beroep NL Strafrecht Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AV0613 Opiumwet 2 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2000:AA6305 text/html public 2013-04-04T16:04:57 2003-07-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSGR:2000:AA6305 Gerechtshof 's-Gravenhage , 30-06-2000 / 0975408797 en 0975403399 - Rolnummers : 2200144699 en 2200151299 (gevoegde zaken) Parketnummers : 0975408797 en 0975403399 Datum uitspraak : 30 juni 2000 Verstek GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken ARREST Gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen de vonnissen met de parketnummers 0975408797 en 0975403399 van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 16 juli 1999 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1945,zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. Voeging Het hof heeft ter terechtzitting van 15 december 1999 de voeging bevolen van de beide hiervoor genoemde zaken, welke in eerste aanleg afzonderlijk zijn behandeld. 2. Onderzoek van de zaak 2.1. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9, 10, 13, 15, 16, 17, 20 en 22 december 1999, 23, 27, 28, 29 en 31 maart 2000, 3, 4, 5, 6, 10, 13 en 14 april 2000, 15, 16, 22 en 31 mei 2000, 5, 9, 14 en 16 juni 2000. 2.2. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal mrs. Van den Broek en Van Atteveld en van hetgeen door de raadsman mr. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht. 3. Tenlastelegging 3.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën zijn gevoegd in dit arrest. 3.2. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Het hof zal die nummering in dit arrest aanhouden. 4. De behandeling van het hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte 4.1. Het hof heeft de zaak in hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte behandeld. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. 4.2. De verdediging heeft reeds bij de aanvang van de behandeling in hoger beroep verzocht om de verdachte een vrijgeleide te verlenen. Voor wat betreft dit verzoek verwijst het hof naar hetgeen het hof ter terechtzitting van 10 december 1999 omtrent dat verzoek heeft overwogen. 4.3. Het belang van de waarheidsvinding, dat zeer gediend is door de verschijning van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ten einde omtrent de hem tenlastegelegde feiten te kunnen worden ondervraagd, heeft het hof ertoe gebracht om -desgewenst- de voorlopige hechtenis onder de gebruikelijke algemene voorwaarden te schorsen. De schorsing zou gelden voor de periode van 2 dagen vóór en 2 dagen ná de ondervraging van de verdachte, behoudens de mogelijkheid van verlenging door het hof. Datum en tijdstip waarop de schorsing zou plaatsvinden zouden in een later stadium, wanneer de verdachte daarop positief zou hebben gereageerd, door het hof, gehoord het openbaar ministerie en de verdediging, worden vastgesteld. 4.4. Het hof achtte zich niet bevoegd andere maatregelen dan de reeds genoemde schorsing van de voorlopige hechtenis te treffen, indien het nodig zou blijken te zijn om de verdachte gedurende de schorsingsperiode feitelijk strafrechtelijke immuniteit te verschaffen. Het openbaar miniserie heeft er terecht op gewezen dat in dit verband veeleer moet worden gesproken over "tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen", welke tijdelijke vrijwaring door de verdachte noodzakelijk werd geacht om ter terechtzitting van het hof te verschijnen. 4.5. Het hof heeft op 10 december 1999 geoordeeld dat het dus op de weg van de verdediging lig De verdachte wordt wettelijk namelijk de keuze geboden tussen de waarheid te verklaren of zich te beroepen op zijn verschoningsrecht ex art. 219 jo. 284 lid 4 jo. 415 Sv. Gelet op de verwevenheid van het strafbare feit van meineed met de strafzaak tegen de verdachte zelf zal het OM bij een verdenking ter zake meineed geen eigen dwangmiddelen toepassen, maar door middel van een vordering opheffing schorsing dit ter beslissing aan het Hof voorleggen. 5. In de hiervoor genoemde voorwaarden is uitgegaan van de veronderstelling dat het Hof als "bijzondere" voorwaarde in de zin van art. 80 lid 1 Sv in zijn schorsingsbevel heeft opgenomen dat de verdachten (gedurende de schorsing) geen strafbare feiten mogen plegen en dat de verdachten aanwijzingen van de autoriteiten in Nederland zullen opvolgen in het kader van de openbare orde en (hun eigen) veiligheid. Hoewel wij in beginsel geen mededelingen doen over signaleringen van verdachten zullen wij, zoals ook al aangegeven, in de geest van de beslissing van uw Hof thans mededelen dat de verdachte [verdachte] in Nederland niet gesignaleerd staat ter fine van uitlevering, op verzoek van een andere soevereine staat. Op dit moment zijn ook geen andere rechtshulpverzoeken tot Nederland gericht waarbij eventueel vrijheidsbenemende dwangmiddelen zouden kunnen worden toegepast. De minister van justitie is benaderd, n.a.v. het verzoek van de raadsman van de verdachte [verdachte] m.b.t. internationale rechtshulp. De minister van justitie is namelijk verantwoordelijk voor de internationale rechtshulp. De door de raadsman gevraagde toezegging, in algemene zin, kan door de minister uiteraard niet worden gegeven. Zonder wetenschap te hebben over aard en inhoud van een eventueel nog te ontvangen rechtshulpverzoek kan de minister, gelet op de in het internationale rechtsverkeer geldende omgangsvormen tussen rechtsstaten, niet bij voorbaat in de algemene zin een toezegging doen, zoals gevraagd. Gerespecteerd moet worden dat in casu geen sprake is van een internationaal, op grond van het gewoonterecht gerespecteerde, regeling van een vrijgeleide.” 4.9. Ter terechtzitting van 22 mei 2000 heeft de verdediging het volgende betoogd: “Mijn verzoek van 4 mei jl. is kennelijk zo uitgelegd, als zou ik de Minister van Justitie zich willen laten verbinden tot een andere opstelling, dan waartoe hij uit hoofde van internationale verdragen in het kader van met name uitlevering is verplicht. Deze implicatie heeft mijn voorstel niet. Ik heb enkel een toezegging verlangd, ertoe strekkende dat vanwege de Staat (waaronder ook de Minister van Justitie) geen dwangmiddelen jegens [verdachte] zullen worden toegepast, uit welke hoofde ook (dus ook niet uit hoofde van een eventueel toekomstig verzoek tot uitlevering van de [verdachte]). Met betrekking tot vrijheidsbeneming in het kader van uitleverings-verzoeken, moet zowel de nationale wet als het toepasselijk verdrag worden bezien. Ik meen dat de Uitleveringswet de autoriteiten hier te lande geenszins verplicht tot het toepassen van dwangmiddelen, ook al is ten aanzien van de betrokkene een uitleveringsverzoek gedaan. Ik verwijs naar de artikelen 16 e.v. van de Uitleveringswet (met name artikel 21), waaruit de discretionaire bevoegdheid van de aangezochte autoriteiten in deze zin blijkt. In gelijke zin ook Swart (Nederlands Uitleveringsrecht), pp. 513 v. Krachtens nationale wetgeving staat er dus mijns inziens niets aan in de weg, dat op voorhand de garantie komt dat ten aanzien van de heer [verdachte] in dit kader geen dwangmiddelen zullen worden toegepast. Complicerende factor daarbij is dat krachtens een enkel verdrag de vrijheidsbeneming wel verplicht is (vergelijk Swart t.a.p.; hij wijst er daarbij overigens op dat veelal zelfs dan daar discussie kan bestaan of de vrijheidsbeneming "onvoorwaardelijk verplicht" is). Ik meen dat dit bezwaar (voor de verdediging althans) kan worden ondervangen, door de heer [verdachte] -in ieder geval mede- "uit te nodigen" onder de titel v Ten overvloede nog het volgende met betrekking tot de zienswijze van het Hof als zou op basis van de eerste zin van artikel 7 lid 7 van het Sluikhandelverdrag per definitie het bilaterale verdrag van toepassing zijn en daarmee het verstrekken van een vrijgeleide uitgesloten moeten worden geacht. Ik zie niet in dat als op grond van deze bepaling naar het bilaterale verdrag moet worden gekeken en dan blijkt dat in dat verdrag de vrijgeleide niet is geregeld (maar dus ook niet de mogelijkheid van het verstrekken van een vrijgeleide expliciet wordt uitgesloten) niet kan -of zelfs moet- worden teruggegrepen op de bepalingen van het multilaterale (posterieur aan het bilaterale) verdrag, waarbij beide partijen zijn aangesloten en waarbij zo'n vrijgeleide wel is geregeld. Toen Nederland en Suriname zich in de jaren '90 aansloten bij het multilaterale verdrag heeft men daarmee kennelijk de mogelijkheid aanvaard dat vrijgeleiden op basis van dat verdrag zouden kunnen worden verstrekt. (..) Conclusie: ik persisteer bij mijn verzoek van 4 mei en verzoek het Openbaar Ministerie haar standpunt te heroverwegen en (of) alsnog bij de Minister aan te dringen op het doen van toezeggingen in de zin van mijn brief van 4 mei jl., die blijkens het hiervoor overwogene niet moet worden gelezen als een verzoek tot het niet in behandeling nemen van rechtshulpverzoeken, maar als een verzoek tot het niet toepassen van dwangmiddelen in dat verband. Voorts geef ik het Openbaar Ministerie in overweging het ertoe te leiden dat er een rechtshulpverzoek naar Suriname zal uitgaan, waarin verzocht wordt om de heer [verdachte] uit hoofde van het bilaterale verdrag (na van toepassing verklaring van de leden 8 tot en met 19 van het Sluikhandelverdrag) ten behoeve van de thans lopende strafzaken naar Nederland te laten komen, onder de garanties die dat verdrag hem alsdan biedt.” 4.10. Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting van 22 mei 2000 als volgt gerepliceerd. "Die toezegging om geen dwangmiddelen toe te passen kan niet worden gedaan om de navolgende redenen. De raadsman heeft ongeclausuleerd om vrijwaring van de toepassing van dwangmiddelen gevraagd. In zijn eigen betoog heeft hij terecht al verwezen naar Verdragen die de Nederlandse Staat verplichten om gevolg te geven, aan verzoeken van andere Staten die aan de eisen in het Verdrag voldoen. De minister heeft daarom terecht, in algemene zin, gelet op die Verdragsverplichtingen, die toezegging niet KUNNEN doen. De discretionaire bevoegdheid waar Swart over spreekt richt zich n. op een andere problematiek die zich in deze casus niet voor doet en waar wij dus nu niet verder op in zullen gaan. B. Bij ons standpunt zoals geformuleerd op 15 mei 2000 hebben wij reeds aangegeven dat de minister van justitie, als vertegenwoordiger van een rechtstaat die zijn verdragsverplichtingen zal moeten nakomen, zonder kennis te hebben van de inhoud en de aard van een eventueel te ontvangen rechtshulpverzoek rechtens deze toezegging niet kan doen. Voor zover het rechtshulpverzoek niet op een verdrag is gebaseerd dient dit op grond van art. 552k lid 2 Sv op zijn redelijkheid te worden getoetst, dat wil zeggen dat ook hier niet op voorhand die vrijwaring van dwangmiddelen kan worden gegeven gelet op afwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tot slot nog een enkele opmerking over de visie van de raadsman over de uitleg van de relevante verdragen. Die visie delen wij niet. De volgende redenen kunnen daarvoor worden aangevoerd. Nog daargelaten welke betekenis aan een uitleveringsverzoek aan Nederland moet worden toegekend indien het, zoals in casu, om een niet ingezetene/nationaal gaat die zich niet meer in Nederland bevindt. Via een omweg stelt de raadsman eigenlijk voor dat Nederland het uitleveringsverzoek niet in behandeling zal nemen omdat Nederland dan eenvoudigweg de opgeëiste persoon niet meer kan uitleveren. Materieel zou dat dan op hetzelfde neerkomen. De raadsman miskent in zijn standpunt de in het internati De door het openbaar ministerie gestelde condities "tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen", kort samengevat inhoudende, dat door of in opdracht van het openbaar ministerie geen eigen dwangmiddelen zullen worden toegepast en dat, ingeval door de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis nieuwe strafbare feiten zouden worden gepleegd, door het openbaar ministerie aan het hof opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zou worden verzocht, zijn door de verdediging niet bestreden en zijn ook als alleszins redelijk te typeren. Het spreekt vanzelf dat aan een verdachte geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen kan worden gegeven, indien hij na aankomst in Nederland nieuwe strafbare feiten zou plegen. Door voorts de toepassing van dwangmiddelen in handen te geven van de rechter die over de strafzaak tegen de verdachte oordeelt, heeft het openbaar ministerie aan de verdachte ruim baan willen geven om ter terechtzitting van het hof te verschijnen. 4.17. Het hof onderschrijft voorts het standpunt van het openbaar ministerie dat door de Minister van Justitie geen toezegging in algemene zin kan worden gedaan om in geval van een rechtshulpverzoek ten aanzien van de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis geen dwangmiddelen toe te passen. Ook in geval het toepasselijke verdrag niet tot toepassing van dwangmiddelen zou verplichten, kunnen zich met betrekking tot het verzoek om internationale rechtshulp, waaronder begrepen ook verzoeken om uitlevering, omstandigheden voordoen die in vergelijkbare gevallen aanleiding zouden geven om tot toepassing van dwangmiddelen over te gaan. Door onder dergelijke omstandigheden de toepassing van dwangmiddelen achterwege te laten zou Nederland niet alleen zijn uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nakomen doch ook in strijd handelen met het gelijkheidsbeginsel. 4.18. Het hof bevestigt nog eens de eerder ter terechtzitting van 10 december 1999 gegeven interpretatie van artikel 7 lid 7 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen, 20 december 1988 (Trb. 1989, 97), hierna te noemen het Sluikhandelverdrag, namelijk dat de regeling in artikel 7 lid 18 van het Verdrag inzake de vrijgeleide in het rechtsverkeer tussen Nederland en Suriname niet van toepassing is, nu tussen deze landen een bilateraal verdrag inzake wederzijdse rechtshulp (De Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, Gravenhage 27 augustus 1976, Trb. 1976, 143, 1981, 160 en 1983, 8, hierna te noemen de Overeenkomst, en het Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake evengenoemde Overeenkomst, ’s-Gravenhage, 18 mei 1993 (Trb. 1995, 84; in werking getreden op 28 februari 1995), van kracht is. De bij het Sluikhandelverdrag aangesloten Staten moeten ingevolge eerstgenoemd artikellid, indien zij bilateraal een Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken sluiten, uitdrukkelijk overeenkomen om uitvoering te geven aan een of meer verzoeken genoemd in het achtste tot en met het negentiende lid van artikel 7 van het Verdrag. 4.19. Blijkens de toelichtende nota op de Overeenkomst (Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14 429 (R 1067) nr. 1, blz. 2) is "bij de opstelling van de overeenkomst zoveel mogelijk aansluiting gezocht aan het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken van 27 juni 1962 (Trb. 1962, 97 en Bijl. Hand.II-8054) en is een groot aantal bepalingen uit dat verdrag overgenomen." De regeling inzake de immuniteit zoals opgenomen in artikel 35 van het Beneluxverdrag is in de Overeenkomst tussen Nederland en Suriname niet terug te vinden, zodat aangenomen moet worden dat door beide Staten van het maken van een dergelijke afspraak bij de totstandkoming van de Overeenkomst is afgezien. 4.20. Zoals reeds eerder overwogen heeft artikel 7 lid 18 van het Slu Furthermore, even where an appeal court has full jurisdiction to review a case on questions of fact and law, Article 6 of the Convention does not always require an absolute right for the accused to be present in person. In assessing this question regard must be had, inter alia, to the special features of the proceedings involved and the manner in which the defence’s interest were presented and protected before the appellate court, particularly in the light of the issues to be decided by it ().” 4.27. De verdachte heeft zijn raadsman, mr. Moszkowicz, uitdrukkelijk gemachtigd om tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep in te stellen. Hij was er dus van op de hoogte dat een behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep zou plaatsvinden. De verdachte heeft vervolgens zijn raadsman tijdens de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep niet uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Niettemin heeft zijn raadsman feitelijk, binnen de hem als niet-gemachtigde raadsman gestelde grenzen, wel de verdediging gevoerd, weliswaar niet uitdrukkelijk namens de verdachte maar dan toch in ieder geval ten behoeve van de verdachte. Het hof heeft bij het opleggen van beperkingen aan de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte bij het voeren van de verdediging steeds voor ogen gehouden of ten gevolge van die beperkingen nog wel sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en of de afwezigheid van de verdachte door de wijze waarop de verdediging door de niet-gemachtigde raadsman is gevoerd wel in voldoende mate is gecompenseerd. De verdachte heeft zich voorts openlijk via de media over de behandeling van het hoger beroep in Nederland uitgelaten. Zo heeft hij op gestelde vragen geantwoord: "Waarom zou ik eh ... Holland moet duidelijkheid van zaken geven. Zij hebben hun dossiers opgemaakt. Ik heb eh ... ik heb eh ... daar geen boodschap aan. Enne.. ik wacht alleen maar wat eh .... ik wacht maar af wat er gaat gebeuren." en "Denk je dat ik me stoor aan dat ehh... aan die kiekeboe daar. Ik heb daar geen zin in." en daarmee zijn desinteresse in de lopende behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep openlijk tentoongespreid. Niet gebleken is bovendien dat de verdachte in de richting van de Surinaamse autoriteiten initiatieven heeft ontwikkeld, waaruit de Surinaamse Regering heeft kunnen - en misschien in het kader van het vigerende Rechtshulpverdrag ook moeten - afleiden dat hij prijs stelt op en belang heeft bij voldoening door de Surinaamse autoriteiten aan het verzoek van de rechter-commissaris om hem in Suriname te doen horen. Tenslotte is de verdachte in weerwil van het feit dat het openbaar ministerie aan zijn verschijning ter terechtzitting van het hof gedurende de periode waarin zijn voorlopige hechtenis zou worden geschorst alleszins redelijke voorwaarden heeft gesteld, niet ter terechtzitting van het hof verschenen. 4.28. Onder deze bijzondere omstandigheden behoefde het bepaalde in artikel 6 EVRM het hof er niet van te weerhouden om, niettegenstaande het ontbreken van een uitdrukkelijke afstandsverklaring van de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht, de behandeling van het hoger beroep buiten zijn aanwezigheid voort te zetten en tenslotte ook te beëindigen. 5. De positie van de niet-gemachtigde raadsman 5.1. Ter terechtzitting van het hof van 9 december 1999 heeft het hof met het oog op een ordelijk en doelmatig verloop van dit strafproces nadere regels gegeven met betrekking tot de positie van de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte. Ook nadat het hof die regels heeft vastgesteld, heeft de verdachte zijn raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Het hof verwijst naar de voor deze jurisprudentiële regeling gegeven motivering en vindt in hetgeen de verdediging bij pleidooi hieromtrent naar voren heeft gebracht geen aanleiding om zijn zienswijze hieromtrent te heroverwegen. 5.2. Nu de regeling inzake de gemachtigde raadsman, waardo Onder het woord voeren dient volgens het hof in het algemeen te worden verstaan: het voeren van verweren, preliminair en na het requisitoir, het stellen van vragen aan ter terechtzitting verschenen getuigen en deskundigen en het maken van opmerkingen over de in acht genomen vormen en al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. 5.7. Het aan de niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman onthouden van het recht om rechterlijke beslissingen uit te lokken, zoals bij voorbeeld het doen van verzoeken om bepaalde getuigen of deskundigen te horen, behoeft niet te betekenen dat die getuigen of deskundigen ook niet zullen worden opgeroepen. De raadsman is immers bevoegd om de wens uit te spreken dat die getuige of deskundige door het hof zal worden gehoord en het hof kan die wens honoreren. Alleen van een verplichting van het hof om op ieder verzoek van een niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman direct gemotiveerd te beslissen kan geen sprake zijn. Die motivering kan ook in een later stadium, bij voorbeeld bij het eindarrest, worden gegeven, als het hof, alvorens ten gronde te beslissen, de vraag onder ogen ziet of het strafproces fair was en de verdachte zich behoorlijk heeft kunnen verdedigen. Aldus wordt voorkomen dat de raadsman niet slechts het woord voert, maar ook allerlei rechtshandelingen verricht en zich aldus als procesdeelnemer presenteert, terwijl hij - bij herhaling - verklaart door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om hem te verdedigen. Het hof heeft deze lijn tijdens het proces vastgehouden. Waar het hof dit noodzakelijk voorkwam, heeft het hof de uitgesproken wens van de raadsman om stukken over te leggen of getuigen op te roepen gehonoreerd en ambtshalve gebruik gemaakt van de aan het hof krachtens de wet toekomende bevoegdheden. Waar dat niet het geval was, heeft het hof gemotiveerd uiteengezet waarom aan de uitgesproken wens niet zou worden voldaan. Dat heeft gegolden voor alle wensen die de raadsman heeft geuit. Het hof heeft voorts bij alle beslissingen de raadsman vooraf gehoord en rekening gehouden met de door hem ingebrachte bezwaren. Een uitzondering is gemaakt voor de grote hoeveelheid getuigen die de raadsman van de verdachte voorafgaande aan de terechtzitting van 9 december 1999 heeft opgegeven en wier oproeping door het hof niet is gelast. Het hof zal die beslissing thans, voor zover van belang, in het vervolg van dit arrest nog motiveren. 5.8. De stelling dat de verdachte door de aan de niet-gemachtigde raadsman gestelde beperkingen is benadeeld en zelfs in de woorden van de raadsman “door een ernsti-ge inbreuk te ma-ken op het verdragsrechtelijk gegarandeerde begin-sel van “equality of arms” wordt door het hof niet onderschreven. Nog daargelaten dat de verdachte te allen tijde de gelegenheid heeft gehad om door een uitdrukkelijke machtiging ook de iure de “equality of arms” te realiseren, is van “een beetje verdedigen” naar ‘s hofs oordeel tijdens de behandeling van het hoger beroep nimmer sprake geweest. De facto heeft het hof de raadsman steeds een volledige verdediging gegund, zij het dat de motivering van sommige beslissingen van het hof tot het eindarrest is uitgesteld. 5.9. Het hof laat thans in het midden of er nu wel of niet sprake is geweest van een bewuste processtrategie van de raadsman van de verdachte. Ten tijde van ’s hofs beslissing van 22 december 1999 heeft het hof dit uit een aantal alstoen genoemde omstandigheden afgeleid. De raadsman stelt nu -als mogelijk scenario- dat hij zich op 21 augustus 1997 als gekozen raads-man van de verdachte heeft gesteld en dat de verdachte rond die tijd en dus vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de gemachtigde raadsman met hem een onderhoud heeft gehad, waarin de verdachte hem op-dracht heeft gegeven al hetgeen te doen hem in zijn belang dienstig zou lijken. Uit zijn verdere betoog moet het hof afleiden dat -in dit scenario- de regeling van de uitdrukkelijke machtiging in het verdere verloop van dit straf Het is niet ondenkbaar dat een dergelijke wijze van tenlasteleggen voor de verdachte voldoende duidelijk is en voldoende aanknopingspunten voor zijn verdediging biedt. Ook het onderzoek ter terechtzitting strekt er immers mede toe om feiten aan het licht te brengen die het strafrechtelijk vervolgde gebeuren verduidelijken. Het hof zal dus dienen te onderzoeken of de verdachte geacht kan worden de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen te hebben begrepen, en, in geval van een ontkennend antwoord, in hoeverre de verdachte geacht kan worden hierdoor in zijn verdediging te zijn geschaad. De in onderdeel 6 genoemde periode en plaats, althans voor wat betreft Zuid-Amerika, zijn in het licht van de daaraan voorafgaande onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging op het eerste gezicht ook niet zodanig ruim dat niet meer gezegd kan worden dat sprake is van een voldoende feitelijke omschrijving. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om het hoger beroep niet op de grondslag van de gehele tenlastelegging te behandelen. Een eventuele terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is niet aan de orde. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van het resterende gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde is gekomen, kan immers niet worden gezegd dat de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist. Zie HR 19 mei 1992, NJ 1992, 655. Over de uiteindelijke geldigheid van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit zal het hof in het eindarrest een beslissing nemen.” 7.2. De steller van de tenlastelegging heeft kennelijk het oog gehad op een criminele organisatie, die zich in steeds wisselende samenstellingen rondom de verdachte bezighield met de invoer, althans voorbereidingshandelingen tot de invoer, vanuit Zuid-Amerika van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Personen als [medeverdachte 1], [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] zijn kennelijk in de tenlastelegging opgenomen, omdat in de ogen van de steller ervan althans tenminste één van hen als deelnemer aan de criminele, voor een van de in de onderdelen 1 tot en met 5 van de in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde genoemde cocaïnetransporten verantwoordelijke, organisatie kon worden aangewezen. Ten aanzien van de deelnemers aan de criminele organisatie rondom de verdachte, die zich bezighield met andere in de tenlastgelegde periode georganiseerde of voorbereide cocaïnetransporten, was dat ten tijde van de opstelling van de tenlastelegging nog niet het geval. Zoals het hof eerder heeft overwogen, kon een nauwkeuriger vermelding van de deelnemers aan de organisatie die voor die transporten verantwoordelijk was in redelijkheid niet van het openbaar ministerie worden verlangd. 7.3. Ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de verdachte de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen niet heeft begrepen dan wel anderszins door de redactie van dit onderdeel van de tenlastelegging in zijn verdediging is geschaad. 7.4. Anders dan de verdediging betoogt, kan onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit niet als een "vangnetfeit" worden aangemerkt. De in dat onderdeel aan de verdachte verweten gedragingen hebben in de tenlastelegging een geheel zelfstandige betekenis. 7.5. Strijdigheid van de tenlastelegging met het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering doet zich volgens het hof alleen voor voorzover in onderdeel 6 de woorden: “althans het buitenland” voorkomen. Deze woorden acht het hof te vaag en te onbepaald. Alleen in zoverre kan de partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding door de rechtbank in stand blijven. 8. Het rechtsmachtgeschil en de schorsing van de vervolging 8.1. De raadsman stelt dat ’s hofs beslissing van 15 december 1999 op onjuiste gronden is genomen en tot heroverwegi Ook hier geldt dat in hetgeen de raadsman van de verdachte bij pleidooi hieromtrent naar voren heeft gebracht het hof geen aanleiding vindt om zijn zienswijze hieromtrent te heroverwegen. 9.2. Het hof volstaat hier met de opmerking dat, nu de raadsman zelf meende op goede gronden de eerste aanleg te kunnen overslaan en tijdens het gehele strafproces geen enkel teken is waargenomen dat wees op de onvoorwaardelijke bereidheid van de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen, ieder rechtens te respecteren belang bij de nakoming van de door de raadsman genoemde vormvoorschriften ontbreekt. 9.3. Ook dit verweer, dat er volgens de verdediging toe zou moeten leiden dat de zaak alsnog wordt terugverwezen naar de rechtbank, wordt verworpen. 10. Optisch bedrog? 10.1. Ter terechtzitting van het hof van 31 maart 2000 heeft het hof onder meer het volgende overwogen: "Aan ons wettelijk stelsel ligt het opportuniteitsbeginsel ten grondslag. Het begrip “zaak” tijdens een opsporingsonderzoek is een ander begrip zaak dan het begrip zaak waarop onder meer artikel 258 Sv doelt. Wat bij de aanvang van de vervolging onder het begrip zaak valt, wordt bepaald door de tenlastelegging. Vanuit dit vertrekpunt constateert het hof het volgende. Het hof constateert allereerst dat in de zaak tegen [betrokkene 4] (parketnr 09/00406794) door dit hof in een andere samenstelling op 12 juni 1996 arrest is gewezen. Het hof constateert voorts dat het aan [betrokkene 4] voornoemd tenlastegelegde feit als omschreven in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht betrekking heeft op een andere periode dan waarop het aan de verdachte [verdachte] onder 1 tenlastegelegde feit doelt. Bij de vraag of er bij deelneming aan een criminele organisatie sprake is van het gebruik van onoorbare opsporingsmethoden is slechts van belang of die onoorbare opsporingsmethoden zijn gebezigd in het kader van deelneming aan de criminele organisatie zoals die in de tenlastelegging is omschreven. Het enkele feit dat onderzoek in de zaak [betrokkene 4] in de bewoordingen van de raadsman een “Copa III gerelateerd onderzoek” is, brengt nog niet mee dat ook thans onderwerp van onderzoek behoort te zijn, waarom die zaak niet op de aan de verdachte [verdachte] uitgebrachte tenlastelegging voorkomt. Over de oorbaarheid van de gebezigde opsporingsmethoden in de zaak [betrokkene 4] is door dit hof in een andere samenstelling onherroepelijk beslist. In de onderhavige zaak is slechts relevant, of de in de zaak [betrokkene 4] gebezigde opsporingsmethoden ook hier zijn gebruikt." 10.2. De raadsman voert aan "dat het Openbaar Ministerie optisch een zaak aan de rechter heeft voorgelegd die tot de conclusie zou moeten leiden dat er rechtmatig is opgespoord in al die zaken, terwijl in feite in het opsporingsonderzoek onrechtmatig is opgespoord, maar dat bewust aan het oordeel van de rechter in de zaak [verdachte] is onttrokken". 10.3. Dit verweer zou het hof aanleiding moeten geven tot een gehele althans partiële niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging, dan wel tot een gehele althans partiële bewijsuitsluiting. Mochten deze verweren niet slagen, dan verzoekt de raadsman het hof het open-baar ministerie te verzoeken de methodieken uit alle COPA-zaken in kaart te brengen. 10.4. De zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort heeft op 27 maart 2000 ter terechtzitting van het hof -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. [betrokkene 4] was een persoon uit het middle-management in Suriname die met toestemming van de legerleiding handelde. Er heeft in die zaak een doorlevering plaatsgevonden. Er heeft in die zaak infiltratie plaatsgevonden. Ik heb in die zaak contact gehad met Engelse opsporingsdiensten. 10.5. Mr. Ch.V. van der Voort heeft voorts op 4 april 2000 ter terechtzitting van het hof op gestelde vragen -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. De voorzitter: In januari 1994 wordt het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 4] geopend en op 4 mei De voorzitter: Als de zaak [betrokkene 4] wat opgeleverd had, was dat dan bijgevoegd? De getuige: Ja. De voorzitter: Het gesloten CID-traject heeft dat als enige inzake [betrokkene 4] gespeeld? De getuige: Ja. 10.6. Mr. E.D. Harderwijk, opsteller van de tenlastelegging en vertegenwoordiger van het openbaar ministerie bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg, heeft op 28 maart 2000 ter terechtzitting van het hof -zakelijk weergegeven- verklaard. Volgens mij is in de zaak [betrokkene 4], die wel viel onder de algemene doelstelling, nooit een beslissing genomen om die zaak erbij te halen en later te laten afvallen. Er was onvoldoende aanwijzing voor een verband tussen de zaak [betrokkene 4] en [verdachte]. Die zaak is nooit bijgevoegd en dus ook nooit afgevallen. (..) Vraag: Plaatst u [betrokkene 4] binnen de organisatie van [verdachte]? Antwoord: Dat zou kunnen, maar daar is geen bewijs voor, anders dan een getuige die dat zegt. [Betrokkene 4] heeft er nooit bijgezeten en is dus ook niet afgevallen. Voor zover ik weet is dat niet gebeurd, het afvallen op basis van gebruikte opsporingsmethoden. De belangrijkste reden zit in de concrete transporten, daarom is het beperkt tot die periode en deels is de periode ingekort in verband met de verjaring; verder waren er geen concrete transporten. De beperking in tijd in 1994 heeft niets te maken met de zaak [betrokkene 4], dat is geen overweging geweest. Ik was de enige die de pleegperiode bepaalde. Vraag: Heeft het beperken van de periode te maken met [betrokkene 4] of met opsporingsmethoden? Antwoord: Nee, geen enkel verband. 10.7. Uit het voorgaande volgt dat voor enig "optisch bedrog" in het dossier geen enkel aanknopingspunt kan worden gevonden, zodat dit door de verdediging gevoerde verweer wordt verworpen. 10.8. Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is met betrekking tot de gehanteerde opsporingsmethoden het volgende naar voren gekomen: 10.9. Als O/AH/382 is bij de stukken gevoegd een proces-verbaal CID-methoden CoPa-dossier opgemaakt door Driessen . 4 november 1998. Hierin worden -zakelijk weergegeven- de volgende opsporingsmethoden gerelateerd: Allereerst wordt melding gemaakt van samenwerking met nationale opsporingsdiensten - bijvoorbeeld de NCID en RCID’s - en met internationale opsporingsdiensten - zonodig via rechtshulpverzoeken -, alsmede stationering van een liaison-officer in Brazilië. Voorts wordt gesproken over samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarbij van die diensten afkomstige, relevante, informatie middels een ambtsbericht via de PG werd verstrekt, en over toevoeging aan het team van een medewerker van de IDB. Als voorbeeld van samenwerking met andere diensten wordt genoemd: beveiligingsdiensten van banken en hotels, de visadienst van het Ministerie van Justitie, de Koninklijke Marechaussee, de koninklijke Marine en de ECD. Verder wordt melding gemaakt van gebruik van bij de RCID ingeschreven informanten, waarvan informatie is ingebracht middels CID-formulieren, observatie en technische acties als telefoon- en semaprints conform artikel 125f van het Wetboek van Strafvordering, alsmede het gebruik van informatie uit open bronnen zoals boeken, kranten, tijdschriften, van de Kamer van Koophandel en de dienst burgerzaken, uit PTT gidsen, van de Rijksdienst voor Wegverkeer en de media. 10.10. Als O/AH/393 is bij de stukken gevoegd een methodiekenproces-verbaal COPA III onderzoek, opgemaakt door B. Den Toom en Q. Kouwenhoven . 3 november 1998, inhoudende een samenvatting van de in het Copa III onderzoek gebruikte opsporingsmethoden in de periode 1 april 1992 tot 1 juni 1995. Gerelateerd wordt het afluisteren van telefoongesprekken inzake [medeverdachte 1], Echtgenoot van medeverdachte 1, [medeverdachte 2] en Betrokkene 5, alsmede observaties op voornoemde personen, een vooroverleg . 4 september 1992 met de ABN-AMRO bank en de Rabo bank resulterend in huiszoekingen bij die banken, alsmede informatie van de Belastingd Reeds einde fe-bru--ari 1996 werd via een faxbe-richt van de Suri-naam-se rege-ring be-kend dat de be-tref-fen-de stukken op 22 januari 1996 waren uit--ge---reikt. Pas ein-de maart 1997 ontving de rechter-commissaris via het Neder-landse minis-terie van justi-tie de offi--ciële be-vesti-ging daar-van, gelijk-tijdig met de stuk-ken van het tweede verzoek. Voor deze vertragingsfactor heeft het hof geen rechtvaardiging kunnen vinden. 11.7. Dat tweede verzoek is gedaan op 3 juni 1996 en betrof het ver-lenen van de status van be-dreig-de ge--tui-ge aan een aantal per-sonen. Deze stukken wer-den op 18 ju-li 1996 in het kader van de betekening uitgereikt, doch de officiële bevestiging daarvan werd even-eens pas einde maart 1997 via het Neder-landse minis-terie van justitie ontvan-gen. Het onderzoek naar de financiële transacties van [medeverdachte 2] is afgerond in juli 1996. Ook voor deze vertragingsfactor heeft het hof geen afdoende rechtvaardiging kunnen vinden. 11.8. In maart 1997 is, nadat de stukken uit Suriname waren terugontvangen, besloten tot afdoening bij verstek. 11.9. In september 1997 is begonnen met de voorbereiding voor een behandeling ter terechtzitting, het zogenaamde afstoffen van het dossier. Er werden opnieuw getuigen gehoord, onder wie de eerder gehoorde bedreigde getuigen. In overleg met de rechter-commissaris is besloten te trachten het gerechtelijk vooronderzoek af te werken en dan met de zaak naar de zitting te gaan. Ook voor de periode van inactiviteit van maart 1997 tot september 1997 is geen aanvaardbare uitleg gegeven, de afronding van de Panamese huiszoekingen in juni 1997 ten spijt. 11.10. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dient in den regel te leiden tot strafvermindering en slechts bij uitzondering, bij voorbeeld wanneer sprake is van een zeer grote overschrijding van die termijn, is plaats voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. 11.11. In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van het voorbereidend onderzoek in de zaak met parketnummer 0975408797, gedurende welk onderzoek de vertragingen hebben plaatsgevonden, niet rechtens van zijn vrijheid was beroofd, dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten ernstig waren, dat sprake was van een bijzonder maatschappelijk belang dat die feiten tot klaarheid werden gebracht, acht het hof genoemde vertragingsfactoren, zowel afzonderlijk als tezamen genomen, niet van dien aard dat die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging zouden moeten leiden. 11.12. Het daartoe strekkende verweer wordt derhalve verworpen. 12. Misbruik van forumkeuze 12.1. De raadsman bepleit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging om reden van misbruik van forumkeuze. 12.2. De rechter behoeft zich niet onder alle omstandigheden neer te leggen bij de forumkeuze van het openbaar ministerie. Die keuze van het openbaar ministerie wordt beheerst door de beginselen van een goede procesorde. Aldus kan misbruik worden gekeerd. Zie HR 24 maart 1998, NJ 1998, 768. Van misbruik is onder meer sprake indien het openbaar ministerie een bevoegdheid zou scheppen op een moment waarop verder geen redelijk vermoeden bestaat dat dat gerecht op enigerlei wijze bevoegd is. Uit bovengenoemd arrest, volgt evenwel niet zonder meer dat aan een misbruik van forumkeuze alleen de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als processuele sanctie zou mogen worden verbonden. De Hoge Raad laat immers uitdrukkelijk onbesproken de klacht dat 's hofs beroep op de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging had moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging. 12.3. De vervolging tegen de verdachte is op 4 mei 1994 door de indiening van de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage aangevangen. Blijkens die vordering werd de verdachte toen verdacht van Het hof acht aannemelijk dat de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de verdachte is gebaseerd op het proces-verbaal van B. den Toom, Q. Kouwenhoven en C. de Mooij, allen leden van het COPA-team, opgenomen in ordner A-01, O/MPV/3503/94, blz. 1-36, en gesloten en ondertekend op 2 mei 1994, en dat de rechter-commissaris alvorens tot instelling van het gerechtelijk vooronderzoek over te gaan dit proces-verbaal onder ogen heeft gehad. In de repliek van het openbaar ministerie (blz. 18) is te lezen dat deze gang van zaken ook door de toenmalige zaaksofficier van justitie mr. Van der Voort is bevestigd. 13.3. Als eerste deelnemer aan de beoogde criminele organisatie wordt in dat proces-verbaal de verdachte genoemd. 13.4. Dat in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek van dit proces-verbaal geen melding wordt gemaakt, levert niet een zodanig ernstig vormverzuim op dat bewijsuitsluiting van alle resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek daarvan het gevolg zou moeten zijn. 13.5. De inhoud van dit rapport levert naar 's hofs oordeel een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte aan de in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek omschreven feiten op. 13.6. Het beroep van de verdediging op bewijsuitsluiting wordt derhalve verworpen. 14. De verzameling van het bewijs tegen de verdachte in de zaak met parketnummer 0975408797 14.1. Het hof acht de volgende gang van zaken met betrekking tot de bewijsverzameling aannemelijk geworden. 14.2. De onderzoeken in COPA-verband waren onderzoeken naar cocaïnestromen van Zuid-Amerika naar Nederland. In de loop van Copa I en Copa II is bij de gezagsdragers van politie en justitie de indruk ontstaan dat de legerleiding in Suriname invloed had op de cocaïnehandel vanuit Suriname naar Nederland en dat er sprake was van een criminele organisatie, waarvan de legerleiding deel uitmaakte. Er zou sprake zijn van een bovenleiding en een "middle class". Het zou een organisatie betreffen met een structuur die geschikt was voor meerdere cocaïnetransporten. Dat vermoeden werd steeds sterker, alhoewel men niet over harde informatie beschikte. De voormalige zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort verwoordde het ter terechtzitting van het hof van 27 maart 2000 aldus: "Bij de start van COPA III hadden wij veel verhalen van getuigen en informanten. Wij hebben veel gehoord over koeriers die uit Suriname naar Nederland kwamen en over boten met verdovende middelen vanuit Suriname naar Nederland." Maar verhalen leiden niet zonder meer naar verdachten, laat staan tot veroordelingen van die verdachten. 14.3. Bij Copa III-onderzoek zou de naam van de toenmalige legerleider [verdachte] al meteen in beeld zijn gekomen. Hij zou het voornaamste target zijn maar er was nog geen concrete verdenking om een gerechtelijk vooronderzoek mogelijk te maken. De Haagse politie beschikte in die tijd al over een analist, genaamd Epema. Een analist ontwikkelt hypotheses. Hij maakt schema's op en probeert relaties te leggen met de informatie waarover hij beschikt. Hij kijkt of de hypothese vanuit die informatie kan worden bevestigd. Een analyse maakt verkregen informatie inzichtelijk. Aldus werd de hypothese ontwikkeld dat de legerleiding verantwoordelijk was voor grote partijen cocaïne die uit Suriname in Nederland werden ingevoerd, waarbij die grote partijen alleen met toestemming van de legerleiding uitgevoerd konden worden uit Suriname. Ook in die analyses zou de naam van de verdachte naar voren zijn gekomen. 14.4. Enkel op basis van verhalen kan een beoogde criminele organisatie echter niet worden aangepakt. Daarvoor was een andere onderzoeksopzet nodig. Die onderzoeksopzet werd bemoeilijkt, omdat de hoofdverdachten, onder wie de verdachte, zich in Suriname bevonden. Er is een plan van aanpak opgesteld dat ter goedkeuring aan de procureur-generaal en uiteindelijk ook aan de toenmalige Minister van Justitie is voorgelegd. In het plan van aanpak stonden de doelstelling, het traject, de structuur, Die grote hoeveelheid getuigenbewijs was evenwel nog niet geschikt om op basis daarvan met enige kans op succes een tenlastelegging tegen de verdachte op te stellen en de zaak aan de rechter voor te leggen. De tijd speelde daarbij uiteraard ook een rol. Tijdverloop leidt ontegenzeglijk tot geheugenverlies bij getuigen en dientengevolge tot een minder vruchtbaar onderzoek naar de materiële waarheid. Deze complicatie werd in steeds sterkere mate merkbaar, omdat noodgedwongen teruggegrepen moest worden op "oude" zaken, te weten de zogenaamde Rotterdamse zaken, en zich geen nieuwe zaken, waarin een relatie met de verdachte kon worden gelegd, aandienden. Dit tijdverloop was evenwel onontkoombaar, omdat nog enkele formaliteiten moesten worden vervuld voordat door het openbaar ministerie tot dagvaarding van de verdachte kon worden overgegaan. De vordering en nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek moesten namelijk nog aan de verdachte worden betekend. En dit werd bemoeilijkt, omdat het rechtshulpverkeer tussen Suriname en Nederland nog immer was geblokkeerd. 14.10. Ten aanzien van sommige getuigen werden bovendien door het openbaar ministerie vorderingen bij de rechter-commissaris ingediend om hen slechts als bedreigde getuigen te horen. Dit betekende dat, behalve de (nadere) vordering tot gerechtelijk onderzoek, ook de beschikkingen tot verlening van de status van bedreigde getuige aan de verdachte dienden te worden betekend. Het openbaar ministerie werd derhalve niet alleen geconfronteerd met steeds ouder wordende zaken maar ook met het probleem van de voortdurende bescherming van de bedreigde getuigen. Voordat de beschikkingen tot statusverlening aan de verdachte in Suriname na het wederom van kracht worden van het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname zijn betekend op 1 oktober 1995, heeft de rechter-commissaris acht bedreigde getuigen gehoord. Dat gebeurde in een periode waarin over het doorzetten van de vervolging nog niet op het niveau van de Minister van Justitie was beslist. Het groene licht werd, volgens de zaaksofficier Van der Voort, in november 1995 gegeven. Het duurde echter nog tot maart 1997 voordat de rechter-commissaris het bericht bereikte dat de vereiste betekeningen hadden plaatsgevonden. In augustus 1997 stelde zich een raadsman voor de verdachte, mr. Moszkowicz. Vervolgens vonden vanaf maart 1998 in het kader van het nog lopende gerechtelijk vooronderzoek voortdurend getuigenverhoren plaats. Ook de bedreigde getuigen werden, nu in aanwezigheid van de verdediging, opnieuw gehoord. Dit was een omvangrijke operatie die de nodige tijd in beslag na Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding aan de verdachte in februari 1999 bestond het tegen de verdachte verzamelde bewijs grotendeels uit getuigenbewijs. Inmiddels was er sprake van een significante rechtsontwikkeling, aangezet door de Straatsburgse rechterlijke autoriteiten, rondom het getuigenbewijs en in het bijzonder rondom het bewijs door middel van bedreigde getuigen. 14.11. Verklaringen van bedreigde getuigen vormden de kern van dit getuigenbewijs - de directe betrokkenheid van de verdachte steunde in belangrijke mate op de door hen afgelegde verklaringen - en van de gestarte vervolging. Met één van de bedreigde getuigen was zelfs ter verkrijging van een waarheidsgetrouwe verklaring een overeenkomst gesloten. Het openbaar ministerie zag zich, wilde een vervolging tegen de verdachte slagen, met name voor de alleszins moeilijke taak gesteld om de kracht van dit bewijs intact te houden. Te voorzien was dat de verklaringen van de bedreigde getuigen bij de bewijsvoering een cruciale rol zouden gaan spelen. Ook de rechter-commissaris was zich, zo is later bij haar verhoren ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gebleken, hiervan bewust en op haar rustte de zware taak, om zowel de bedreigde getuigen tegen onthulling van hun identiteit te beschermen als de verdedigingsrechten zo min mogelijk te beperken maar vooral ook om naar eer en gewet