Rechtspraak 1999-02-24
ECLI:NL:GHSGR:1999:AA6523
GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE derde meervoudige belastingkamer 24 februari 1999 nummer BK-97/02438 UITSPRAAK op het beroep van X te Z tegen de uit-spraak van de Inspec-teur, het hoofd van de eenheid Particu-lieren P van de Belas-ting-dienst, betref-fen-de na te noe-men aan-slag. 1. Aanslag en bezwaar 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, wel-ke is berekend naar een belastbaar inkomen van f 85.550. 1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belang-heb-bende ge-maakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 2. Loop van het geding 2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep geko-men bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van f 80. De In-spec-teur heeft een vertoogschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaat-s-ge-had ter openbare zitting van het Gerechtshof van 11 november 1998, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn ver-sche-nen belangheb-bendes ge-machtigde A en na-mens de Inspec-teur mevrouw mr. B en drs. C. Be-lang-hebben-des ge-machtigde heeft ter zit-ting een pleitnota voorge-dragen en overge-legd, waarvan de inhoud als hier inge-last moet worden aange-merkt. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zit-ting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet vol-doende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar in dienstbe-trekking werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V. (hierna ook: de werkgever), een 100 per-cent dochtervennootschap van F B.V. Deze ven-noot-schap was tot 1982 een 100 per-cent doch-ter-ven-nootschap van de naam-loze vennootschap N.V. G. 3.1.2. In 1982 is - in het zicht van de economische proble-matiek in dat jaar - besloten om F- B.V. los te maken van N.V. G--. In verband daarmee is in 1982 opge-richt een stich-ting, ge-naamd Stich-ting K (hier-na: de Stich-ting). De Stich-ting heeft opge-richt de naam-loze vennoot-schap H -Hol-ding N.V-. (nadien ge-wijzigd in: H -N.V.), welke vennootschap van N.V. G--- alle aande-len in F-- B.V. heeft gekocht. Na een emis-sie van aan-delen aan der-den, een fusie gevolgd door een aande-len-uitgifte en een ver-koop door de Stich-ting van een deel van de aan-delen in H- N.V., had de Stich-ting in 1995 nog een be-lang van 28 percent in het aan-de-len-ka-pitaal van H- N.V. 3.1.3. Het geheel van vennootschappen, bestaande uit H- N.V. en alle ande-re vennootschappen waarin H- N.V. di-rect of indi-rect vijftig percent of meer van het geplaatste aandelen-kapi-taal bezit en daaraan di-rect of indi-rect zeggen-schap over die ven-nootschappen ont-leent, wordt hierna aange-duid als het H--concern. 3.2.1. De artikelen 3 en 13, derde lid, van de statuten van de Stichting, zo-als deze per 31 decem-ber 1987 zijn gewijzigd, luiden als volgt: "Artikel 3 1. De stichting heeft ten doel: de bevordering van de instandhouding en van de con-tinu-teit van H Holding N.V., gevestigd te Q, en van de met die vennootschap verbonden ondernemin-gen, alsmede van de belangen van hun mede-werk(st)ers. 2. De stichting tracht dit doel te bereiken door: a. het in eigendom verkrijgen en houden van aande-len in H Holding N.V.; b. het verrichten van alle handelingen welke ter be-reiking van het sub 1. omschreven doel naar het oor-deel van het bestuur wenselijk zijn. Artikel 13 (...) 3. Aan hetgeen na voldoening van alle schulden van het vermogen der ontbonden stichting overblijft, wordt op door het bestuur te bepalen wijze een bestemming gegeven, ten behoeve van een doel, dat zoveel moge-lijk met de geest van het doel der stichting in overeenstemming is." 3.2.2. Het bestuur van de Stichting bestaat uit ten minste zeven leden, natuurlijke personen. De bestuurders worden geko-zen door en uit medewerk(st)ers van het H-conce Meer subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de uitke-ring tot een bedrag van f 300 is vrijge-steld op grond van het be-paalde in artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet LB. 4.3. De Inspecteur heeft daartegen aangevoerd dat de gehele uitkering van f 1.500 moet worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking op grond van het bepaalde in artikel 22, eer-ste lid, onderdeel a, van de Wet. De vrijstellingen waarop belanghebbende zich subsidiair en meer subsidiair beroept, zijn zijns inziens niet van toepassing. 4.4. Partijen doen hun standpunten steu-nen op de gron-den wel-ke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stuk-ken, waaronder de eerder vermelde pleitnota. Zij hebben hun stand-punten ter zit-ting toe-gelicht, doch al-daar aan hun in de stuk-ken gegeven uit-een-zet-tingen geen grieven of weren toegevoegd. 5. Conclusies van partijen 5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag, primair en subsidiair tot een naar een belast-baar inkomen van f 84.050 en meer subsidiair tot een naar een belast-baar inkomen van f 85.250. 5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 6. Overwegingen omtrent het geschil 6.1. Op grond van de onder 3.1.1 tot en met 3.4.3 vast-gestel-de fei-ten, tezamen en in hun onder-linge verband be-zien, is het Hof van oordeel dat aannemelijk is dat tussen de uitke-ring door de Stich-ting en de dienstbe-trek-king van be-langheb-bende bij D B.V. een zoda-nig nauw ver-band be-staat dat de uit-ke-ring haar grond vindt in die dienst-betrek-king, zodat zij moet wor-den aange-merkt als loon uit dienst-be-trek-king. Te-gen-over de betwis-ting door de Inspec-teur heeft be-lan-ghebbende niet aanne-melijk ge-maakt dat de uit-kering berust op andere gronden, zo-als sympa-thie van de Stich-ting met de werkne-mers van het H---con-cern. Nu de uitke-ring is ver-strekt door een ander dan de werk-gever en voorts gesteld noch gebleken is dat de uitke-ring is geschied in op-dracht en voor rekening van de werkge-ver, moet de uitke-ring worden gere-kend tot de als loon uit dienstbetrek-king aan te merken fooien en der-ge-lijke pres-ta-ties van derden. 6.2. Het Hof verwerpt de stelling van de Inspecteur, inhou-dende dat, aan-gezien de uit-kering als loon uit dienstbetrek-king moet worden aan-ge-merkt op grond van het bepaalde in arti-kel 22, tweede lid, onder-deel a, van de Wet, er geen plaats is voor toepas-sing van de in arti-kel 11 van de Wet LB neergelegde vrijstel-lingsbepa-lin-gen. De tekst van artikel 22, tweede lid, van de Wet biedt geen steun voor die stelling, nu die tekst met be-trekking tot de voor de toepassing van de Wet te hante-ren be-grippen loon en dienstbetrekking geen uitzondering maakt voor de bedoelde vrijstellingen. 6.3. De geschiedenis van de totstand-koming van artikel 11, eer-ste lid, onderdeel p, van de Wet LB, gaat terug tot de wet van 24 december 1953, Stb. 577, (De Coör-di-natiewet Sociale Verzeke-ring) en de wet van gelij-ke datum, Stb. 589, bij welke laatste wet in het Be-sluit op de Loonbe-lasting 1940 een zake-lijk ge-lijkluidende bepaling, te weten artikel 6, tweede lid, aan-hef en onderdeel c, werd ingevoegd. In de onder-scheide-ne me-mories van toelichting op de ontwerpen van de bei-de wetten van 24 december 1953 wordt aan-gaande de onderwerpe-lijke bepa-ling on-der meer het vol-gende opge-merkt: Met betrekking tot de Coördinatiewet Sociale Ver-zeke-ring: " De uitkerin-gen en verstrekkingen, be-doeld onder a en b zijn van dien aard, dat be-zwaarlijk in de wet positief kan worden aan-gege-ven, wan-neer zij wel en wanneer zij niet tot het loon be-ho- -ren. Zulks zal aan de prak-tijk van de uitvoering moe-ten worden overgelaten. Hetzelfde geldt voor de uitkerin-gen, be-doeld onder c. Daaronder zullen bij voorbeeld vallen uitkerin-gen uit fondsen, waarvan de werknemers een belangrijk deel bijeenbrengen door middel van niet aftrekbare premiën."; - Met betrekking tot de Wet van 24 december 1953, Stb. 589: " Een nadere toe-lich