Rechtspraak 1999-12-22
ECLI:NL:GHSGR:1999:AA4930
GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE rolnummers 2200144699 en 0122051299 (gevoegde zaken) parketnummers 0975408797 en 0975403399 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige strafkamer, op 22 december 1999. Tegenwoordig: Mrs. Von Brucken Fock, vice-president tevens voorzitter, Oosterhof en Stoker-Klein, raadsheren, Van den Broek en Van Atteveld, advocaten-generaal, en Van Pelt en mr. Nijssen, griffiers. Als bijzitter, zoals bedoeld in artikel 26 Reglement I, is tegenwoordig mr. Vermeulen. De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte, [verdachte], geboren te [geboorteplaats](Suriname) op [geboortedatum], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, is niet verschenen. Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam. Het hof hervat het onderzoek van de zaken in de stand, waarin deze zich op het tijdstip van de onderbreking ter terechtzitting van 20 december 1999 bevonden. De voorzitter deelt mede dat in verband met de samenhang met de onderhavige zaken, de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2], gelijktijdig doch niet gevoegd, zullen worden behandeld. De voorzitter deelt mede dat het hof thans tussenuitspraak zal doen en verwijst voor informatie omtrent onder andere deze zaak naar de website van het hof, met het adres www.gerechtshof-denhaag.nl. De partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de inleidende dagvaarding ten aanzien van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit nietig verklaard, aangezien dat onderdeel van de dagvaarding onvoldoende feitelijk zou zijn omschreven. Een dergelijke partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding is toelaatbaar als na de nietigverklaring van het betreffende onderdeel van de tenlastelegging het resterende gedeelte nog hetzelfde strafbare feit als tevoren inhoudt. Vgl. HR 14 april 1987, NJ 1988, 171 en HR 3 mei 1994, NJ 1994, 565. Dat is hier het geval. Bij de beoordeling van de geldigheid van een tenlastelegging dient naar 's hofs oordeel de gehele tenlastelegging in al haar aspecten te worden bezien en dienen tevens de bedoelingen die de steller van de tenlastelegging daarbij heeft gehad mede in ogenschouw te worden genomen. Een tenlastelegging is in beginsel geldig, indien daarin een voldoende duidelijke feitelijke omschrijving, inclusief vermelding van tijd en plaats, van het strafrechtelijk vervolgde gebeuren is opgenomen. In de onderhavige tenlastelegging sub 1 wordt de verdachte - voor zover hier van belang - verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het telkens opzettelijk invoeren binnen het grondgebied van Nederland van cocaïne en/of het plegen van voorbereidingshandelingen tot een dergelijk feit. De steller van de tenlastelegging heeft in de onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging een viertal invoeren en een poging tot invoer nader in tijd, plaats en hoeveelheid cocaïne gespecificeerd. Van de steller van een tenlastelegging terzake van een misdrijf als omschreven in artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan in redelijkheid niet worden gevergd dat reeds in de tenlastelegging alle invoeren van cocaïne waarmee de organisatie zich in zijn ogen heeft beziggehouden naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nauwkeurig worden omschreven. Onder omstandigheden kan de steller van een dergelijke tenlastelegging kan aan het slot van de tenlastelegging volstaan met de meer algemene omschrijving dat de beweerde organisatie zich ook nog met andere, naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nog niet nader te specificeren, invoeren van cocaïne dan wel voorbereidingshandelingen ter zake van een dergelijk feit heeft ingelaten. Het is niet ondenkbaar dat een dergelijke wijze van tenlasteleggen voor de verdachte voldoende duidelijk is en voldoende aanknopin De wetgever had namelijk geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat voor wat betreft het uitblijven van een uitdrukkelijke machtiging noch aan de raadsman noch aan de verdachte een verwijt kan worden gemaakt. In niet al te ingewikkelde zaken zal de mededeling van de raadsman dat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd is om de volledige verdediging te voeren, niet al te veel problemen opleveren. Het voeren van een volledige verdediging zal immers veelal neerkomen op het voeren van verweren met betrekking tot een van de door de rechter in zijn einduitspraak te nemen beslissingen. Bij de rechter zal in dat geval geen behoefte bestaan om te informeren naar de reden waarom de raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd is. In meer ingewikkelde zaken kan de rechter tot uitstel van behandeling besluiten om de raadsman in de gelegenheid te stellen met zijn cliënt te overleggen of de raadsman uitdrukkelijk dient te worden gemachtigd. In omvangrijke en ingewikkelde zaken, zoals de onderhavige, zijn deze opties evenwel niet toereikend om de doeleinden van de herziening van het onderzoek ter terechtzitting, vergroting van de mogelijkheden tot tegenspraak en wegneming van de nadelige effecten van de verstekprocedure, te realiseren. Een weloverwogen processtrategie, gebaseerd op het behoud van enerzijds de gunstige rechtsgevolgen van een verstekprocedure en anderzijds het recht op een volledige verdediging van de niet verschenen verdachte, heeft de wetgever - blijkens deze recente en na een uitgebreide gedachtewisseling totstandgekomen - wetgeving niet willen toelaten. De verdachte moet dus een keuze maken en die keuze mag ook in het huidige maatschappelijke verkeer in redelijkheid van hem worden gevergd. De beperkingen die een dergelijke imperatieve keuze voor de verdedigingspositie van de verdachte met zich brengt, vormen het resultaat van een door de wetgever gemaakte belangenafweging, die valt binnen de beoordelingsvrijheid die verdragsstaten bij de inrichting van hun strafproces toekomt. De door de verdachte en diens raadsman thans gekozen processtrategie stelt het hof op een lijn met een uitdrukkelijke afstand door de verdachte van het hem toekomende recht op een volledige verdediging ten faveure van het behoud van de voor hem gunstige rechtsgevolgen van een verstekprocedure. De mogelijkheid tot een effectieve verdediging wordt de verdachte op deze wijze niet onthouden. Voor wat betreft de rechten van de verdediging met betrekking tot de oproeping en het horen van getuigen wijst het hof op het arrest van het EHRM van 15 december 1998 in de zaak A.E.D.L.G. tegen Spanje (no. 40180/98). Dit arrest houdt - voor zover hier van belang - in: Pour autant que le requérant allègue la violation de l’article 6 §§ 1 et 3 d) de la Convention, la Cour rappelle que les exigences du paragraphe 3 de l’article 6 de la Convention représentent des aspects particuliers du droit à un procès équitable garanti au plan général par le paragraphe 1. C’est pourquoi elle estime approprié d’examiner les griefs du requérant sous l’angle des deux textes combinés (voir notamment les arrêts Pullar c. Royaume-Uni du 10 juin 1996, Recueil des arrêts et décisions 1996-III, p . 796, § 45, et Foucher c. France du 18 mars 1997, Recueil 1997-II, p. 464, § 30). La Cour rappelle en outre que la question de savoir si une procédure s'est déroulée conformément aux exigences du procès équitable, telles que prévues à l'article 6 § 1 de la Convention, doit être tranchée sur la base d'une appréciation de la procédure en cause considérée dans sa globalité. La Cour renvoie à cet égard à la jurisprudence constante (cf. par exemple arrêt Barbera, Messegué et Jabardo c. Espagne du 6 décembre 1988, série A n° 146, p. 31, § 68 ; 7987/77, déc. 13.12.79, D.R. 18 p. 31). Par ailleurs, il n'entre pas dans les attributions de la Cour de substituer sa propre appréciation des faits et des preuves à celle des juridictions internes, sa tâche étant de s'assurer que les moyens de preuve ont été présentés d Te wiens laste komen nu de aan de door de raadsman van de verdachte opgegeven getuigen, voor zover zij niet in overheidsdienst zijn, toe te kennen vergoedingen, nu er geen sprake is van een verzoek van de verdachte in de zin van de artikelen 328 en 331 juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering? Gesteld noch gebleken is immers dat de verdachte niet in staat is om deze vergoedingen te betalen dan wel daardoor in zijn verdedigingsmogelijkheden zodanig wordt beperkt dat niet meer gesproken kan worden van een effectieve verdediging. Deze complicatie doet zich uiteraard niet voor, zo heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 20 december jl. terecht opgemerkt, ingeval de oproeping van de door de raadsman opgegeven getuigen door het hof ambtshalve wordt bevolen. Maar die oproeping vindt dan ook niet naar aanleiding van een toetsing aan het verdedigingscriterium plaats. Ten einde een heldere en duidelijke procesvoering te realiseren zal het hof de beperkingen inzake de verdedigingspositie van de verdachte als gevolg van de door hem gekozen processtrategie nader uitwerken. Het hof zal de raadsman van de verdachte niet toelaten tot de verdediging indien en voor zover hij: andere verzoeken dan die welke verband houden met de voorlopige hechtenis van de verdachte doet; de toe- of instemming met betrekking tot een bepaalde door het hof te nemen beslissing wil geven dan wel onthouden. De door het hof genoemde uitzondering op de aangegeven beperkingen inzake de verdedigingspositie van de verdachte, te weten de verplichting om te beslissen op door de raadsman gedane verzoeken welke verband houden met de voorlopige hechtenis van de verdachte, volgt rechtstreeks uit het bepaalde in artikel 5 EVRM. De niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman kan dus niet verzoeken om geweigerde of nieuwe getuigen of deskundigen op te roepen of verzoeken om nieuwe processtukken over te leggen of afstand doen van gehoorde dan wel opgeroepen doch niet verschenen getuigen of deskundigen. Desgewenst kan de raadsman wel verschenen getuigen en deskundigen ondervragen en over de door de desbetreffende getuige of deskundige afgelegde verklaringen de nodige opmerkingen maken. Het hof zal de raadsman, zo lang hij niet verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de verdachte te verdedigen, niet toelaten tot het doen van verzoeken om door het openbaar ministerie geweigerde getuigen op te roepen. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de vraag of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van die oproeping niet in zijn verdediging is geschaad als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering. De door de verdachte gekozen processtrategie brengt mee dat het hof geen met redenen omklede beslissing zal geven inzake het achterwege blijven van de door de raadsman van de verdachte opgegeven getuigen, wier oproeping door het openbaar ministerie is geweigerd. Indien het hof de oproeping van getuigen zal bevelen danwel de zaak naar de rechter-commissaris zal verwijzen voor het horen van getuigen, geschiedt zulks op de voet van het bepaalde in artikel 315, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 316, eerste lid, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering. Het horen van door de raadsman van de verdachte opgegeven getuigen vindt derhalve slechts plaats als naar het oordeel van het hof de noodzakelijkheid ervan is gebleken. Nu de verdachte zijn raadsman nog steeds niet uitdrukkelijk gemachtigd heeft om hem te verdedigen en dientengevolge de raadsman van de verdachte niet bevoegd is verzoeken als bedoeld in artikel 287, derde lid, 315 en 316, juncto artikel 415, van het Wetboek van Strafvordering te doen, dient het ter terechtzitting van 15 december 1999 door het hof aangegeven en aan de raadslieden ter beschikking gestelde toetsingskader “bij de beoordeling van verzoeken om in de COPA-zaak getuigen te horen”, dat uitgaat van verzoeken als bedoeld in de a Ook aan geen enkele andere verdrags- of wetsbepaling kan [medeverdachte1] met het oog op zijn mogelijke voornemen om als getuige ter terechtzitting van het hof te verschijnen een aanspraak ontlenen op het geven van een vrijgeleide. Een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis ten einde in de gelegenheid te worden gesteld om ter terechtzitting van het hof in zaken van medeverdachten te kunnen getuigen kan alleen in de zaak tegen de betrokken verdachte zelf aan de orde worden gesteld. Een verzoek van de verdediging om de voorlopige hechtenis van [medeverdachte1] met een extra dag te schorsen ten einde als getuige in de zaken van de medeverdachten te kunnen optreden zal door het hof welwillend worden ontvangen. Het hof zal de stukken in handen stellen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage teneinde de volgende getuigen te horen waarbij ten aanzien van reeds eerder door een rechterlijke instantie gehoorde getuigen wordt opgemerkt dat het gaat om het in staat stellen van de verdediging aan deze getuigen een aantal nadere vragen te stellen, waarbij niet verwacht wordt dat de rechter-commissaris onderzoek naar de zaak ten gronde zal doen: [medeverdachte1], [bedreigde getuige 1], [getuige 12], [getuige 13], [getuige 14], [getuige 15], [getuige 16], [getuige 17], [getuige 18], [getuige 19], [getuige 20], [getuige 21], [getuige 22], [getuige 23] (rog. cie), [getuige 24], [getuige 25], [getuige 26], [getuige 27], [getuige 28], [getuige 29], [getuige 30], [getuige 31], [getuige 32], [getuige 33], [getuige 34] en [getuige 35]. Ten aanzien van getuigen van wie geen - recent - adres bekend is, gaat het hof er vanuit dat de raadsman de ontbrekende adressen aan de rechter-commissaris zal verstrekken, waarbij evenwel ook inspanningen van het openbaar ministerie terzake kunnen worden gevraagd. Ten aanzien van de getuigen die in Suriname woonachtig zijn dan wel verblijven, geeft het hof de rechter-commissaris in overweging deze getuigen via een rechtshulpverzoek op te roepen om in Nederland een verklaring te komen afleggen dan wel deze getuigen via een rogatoire commissie in Suriname te (doen) horen; een en ander voorzover de tussen Nederland en Suriname geldende rechtshulpbepalingen of andere overwegingen van dwingende aard zich hier niet tegen verzetten. Voorts overweegt het hof dat de rechter-commissaris voorafgaand aan een rechtshulpverzoek een verzoek kan doen aan de Surinaamse autoriteiten om ten aanzien van personen die vermoedelijk in Suriname woonachtig zijn dan wel daar verblijven, doch waarvan geen adres bekend is, een adresonderzoek te doen verrichten, hetgeen is op te vatten als een verzoek vallende onder artikel 10 lid 1 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken waarbij is bepaald dat partijen “elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp (te) verlenen”. Overwegingen ten aanzien van het verhoor van [bedreigde getuige 1] De raadsman heeft de wens te kennen gegeven om de [bedreigde getuige 1] opnieuw te doen horen. De [bedreigde getuige 1] is vermomd en met stemvervorming in aanwezigheid van de officier van justitie, de raadsman van de verdachte en de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte2] door de rechter-commissaris, mr. I.E. de Vries, op 26 oktober 1998 gehoord. De raadsvrouw van de medeverdachte [medeverdachte1] is in de gelegenheid gesteld om bij dat verhoor aanwezig te zijn. De getuige bevond zich in een cabine hoorbaar en tot schouderhoogte zichtbaar voor de aanwezigen. De officier van justitie, de raadsman van de verdachte en de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte2] hebben een aantal op schrift gestelde vragen aan de rechter-commissaris overhandigd. De rechter-commissaris heeft bij faxbericht van 20 oktober 1998 vragen ontvangen van de raadsvrouw van de medeverdachte [medeverdachte1]. De rechter-commissaris heeft de vragen De eerlijkheid van het proces in zijn totaliteit loopt gevaar, als bij of in verband met het verhoor van de bedreigde getuige de verdedigingsrechten van de verdachte worden beknot en daarvoor onvoldoende compensatie kan worden gevonden. Als hierdoor de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring niet voor de bewijsbeslissing bruikbaar is, wordt de waarheidsvinding belemmerd. De waarheidsvinding wordt evenzeer gehinderd ingeval de bedreigde getuige bij het afleggen van zijn verklaring niet vrijuit zijn redenen van wetenschap kan vermelden en om die reden de afgelegde verklaringen niet voor de bewijsbeslissing bruikbaar zijn. Een en ander brengt mee dat, indien een bedreigde getuige door de rechter-commissaris opnieuw wordt gehoord, door de zittingsrechter aan de rechter-commissaris kan en mag worden verzocht om te onderzoeken of dat verhoor kan plaatsvinden op een wijze die recht doet aan de specifieke verantwoordelijkheden van de zittingsrechter. Gelet op het grote gewicht dat de wetgever aan de waarborging van de anonimiteit van de getuige hecht, dient dit belang evenwel onder alle omstandigheden voorop te staan en zal de zittingsrechter de gevolgen daarvan vanuit zijn eigen verantwoordelijkheden moeten wegen. De rechter-commissaris, mr. I.E. de Vries, is ter terechtzitting van het hof van 16 december 1999 als getuige gehoord omtrent de door het hof te geven verwijzingsinstructie, ingeval een of meer van de bedreigde getuigen door de rechter-commissaris opnieuw zouden moeten worden gehoord. Gehoord voornoemde rechter-commissaris, het openbaar ministerie en de raadsman en gelet op het hiervoor aangegeven toetsingskader luidt de verwijzingsinstructie aan de rechter-commissaris als volgt: Het hof verzoekt de rechter-commissaris de [bedreigde getuige 1] opnieuw te horen met inachtneming van de door de wet aan de rechter-commissaris toebedeelde verantwoordelijkheden. Het hof verzoekt de rechter-commissaris te onderzoeken of de omstandigheden waaronder het eerste verhoor heeft plaatsgevonden inmiddels zodanig zijn gewijzigd dat een tweede verhoor kan plaatsvinden op een wijze waarbij tegemoet kan worden gekomen aan de eerder geuite bezwaren van de raadsman van de verdachte alsook kan worden voldaan aan de in hoger beroep door die raadsman gedane voorstellen. Het hof verzoekt de rechter-commissaris voorts de raadsman van de verdachte en het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om aan de [bedreigde getuige 1] aanvullende vragen te stellen en de beantwoording daarvan te laten plaatsvinden op een wijze waarbij de verdedigingsrechten van de verdachte zo min mogelijk worden beperkt. Het hof verzoekt de rechter-commissaris na afloop van het verhoor een waarheidsgetrouwe reconstructie te maken van de plaats van het verhoor, de situering van de aanwezige personen en de vermomming van de getuige. Een dergelijke reconstructie kan het hof een indruk geven omtrent de omstandigheden waaronder het verhoor van de [bedreigde getuige 1] heeft plaatsgevonden. Deze reconstructie kan of door middel van een video-opname of wel door middel van een fotoreportage worden vastgelegd. De plaats van de aanwezige personen kan worden ingenomen door figuranten. Het hof ziet ervan af om de rechter-commissaris te verzoeken in de gelegenheid te worden gesteld om het verhoor van de [bedreigde getuige 1] zelf bij te wonen. De wijze van verhoor behoort tot de specifieke verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris. Bijwoning van het hof van dit verhoor zou aan die specifieke verantwoordelijkheid afbreuk doen. De rechter-commissaris zou zich ten aanzien van de wijze van verhoor door de bijwoning door het hof van het verhoor belemmerd kunnen voelen waardoor gevaar kan ontstaan voor onthulling van de identiteit van de bedreigde getuige. Als het hof het verhoor van een getuige zou bijwonen, zou er sprake zijn van een tijdelijke verplaatsing van de terechtzitting van het hof als bedoeld in artikel 318, eerste lid, juncto artikel 415 van het Genoemde overeenkomst met de criminele bedreigde getuige NN VI is totstandgekomen na de inwerkingtreding op 1 april 1997 van de Richtlijn “afspraken met criminelen” van 13 maart 1997 (Stcrt. 1997, 61). Enige maanden voor de totstandkoming van genoemde overeenkomst had de toenmalige Minister van Justitie reeds aan verschillende instanties advies gevraagd inzake een concept-wetsvoorstel met bijbehorende toelichting inzake een wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken). Artikel 226j, tweede lid, van dit concept-wetsvoorstel bepaalt: “Deze getuige kan niet worden gehoord met toepassing van artikel - het hof leest: de artikelen -226a tot en met 226f”. De toelichting op dit artikel houdt onder meer het volgende in: “Omdat de zittingsrechter in de gelegenheid moet worden gesteld, en de verdediging ook de mogelijkheid moet hebben de getuige te ondervragen, is toepassing van de procedure voor de bedreigde getuige uitgesloten. De essentie van deze procedure is immers dat de bedreigde getuige niet meer op de openbare terechtzitting behoeft te verschijnen en dat zijn identiteit voor de verdediging verborgen blijft.” Genoemd artikel is ongewijzigd opgenomen in het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken), Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 294, nr. 2. Ook de hiervoor geciteerde toelichting is eveneens praktisch ongewijzigd in de memorie van toelichting bij genoemd wetsontwerp opgenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 294, nr. 3, blz. 28). Blijkens het Verslag van de vaste commissie van Justitie heeft de uitsluiting van bedreigde getuigen als getuigen aan wie in strafzaken een toezegging kan worden gedaan geen bezwaren ontmoet (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 294, nr. 4). Op 1 november 1999 is de nota naar aanleiding van het verslag inzake genoemd wetsvoorstel door de Voorzitter van de Tweede Kamer ontvangen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 294, nr. 5). Deze nota houdt onder meer in (blz. 3): "Evenmin is uitgesloten dat de zittingsrechter bij gelijkgebleven omstandigheden wel tot een ander oordeel over de door de rechter-commissaris rechtmatig geoordeelde afspraak komt. Dit hangt samen met het oordeel dat de zittingsrechter van oudsher op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering toekomt bij het waarderen van de betrouwbaarheid van de getuige die hij ter zitting heeft ondervraagd in samenhang met het totaal van het bewijsmateriaal dat op de terechtzitting is aangevoerd en hetgeen daartegen door de verdediging is ingebracht. Alleen bij de regeling van de bedreigde getuige heeft de zittingsrechter een andere positie, omdat de wetgever aan de belangen van de bedreigde getuige uitdrukkelijk een zodanig gewicht heeft toegekend dat ervan is afgezien deze getuige te verplichten op de openbare terechtzitting te verschijnen." Op bladzijde 6 van deze nota staat het volgende vermeld: "(..) omdat de bedreigde getuige niet meer op de openbare terechtzitting behoeft te verschijnen; de verdediging in de zaak waarin een criminele getuige optreedt heeft wel de mogelijkheid om diens betrouwbaarheid op de openbare terechtzitting aan de orde te stellen." Op bladzijde 22 van de nota is te lezen: "Het is immers de bedoeling dat de verdachte tegen wie de verklaring is afgelegd de gelegenheid krijgt de getuige ten overstaan van de zittingsrechter te ondervragen." De uitsluiting van de bedreigde getuige in het wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen in strafzaken houdt dus verband met het feit dat de bedreigde getuige vanwege de bescherming van diens anonimiteit niet door de verdachte en zijn raadsman op Blijkens de Richtlijn is voorts uitgangspunt “dat de afspraak op de openbare terechtzitting door de rechter moet worden getoetst.” Als die Richtlijn ook van toepassing zou zijn op criminele bedreigde getuigen, is niet zonder meer verklaarbaar waarom in die richtlijn niet, gelet op de bijzondere positie van de bedreigde getuige in ons strafproces, nader is aangegeven in hoeverre overeenkomsten met bedreigde getuigen “toetsbare getuigenverklaringen” kunnen opleveren en op welke wijze een afspraak met een criminele bedreigde getuige “op de openbare terechtzitting moet worden getoetst”. Genoemde overeenkomst met de criminele bedreigde getuige NN VI is totstandgekomen na de inwerkingtreding op 1 april 1997 van de Richtlijn “afspraken met criminelen” van 13 maart 1997 (Stcrt 1997, 61). De in die overeenkomst aangegane verplichtingen werden pas van kracht vanaf de datum van de ondertekening van die overeenkomst, namelijk op 31 maart 1998. Er zijn geen aanwijzingen dat voordien publiekelijk aan de orde is geweest de vraag of ook met een bedreigde criminele getuige een dergelijke overeenkomst kan worden gesloten. In aanmerking genomen, dat enige maanden voor de totstandkoming van de overeenkomst door de toenmalige Minister van Justitie een concept-wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen in strafzaken ter advisering is aangeboden, waarin is voorgesteld om de bedreigde getuigen van de voorgestelde regeling uit te sluiten, alsmede dat vervolgens een wetsvoorstel met exact dezelfde inhoud is ingediend, zulks terwijl die voorstellen de Minister geen aanleiding hebben gegeven om, in afwachting van de verdere parlementaire behandeling daarvan, de Richtlijn aan te passen met het oog op criminele bedreigde getuigen, mag er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de Richtlijn ook betrekking heeft op met die categorie van getuigen gemaakte afspraken. Ook in het rapport van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden (de commissie-Kalsbeek) wordt geen melding gemaakt van overeenkomsten met criminele bedreigde getuigen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 269, nrs 4-5, blz. 58-63 en 209). Het vorenstaande leidt tot de volgende conclusies. De Richtlijn "afspraken met criminelen" biedt geen voldoende toetsingskader waar het gaat om de met de criminele bedreigde getuige NN VI gesloten overeenkomst. De criminele bedreigde getuige NN VI kan niet op de openbare terechtzitting van het hof worden ondervraagd. Het hof acht die ondervraging op de openbare terechtzitting om verschillende redenen noodzakelijk. De rechtmatigheid van de met de criminele bedreigde getuige NN VI gesloten overeenkomst kan slechts op de openbare terechtzitting van het hof worden getoetst door de officier van justitie, die de overeenkomst met deze criminele bedreigde getuige heeft gesloten, mr. E.D. Harderwijk, aldaar te horen. De rechter-commissaris, mr. I.E. de Vries, ten overstaan van wie de criminele bedreigde getuige NN VI zijn verklaringen heeft afgelegd, kan aan de toetsbaarheid van de rechtmatigheid van de gesloten overeenkomst geen substantiële bijdrage leveren, omdat de rechter-commissaris, gehoord ter terechtzitting van het hof van 16 december 1999, zich op het standpunt heeft gesteld dat zij de door voornoemde officier van justitie omtrent die overeenkomst gegeven informatie slechts heeft gebezigd met het oog op haar beoordeling van de betrouwbaarheid van de door de getuige NN VI afgelegde verklaringen en in haar zienswijze het oordeel omtrent de rechtmatigheid van de gesloten overeenkomst is voorbehouden aan de zittingsrechter. De toetsing van de rechtmatigheid van de gesloten overeenkomst is van belang met het oog op de voorwaarden waaronder een afspraak met een criminele getuige mag worden gemaakt. Het gaat hierbij niet alleen om de toetsing aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Getoetst dient ook te kunnen worden aan het vereiste van openheid. Zo moet kunnen worden nagegaan of de criminele getuige voldoende open is geweest over een