Rechtspraak 1998-04-22
ECLI:NL:GHSGR:1998:AA7996
GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE derde meervoudige belastingkamer 22 april 1998 nummer BK-96/01005 UITSPRAAK op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de dijkgraaf en heemraden van het waterschap De Groote Waard te Klaaswaal (hierna: het dagelijks bestuur) betreffende de hierna te noemen aanslagen. 1. Aanslagen en bezwaar 1.1. Voor het jaar 1995 zijn ter zake van tachtig ongebouwde onroerende zaken aan belanghebbende aanslagen opgelegd in de waterschapsomslagen van het Waterschap De Groote Waard (hierna: het waterschap). Deze aanslagen op één aanslagbiljet verenigd met diverse andere aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de waterschapsomslagen zijn gedagtekend 30 april 1995 en belopen een bedrag van in totaal f 3.807. 1.2. De aanslagen zijn, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door het dagelijks bestuur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 2. Loop van het geding 2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van f 75. Het dagelijks bestuur heeft een vertoogschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 21 januari 1998, gehouden te 'sGravenhage. Aldaar zijn verschenen A namens belanghebbende en B namens het dagelijks bestuur. 2.3. Ter zitting hebben belanghebbende en het dagelijks bestuur elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. 3. Verordeningen 3.1. De verenigde vergadering van het waterschap heeft in haar openbare vergadering vastgesteld een verordening op de waterschapsomslagen, genaamd "Verordening op de waterschapsomslagen 1995" (hierna: de Verordening). De Verordening is door gedeputeerde staten van de provincie ZuidHolland goedgekeurd. Bij een verordening die door de verenigde vergadering van het waterschap in de openbare vergadering is vastgesteld en door gedeputeerde staten van de provincie ZuidHolland is goedgekeurd, is de Verordening gewijzigd. Een afdruk van de Verordening, met inbegrip van de daarbij behorende toelichting, zoals die luidt voor het belastingjaar 1995, behoort tot de stukken van het geding. 3.2. De Verordening luidt voor zover hier van belang als volgt: "Hoofdstuk I Inleidende bepalingen Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: a. taakgebied voor de zorg voor de waterkering: het in het reglement voor het waterschap De Groote Waard aangegeven gebied, waarin de aan het waterschap opgedragen taak voor de zorg voor de waterkering wordt behartigd; b. taakgebied voor de zorg voor de waterhuishouding: het in het reglement voor het waterschap De Groote Waard aangegeven gebied, waarin de aan het waterschap opgedragen taak voor de zorg voor de waterhuishouding wordt behartigd; c. taakgebied voor de zorg voor de wegen: het gebied gelegen binnen het eiland de Hoeksche Waard, waarin de aan het waterschap opgedragen taak voor de zorg voor de wegen wordt behartigd; (...) Belastbaar feit en omslagplicht Artikel 2 1. Ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de aan het waterschap opgedragen taken wordt onder de naam "waterschapsomslag" een directe belasting geheven. 2. De in het eerste lid bedoelde waterschapsomslag wordt geheven van de omslagplichtigen: a. bedoeld in de hoofdstukken II en III, ter zake van de in die hoofdstukken genoemde onroerende zaken, voorzover deze zijn gelegen in een taakgebied en deze belang hebben bij de behartiging van de in die hoofdstukken nader omschreven taken; b. (...) Hoofdstuk II Omslagheffing ongebouwd Omslagplicht zakelijk genothebbenden ongebouwd Artikel 3 1. Met betrekking tot de taken van het waterschap in zake waterkering, waterhuishouding en wegen wordt de waterschapsomslag geheven van degenen die in een taakgebied krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken. (...) (...) Heffingsmaatstaf ongebouwd Artike De Verordening voorziet overeenkomstig de artikelen 120 en 121 van de Waterschapswet voor de categorie ongebouwde onroerende zaken in een heffing naar de oppervlakte, voor de categorie gebouwde onroerende zaken in een heffing naar de economische waarde en voor de categorie ingezetenen in een heffing per woonruimte. 4.3. De afzonderlijk voor deze drie categorieën geldende tarieven zijn vastgesteld aan de hand van de terzake in de Kostentoedelingsverordening geregelde percentages. De hoogte van die percentages is vastgesteld naar de mate van het belang van de onderscheidene categorieën bij de behartiging van elk van de taken van het waterschap. 4.4. Het waterschap heeft besloten ervan af te zien om met betrekking tot de omslagheffing nog een verdere differentiatie toe te passen. Uit een voorstel van het dagelijks bestuur van 10 augustus 1994 blijkt dat voor geen van de taken van het waterschap de noodzaak aanwezig werd geacht om omslagklassen als bedoeld in artikel 120, lid 5, van de Waterschapswet in te stellen. 4.5. Uit overwegingen van doelmatigheid is ervoor gekozen een vrijstelling in de Verordening op te nemen voor onroerende zaken, zowel gebouwde als ongebouwde, die in eigendom zijn bij het waterschap (principe van vestzakbroekzak). 4.6. De tachtig in geding zijnde percelen (hierna: de dijkpercelen) bevinden zich alle binnen de in artikel 1 van de Verordening omschreven taakgebieden. Belanghebbende heeft krachtens eigendom het genot van de dijkpercelen. De onderhavige aanslagen zijn berekend naar de in artikel 6 van de Verordening vermelde tarieven voor ongebouwde onroerende zaken. 4.7. De dijkpercelen zijn op (binnen)dijken gelegen ongebouwde onroerende zaken. De dijkpercelen zijn dijktaluds die, voor zover exploitabel, door belanghebbende in gebruik zijn gegeven aan schapenhouders en natuurbeschermingsinstanties. Het gaat hier om zogenoemde slapers; de hoogwaterkeringsfunctie ligt bij de hoofdwaterkeringen die de buitenste ring vormen en in beheer en onderhoud zijn bij het waterschap. De dijken vormen met hun beplanting het voor zo'n gebied kenmerkende coulisselandschap. 5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 5.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderwerpelijke aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en het dagelijks bestuur bevestigend beantwoordt. Partijen houdt in het bijzonder verdeeld het antwoord op de vraag of het feit dat met betrekking tot de categorie van de ongebouwde onroerende zaken geen omslagklassen zijn ingesteld aan de aanslagen in de weg staat. 5.2. Belanghebbende heeft - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De omslagheffing naar oppervlakte houdt er geen rekening mee dat dijken slechts een fractie van de waarde van cultuurgronden hebben. Dit levert rechtsongelijkheid op. Bovendien zijn dijken bij een goede taakuitoefening door het waterschap wezenlijk minder gebaat dan cultuurgronden. Van oudsher vormen dijken bij een falen van de waterkeringszorg een toevluchtsoord, want ook zonder ontwatering en bemaling blijven de dijken wel boven water. Aan de waterkeringstaak dragen de dijken bij door compartimentering van het beschermingsgebied. Als zodanig zijn dijken een wezenlijk onder deel van de waterbeheersingswerken, zij het dat de dijken niet meer specifiek ten behoeve van de beschermingsfunctie worden beheerd. Met betrekking tot de waterhuishouding geldt dat een systeem van natuurlijke lozing al voldoende is om de dijktaluds in de zomer te doen droogvallen. Het zeer gedetailleerde systeem van (hoofd)watergangen zou, waar het om dijken gaat, heel eenvoudig kunnen zijn. Datzelfde geldt voor de bemaling. Met betrekking tot de wegenzorg geldt dat de kosten, voor zover die ten laste komen van ongebouwde onroerende zaken, in belangrijke mate worden opgeroepen door de afvoer van landbouwproducten. Bovendien is het nut van de wegen voor de schapenhouderij of de natuurbescherming nihil of te verwaarlozen. Voort