Rechtspraak 1997-03-11
ECLI:NL:GHSGR:1997:AA4375
GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE eerste meervoudige belastingkamer 11 maart 1997 nummer 95/3819 UITSPRAAK op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen te P van de Belastingdienst, betreffende na te noemen aanslag. 1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van / 74.843 en een belastingvrije som van / 11.538. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt be-zwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehand-haafd. 2. Loop van het geding Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep ge-komen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75. De Inspec-teur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ing-ezonden, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclu-sie van dupliek. Belanghebbende en de Inspecteur hebben bij brief van 25 okto-ber 1996 respectievelijk bij fax van 28 oktober 1996 te kennen gegeven af te zien van een mondelinge behandeling van het on-derhavige beroep. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zich-zelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende heeft per 1 oktober 1993 zijn onderneming, een groothandel in x-produkten, ingebracht in de door hem op-gerichte besloten vennootschap A B.V. (hierna: de B.V.). Bij de overdracht van de bedrijfsmiddelen aan de B.V., bestaande uit inventaris en (...), werd een boekwinst gemaakt van f 137.009. Het overig bedrijfsvermogen, een bedrijfspand met een woning met een boekwaarde van f a, werd niet overgedragen, doch bleef achter in privé. De werkelijke waarde hiervan be-droeg f b, zodat hierop een boekwinst werd gemaakt van f 97.168. Voorts ontstond een vrijval van de fiscale oudedags-reserve (hierna: FOR) ten bedrage van f 57.402. 3.2. Belanghebbende heeft de winst verband houdend met het staken van de onderneming als volgt berekend: boekwinst ingebrachte bedrijfsmiddelen f 137 009 boekwinst onroerende zaken f 97 168 f 234 177 vrijval FOR f 57 402 f 291 579 stakingsvrijstelling f 45 000 f 246 579 koopsom stamrecht f 246 579 per saldo 0 Tussen belanghebbende en de Inspecteur bestaat geen verschil van mening over de grootte van deze bedragen. 3.3. De Inspecteur heeft het bedrag van de koopsom, dat als premie voor lijfrente aftrekbaar is, gesteld op f 194.521, namelijk de som van de boekwinst op de aan de B.V. overgedra-gen bedrijfsmiddelen ad f 137.009 en de vrijval van de FOR ad f 57.402, vermeerderd met de vrijval van de na te noemen toe-voeging aan de FOR ad f 110. Aftrek werd geweigerd voor het bedrag van de boekwinst gemaakt op de in privé gehouden onroe-rende zaken op grond van de overweging dat de B.V. voor dit bedrag geen verzekeraar is in de zin van artikel 45, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet. De Inspecteur bracht aldus een correctie aan van f 97.168 minus de stakingsvrij-stelling van f 45.000 en minus een toevoeging aan de FOR van f 110 is f 52.058. 3.4. De Inspecteur heeft het aangegeven inkomen voorts ver-hoogd met f 10.245, welke correctie niet in geschil is. 4. Omschrijving van het geschil en standpunten van partijen. 4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende een fiscaal gefacilieerde lijfrente bij de B.V. kan bedingen voor de stakingswinst op de buiten de overdracht aan de B.V. gebleven onroerende zaken, welke vraag de Inspecteur ontken-nend en belanghebbende bevestigend beantwoordt. 4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. 4.3. Belanghebbende beroept zich op de parlementaire geschie-denis van wetsvoorstel 21.198, alsmede op de tekst van artikel 45, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, aanhef en ten