Rechtspraak 1996-08-28
ECLI:NL:GHSGR:1996:AA4316
GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE eerste meervoudige belastingkamer 28 augustus 1996 "p" nummer 92/2030 UITSPRAAK op het beroep van X GmbH te Z (B.R.D), tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulierne/Ondernemingen P van de Belastingdienst, betreffende na te noemen naheffingsaanslag. 1. Naheffingsaanslag en bezwaar 1.1 Blijkens aanslagbiljet, gedagtekend 26 maart 1992, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de loonbelasting opge-legd over het tijdvak 1 januari 1989 tot en met 31 december 1989. 1.2 De nageheven enkelvoudige belasting beloopt / 28.402, inclusief / 5.564 heffingsrente, over welk bedrag geen verhoging is toegepast. 1.3 Deze naheffingsaanslag is, na daartegen door belanghebben-de gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 2. Loop van het geding 2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingezonden, waarop de In-specteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek. 2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 8 maart 1994, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen belangheb-bendes gemachtigde alsmede de Inspecteur. 2.3 Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. Ter zitting zijn voorts door de gemachtigde van belanghebbende twee stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud eveneens als hier ingelast moet worden aangemerkt, zijn door de griffier gekenmerkt 1 en 2. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1 Belanghebbende, een naar Duits recht opgericht lichaam, is een wereldwijd opererend Duits ingenieursbureau, gevestigd te Z (B.R.D). Het bureau heeft zich gespecialiseerd in het ont-werpen en de constructie van afvalverbrandingsinstallaties. Contacten met opdrachtgevers, zowel bestaande als potentiële nieuwe, vinden plaats vanuit Z. 3.2 De afvalverbrandingsinstallatie van de Gemeentelijke Vuilverbranding Dordrecht (hierna: Gevudo) heeft sinds 1976 te weinig capaciteit om de aangevoerde hoeveelheden te verwerken. Een besluit om tot uitbreiding over te gaan is vastgelegd in een notitie van oktober 1987. In de daarin opgenomen planning wordt uitgegaan van een tijdspanne voor de uitbreiding van december 1987 tot april 1992. 3.3 Op 27 april 1988 tekenden belanghebbende en Gevudo een (turn-key) overeenkomst, waarin wordt overeengekomen dat belanghebbende de eerste deelopdracht en, zo partijen dat overeenkomen, de volgende opdrachten verkrijgt en de uitbreiding en verbetering van de gehele vuilverbranding verzorgt, met alle daarbij behorende leveringen en werkzaamheden met uitzondering van de bouwtechnische werkzaamheden die door of namens Gevudo worden verricht. De verantwoordelijkheid van belanghebbende bij de uitbreiding beperkt zich tot het machinetechnische deel. De eerste deelopdracht, welke in april 1988 start, bestaat uit drie fasen, welke per fase op een bepaalde datum moeten worden opgeleverd. Het geheel moet binnen 48 maanden na ondertekening gebruiksklaar worden overgedragen. 3.4 De overeenkomst bevat tevens de navolgende, hier van belang zijnde punten: 3.4.1 Belanghebbende dient bij volmacht één of meer personen aan te wijzen die haar kunnen vertegenwoordigen in zaken het werk betreffende. Deze gemachtigde i 4.2 Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch daaraan geen grieven of weren toegevoegd. Partijen zijn ter zitting ermee accoord gegaan dat voor de berekening van de loonsom uitgegaan wordt van een werkdag van 8 1/4 uur. 5. Conclusies van partijen Het beroep van belanghebbende strekt primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en - na wijziging van haar standpunt in de loop van het geding - subsidiair tot vermindering van de aanslag tot één ten bedrage van (203 x 8.25 x f 50 x 13% =) f 10.855 aan enkelvoudige belasting en met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente. De Inspecteur heeft - na wijziging van zijn standpunt in de loop van het geding - geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot één aan enkelvoudige belasting van (203 x 8.25 x f 50 x 25% =) f 20.934 eveneens met dienovereenkomstige vermindering van heffingsrente. 6. Overwegingen omtrent het geschil 6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet - voor zover hier van belang - wordt wie niet in Nederland gevestigd is slechts als inhoudings- plichtige beschouwd voor zover hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf heeft. 6.2 In een situatie zoals de onderhavige, waarin mogelijk sprake is van dubbele heffing, moet niet alleen worden voldaan aan deze Nederlandse heffingsbepaling, maar ook aan de regels van het Verdrag. 6.3 Het Verdrag bepaalt in artikel 1, lid 2, aanhef en sub-paragraaf 2, onderdeel b, dat de loonbelasting valt onder de Nederlandse belastingen die het onderwerp van het Verdrag uit-maken. Aangezien het geschil betreft belastingheffing over de beloning ter zake van in Nederland verrichte werkzaamheden in een dienstbetrekking van werknemers die hun woonplaats in Duitsland hebben, dienen voor de beantwoording van de in ge-schil zijnde vragen de bepalingen van het Verdrag te worden getoetst. 6.4 De algemene regel, vervat in artikel 10, lid 1, van het Verdrag, ten aanzien van de belastingheffing over beloningen ter zake van niet-zelfstandige arbeid, is dat deze is toegewe-zen aan de staat waar de arbeid wordt uitgeoefend (hierna: de werkstaat). Bij wijze van uitzondering op deze algemene regel wordt in het tweede lid van het genoemde artikel de belastingheffing over beloningen ter zake van niet-zelfstandige arbeid toegewezen aan de staat waar de werknemer zijn woonplaats heeft (hierna: de woonstaat), indien: 1. de desbetreffende werknemer gedurende het belastingjaar niet langer in de werkstaat verblijft dan 183 dagen, 2. de vergoeding voor de werkzaamheden wordt ontvangen van een werkgever die geen inwoner is van de werkstaat, en 3. de vergoeding niet wordt ontvangen ten laste van een zich in de werkstaat bevindende vaste inrichting van de werkgever. Nagegaan dient te worden derhalve of de algemene regel dan wel de uitzondering van artikel 10, lid 2, van het Verdrag van toepassing is. 6.4.1 Niet in geschil is dat, voor wat betreft de in Nederland woonachtige werknemer, H, belanghebbende voor de toepassing van de Wet via de bedrijfsinrichting te R inhoudingsplichtig was ten aanzien van zijn beloning voor toepassing van de Wet. Het geschil betreft slechts de Duitse werknemers die voldoen aan de eerste voorwaarde voor toepassing van de uitzondering en die derhalve korter dan 183 dagen in Nederland hebben vertoefd. 6.4.2 Vaststaat dat de Duitse werknemers hun vergoeding voor de door hen verrichte werkzaamheden ontvingen van belanghebbende als werkgever en dat deze geen inwoner is van de werkstaat, Nederland, zodat ook aan de tweede voorwaarde voor de toepassing van de uitzondering wordt voldaan. 6.4.3 Voor de vaststelling of ook aan de derde voorwaarde voor toepassing van de uitzondering wordt voldaan, dient op de eerste plaats de vraag te worden beant