Rechtspraak 1996-04-18
ECLI:NL:GHSGR:1996:AA4313
GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE tweede meervoudige belastingkamer 18 april 1996 nummer 94/2974 UITSPRAAK op het beroep van de Stichting X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belasting-dienst/Ondernemingen P, betreffende na te noemen naheffingsaanslag. 1. Naheffingsaanslag en bezwaar 1.1. Blijkens aanslagbiljet, gedagtekend 10 september 1993, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1991. 1.2. De nageheven enkelvoudige belasting beloopt / a, over welk bedrag geen verhoging is toegepast. 1.3. Deze naheffingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 2. Loop van het geding 2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 september 1995, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 2.3. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet vol-doende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1.1. Belanghebbende exploiteert sedert 1 januari 1989 zie-kenhuizen te Z en R en een polikliniek te S. 3.1.2. Belanghebbende is opgericht in verband met de fusie van de activiteiten van drie stichtingen, waaronder de stichting A te S. 3.1.3. Het personeel van de laatstgenoemde stichting is per 1 januari 1989 ondergebracht bij belanghebbende. Voor een ieder die destijds in dienst was van die stichting gold, behoudens een tiental personeelsleden die afvloeiden, een werkgarantie. Bij die overgang van het personeel was geen sprake van collectief ontslag, maar zijn de bestaande dienstbetrekkingen met alle rechten en verplichtingen overgegaan naar belanghebbende. 3.1.4. Belanghebbende had in 1991 1.177 personeelsleden in dienst, waarvan 137 ex-personeelsleden van de stichting A. 3.2.1. Op 15 mei 1981 heeft de stichting A de stichting E-Fonds opgericht. 3.2.2. Blijkens artikel 2 van haar statuten heeft laatstgenoemde stichting ten doel het beheren van het vermogen en het verrichten van donaties en eventuele andere uitkeringen ten behoeve van het personeel, in dienst van de stichting A te S en al hetgeen in de ruimste zin daarmede verband houdt. Een kopie van de akte waarin de tekst van die statuten (zoals die zijn gaan luiden na de statutenwijziging van 31 oktober 1985) is neergelegd, behoort tot de stukken van het geding. 3.2.3. Eind 1986 had het E-Fonds een eigen vermogen, inclusief nog niet gerealiseerde koerswinsten, van f 174.935. 3.2.4. Dat vermogen is mede gevormd door donaties van de stichting A. Ook een bouwonderneming heeft, naar aanleiding van een nieuwbouwproject bij de stichting A, ten behoeve van het ziekenhuispersoneel een bedrag aan het E-Fonds ter beschikking gesteld. 3.2.5. Het personeel van de stichting A heeft niet bijgedragen aan het vermogen van E-Fonds. 3.2.6. In 1986 heeft de stichting A aan het E-Fonds voor het laatst een donatie verstrekt van f 20.000. Die donatie is boekhoudkundig toegerekend aan het jaar 1985. 3.3.1. Op 22 december 1986 is door het bestuur van het E-Fonds besloten het grootste deel (f 135.000) van het vermogen van het fonds te bestemmen voor een uitkering aan het personeel dat per 9 oktober 1986 in dienst was van de stichting A. 3.3.2. Op 7 juli 1987 heeft de toenmalige gemachtigde van de stichting E-fonds aan het Ministerie van Financiën gevraag Het bestuur van het E-Fonds heeft volledig zelfstandig de personen aangewezen die in aanmerking kwamen voor een uitkering, alsmede de hoogte van deze uitkeringen vastgesteld. De medewerking van belanghebbende beperkte zich tot een kassiers-functie. Zij is derhalve niet aan te merken als inhoudingsplichtige in de zin van artikel 6, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964. b. De uitkeringen hadden geen verplicht karakter. In de statuten van het E-Fonds worden geen rechten toegekend aan personeelsleden van het A Ziekenhuis. c. Ingeval de uitkeringen een verplicht karakter dragen dan impliceert dit dat destijds in 1986 rechten/aanspraken zijn toegekend aan de (ex)werknemers van de stichting A. Dergelijke aanspraken zouden in 1986 onderworpen zijn geweest aan de hef-fing van loonbelasting. Een naheffing van loonbelasting in 1993 wordt gestuit door de verjaringstermijn van vijf jaar. 4.3. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden. 4.4. Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota. 4.5. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd. 5. Conclusies van partijen Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de onderwerpelijke naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 6. Overwegingen omtrent het geschil 6.1.1. Het bestuur van het E-Fonds heeft op 22 december 1986 besloten het grootste deel (f135.000) van het vermogen van het fonds te bestemmen voor een uitkering aan de werknemers die per 9 oktober 1986 in dienst waren van de stichting A. 6.1.2. Het Hof is van oordeel dat dit besluit, mede bezien in het licht van de statuten van de stichting E-Fonds, onvoldoende (specifiek) is om aan te nemen dat in 1986 ieder van die werknemers een aanspraak heeft gekregen als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet). 6.2. Het Hof leidt uit de onder 3.4 bedoelde brief af dat het bestuur van het E-Fonds nog in april 1990 het voornemen had het positieve saldo van het E-Fonds uit te keren aan alleen de (ex)werknemers van de stichting A. 6.3. Vast staat dat uiteindelijk belanghebbende (met gelden afkomstig uit het E-Fonds) aan die (ex)werknemers in totaal f 89.805 heeft uitgekeerd en aan haar overige personeelsleden in totaal f 78.000. 6.4. Het Hof acht, gelet op het vorenoverwogene en hetgeen onder 3.5.1. is weergegeven, aannemelijk dat, zoals de Inspecteur ook heeft gesteld, aangaande de bestemming van gelden afkomstig uit het E-Fonds belanghebbende met het bestuur van dat fonds heeft onderhandeld en uiteindelijk heeft bewerkstelligd dat het onder 6.1.1 bedoelde bestuursbesluit zodanig werd gewijzigd dat belanghebbende uitkeringen kon verstrekken aan de onder 3.6 bedoelde personen op de aldaar vermelde wijze. 6.5. Belanghebbende stelt dat zij met betrekking tot die uitkeringen slechts een kassiersfunctie heeft vervuld. Het Hof is, gelet op hetgeen onder 6.4 is overwogen, van oordeel dat belanghebbende die stelling tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt. Ter zake van die uitkeringen dient belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 6, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet als inhoudingsplichtige te worden aangemerkt. 6.6. In het licht van hetgeen is overwogen onder 6.1.1 tot en met 6.5, in onderlinge samenhang beschouwd, is het Hof van oordeel dat belanghebbende de onder 3.6, onderdeel b, bedoelde uitkeringen niet onverplicht en uit vrijgevigheid heeft verstrekt aan de ex-werknemers van de stichting A, zodat ter zake van die uitkeringen de vrijstelling als bedoeld in artikel 6, lid 1, onderdeel c, Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 niet van toepassing is. Immers de aard van de in die bepaling bedoelde geschenken vereist dat zij onverplicht en uit vrijgev