Rechtspraak 1995-10-25
ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4469
GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE vierde meervoudige belastingkamer 25 oktober 1995 nummer 93/4166 UITSPRAAK op het beroep van van X te Z tegen de uitspraak van de directeur financiën van het Hoogheemraadschap van Rijnland te Leiden (hierna: de directeur) betreffende na te noemen aanslag. 1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 als feitelijke gebruiker van een bedrijfsruimte een aanslag, gedagtekend 31 juli 1993, opgelegd in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren van het Hoogheemraadschap van Rijnland naar een vervuilingswaarde van 459 vervuilingseenheden, ten bedrage van f 36.710,20. In deze aanslag is een verhoging ten bedrage van f 1000,= op de voet van artikel 9, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen begrepen. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de directeur bij de bestreden uitspraak van 16 september 1993 gehandhaafd. 2. Loop van het geding 2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van f 75,=. Dijkgraaf en hoogheemraden hebben een vertoogschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 13 september 1995, gehouden te 's_Gravenhage. Aldaar zijn verschenen B in haar hoedanigheid van voorzitter van belanghebbende, alsmede de heren C en D, namens Dijkgraaf en hoogheemraden. C heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. 3. Wettelijk kader 3.1. Op 10 oktober 1984 heeft de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap vastgesteld de "Verordening verontreinigingsheffing" (hierna: de Verordening), welk besluit is goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1986, nr. 16. 3.2. Artikel 18 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren luidt - voor zover thans van belang - als volgt. "1. (...); 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt met betrekking tot de vervuiling met zuurstofbindende stoffen voor woonruimten de vervuilingswaarde gesteld op een gelijk aantal inwonerequivalenten per woonruimte, met dien verstande dat dit aantal ten hoogst 3,5 bedraagt. (...); 3. Het tweede lid vindt geen toepassing met betrekking tot voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als een onderdeel van een bedrijfsruimte. 4. (...)." 3.3. Artikel 2 van de Verordening luidt - voor zover thans van belang - aldus. "1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. (...); b. (...); c. (...); d. (...); e. (...); f. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid, niet zijnde een recreatiewoonruimte als omschreven in onderdeel g; g. recreatieruimte: een voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimte die zich bevindt op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd; recreatiewoonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte; h. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte; i. (...). 2. (...). 3.4. Artikel 4, lid 5a, van de Verordening luidt - voor zover thans van belang - als volgt. " 5a. Degene die het gebruik heeft van een bedrijfsruimte is heffingsplichtig voor de in die hoedanigheid geloosde afvalstoffen in het heffingsjaar." 3.5. Een afschrift van de tekst van de Verordening behoort tot de gedingstukken. 4. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen va In het park zelf zijn voorts verschillende woningen, hetzij met medeweten van en gedogen door de gemeente hetzij illegaal permanent bewoond. 4.4. De directeur heeft belanghebbende in haar hoedanigheid van exploitant van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren aangemerkt als gebruiker van een bedrijfsruimte en voor 1992 een aangiftebiljet toegezonden. Belanghebbende heeft vervolgens in de aangifte bij de vraag inzake de hoeveelheid gebruikte m3 water ingevuld "nihil". Ook bij de vraag hoeveel kubieke meter water werd afgevoerd werd "0" ingevuld. Bij brief van 24 februari 1993 deelt de directeur belanghebbende mee dat niet de vereiste aangifte is gedaan en verzoekt belanghebbende alsnog opgave te doen van het waterverbruik over 1990 en 1991. Belanghebbende antwoordt daarop bij brief van 26 maart 1993 dat zij van mening is met het aangeven van een waterverbruik van nihil aan haar aangifteplicht heeft voldaan. Zij deelt tevens mee te beschikken over de eenmalig door de waterleidingmaatschappij aan haar verstrekte waterverbruiken van haar leden in de jaren 1989_1991 en biedt aan de directeur behulpzaam te willen zijn bij het uitreiken van aanslagen aan de individuele bewoners op basis van het feitelijk waterverbruik. 4.5. De directeur legt uiteindelijk aan belanghebbende een aanslag op naar een vervuilingswaarde van 459 vervuilingseenheden. Daarbij is bij gebreke van inzicht in het waterverbruik uitgegaan van 153 woningen en een forfaitaire vervuiling per woning van 3 vervuilingseenheden. 5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 5.1. Het geschil betreft de vraag of belanghebbende terecht als gebruiker van een bedrijfsruimte voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren is aangeslagen, hetgeen belanghebbende bestrijdt, doch de directeur staande houdt. 5.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij een vereniging van eigenaren is die niet meer doet dan het beheren, onderhouden en instandhouden van de openbare gedeelten van het park, het bevorderen van het algemeen welzijn in het park en van de recreatieve mogelijkheden. De vereniging kan niet worden gezien als exploitant van het park. Voorts loost de vereniging als zodanig geen afvalstoffen en er is geen aansluiting op een watermeter, zodat van waterverbruik door belanghebbende geen sprake is. Zij heeft dan ook terecht aangifte gedaan naar een waterverbruik van nihil. Belanghebbende ziet overigens ook geen mogelijkheden, gelet op de Wet persoonsregistraties, om, mocht het Hof tot de conclusie komen dat zij als exploitant van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dient te worden aangemerkt, het waterverbruik van de afzonderlijke woningen aan te geven. Niet belanghebbende doch de eigenaren en gebruikers van de afzonderlijke woningen dienen in de heffing te worden betrokken op basis van het voor woonruimten geldende forfait. 5.3. Met betrekking tot de toegepaste verhoging stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de vereiste aangifte tijdig is gedaan. De aangifte is ingevuld en stellig en zonder voorbehoud ondertekend en ingezonden binnen de daartoe gestelde termijn. Bij brief van 4 februari 1993 is hierop, na een verzoek daartoe van de kant van het Hoogheemraadschap, een toelichting gegeven. De aangifte is gedaan op grond van de bij belanghebbende bekende gegevens. Opgave van het waterverbruik bij de afzonderlijke bungalows is niet mogelijk, omdat het waterleidingbedrijf deze gegevens niet mag verstrekken in verband met de Wet persoonsregistraties. Voorts zijn de eigenaren van de bungalows niet verplicht om het bestuur van belanghebbende toegang te verlenen tot de woning, noch een opgave van de verbruikte hoeveelheid water te verstrekken. Belanghebbende acht de verhoging dan ook onterecht. 5.4. De directeur is van opvatting dat belanghebbende dient te worden gezien als exploitant van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein als bedoeld in art. 18, derde lid, van Wet en art. 2, eerste lid, onde