Rechtspraak
Gerechtshof Leeuwarden
2010-03-12
ECLI:NL:GHLEE:2010:BM0732
Bestuursrecht, Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,389 tokens
Inleiding
WAHV 200.040.550
12 maart 2010
CJIB 118128202
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht
van 9 juli 2009
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De betrokkene heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl een band beschadigd of versleten is (feitcode N 270 e)”, welke gedraging zou zijn verricht op 26 april 2008 om 21.10 uur op de Nijkerstraat te Bunschoten met het voertuig met het kenteken [AB-AB-00].
2. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard. De kantonrechter overwoog daartoe onder meer het volgende:
"Het zaakoverzicht meldt als soort gedraging N270E: een band is beschadigd, waarbij het karkas zichtbaar is of uitstulpingen vertoont.(art. 5*.27 Voertuigreglement). Dit is niet komen vast te staan. Kennelijk is bedoeld N270R: de profilering van een band voldoet niet aan de gestelde eisen. Voor de categorie 4 (motorfietsen) geldt een minimum van 1,0 mm (art. 5*.27 Voertuigreglement). Nu betrokkene is staande gehouden is hij niet in zijn verdediging geschaad.
De officier van justitie heeft geen wijziging van de feitcode gevraagd. Nu de aan betrokkene verweten gedraging niet is verricht dient het beroep gegrond te worden verklaard."
3. De officier van justitie heeft in het beroepschrift gericht tegen de beslissing van de kantonrechter het volgende aangevoerd:
"Nu de kantonrechter tot de vaststelling is gekomen dat betrokkene door de kennelijke verschrijving van de verbalisant niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad omdat het hem voldoende duidelijk was wat hem verweten werd en waartegen hij zich had te verdedigen, had het uitblijven van een verzoek om wijziging van de feitcode door de officier van justitie de kantonrechter niet mogen beletten om zelf op grond van artikel 13 lid 1 WAHV tot wijziging van de feitcode over te gaan.
De aanname dat zulks slechts zou kunnen c.q. mogen geschieden na een daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, vaste jurisprudentie is dat, indien uit het onderzoek (ter zitting) en/of de aangevoerde feiten en omstandigheden vast komt te staan dat er sprake is van onjuiste vermelding van gegevens op de initiële beschikking, zoals onder meer het tijdstip, de datum, de plaats van de gedraging en/of de feitcode, zowel de officier van justitie als de kantonrechter wijzigingen kunnen aanbrengen in de sanctiebeschikking, mits er bij betrokkene redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de vraag op welke gedraging de sanctie betrekking had en waartegen hij zich had te verdedigen zoals in dezen het geval. De officier van justitie verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 22 februari 1994, 268-93-V en 13 februari 1996, 253-95-V, alsmede naar het arrest van uw Hof van 4 november 2008, LJN BG3836.
Gelet op het vorenstaande is de officier van justitie van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
De officier van justitie verzoekt uw Hof de beslissing van de kantonrechter te Amersfoort d.d. 9 juli 2009 te vernietigen, en het beroep van betrokkene, al dan niet met wijziging van de feitcode, omschrijving van de gedraging en het sanctiebedrag, ongegrond te verklaren."
4. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie volledig voorbij gaat aan de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden. De betrokkene vraagt zich af of de verbalisant, in het halfduister, zonder extra verlichting en meetapparatuur, een versleten band heeft gezien of een band waarvan het profiel minder dan 1 mm is. De motorzaak en deskundige waar de betrokkene zijn motor in onderhoud heeft, kan dit niet met het blote oog zien en heeft de band van de betrokkene met de daarvoor benodigde meetapparatuur gemeten op verschillende posities en komt tot profieldieptes van 1,3 mm, 1,4 mm en 1,6 mm. De betrokkene wijst er op dat hij niet beknibbelt op zaken die zijn veiligheid in gevaar zouden kunnen brengen.
5. Artikel 13, eerste lid, WAHV luidt: "Indien de kantonrechter bevindt dat het beroep ontvankelijk is en dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, verklaart de kantonrechter het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond en vernietigt of wijzigt het (het hof leest: hij) daarbij de bestreden beslissing."
6. De memorie van toelichting op het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften houdt voor zover te dezen van belang in (Kamerstukken II, 1987/1988, 20329, nr. 3, p. 40):
"In de schriftelijke beschikking, waarbij de administratieve sanctie wordt opgelegd, dient voor de duidelijkheid van de justitiabele een korte omschrijving van de gedraging te worden opgenomen. In aanvulling op het commissie-voorstel is bepaald dat de beschikking gedagtekend dient te zijn. Tevens dient de beschikking de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats, waar de gedraging is geconstateerd, te vermelden. Op deze wijze wordt degene aan wie de sanctie wordt opgelegd, in staat gesteld om zelf na te gaan op welke gedraging de administratieve sanctie betrekking heeft."
Dit brengt mee, dat de omstandigheid dat de inleidende beschikking onjuistheden bevat, niet tot vernietiging van de beschikking behoeft te leiden ingeval die onjuistheden niet zodanig zijn, dat bij de betrokkene redelijkerwijs misverstand kan zijn ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de hem opgelegde sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen (vgl. HR 20 april 1993, VR 1993/109).
7. Het hof is van oordeel dat nu de betrokkene is staandegehouden, het de betrokkene duidelijk was welke gedraging hem werd verweten, te weten dat de profilering van een band niet aan de gestelde eisen voldeed. Dit blijkt ook uit hetgeen de betrokkene in zijn beroepschriften heeft aangevoerd. Er kan bij de betrokkene dan ook redelijkerwijs geen misverstand zijn ontstaan omtrent de vraag om welke gedraging het gaat en waartegen hij zich heeft te verdedigen. Wijziging van de feitcode is dus in dit geval toegestaan.
8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had de kantonrechter zelf tot wijziging van de feitcode kunnen overgaan, ook al heeft de officier van justitie deze niet gewijzigd en heeft hij zich kennelijk ook ter zitting van de kantonrechter niet op het standpunt gesteld dat de beschikking op dit punt gewijzigd diende te worden.
9. Gelet hierop kan het hof de kantonrechter niet volgen in zijn beslissing en de daarbij gegeven motivering. Dit brengt echter niet met zich dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd. Hiertoe overweegt het hof het volgende.
10. De in feitcode N 270 r omschreven gedraging betreft een overtreding van artikel 5.4.27, vierde lid van het Voertuigreglement (VR), dat luidt als volgt:
"De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren."
11. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
12. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:
“Ik zag dat het loopvlak van de band achterband, Bridgestone Battax (het hof leest: Battlax) 660R, over gehele loopvlak geen profiel aanwezig. Op dit gedeelte waren geen profiellijnen meer zichtbaar. Het gladde gedeelte bedroeg ongeveer gehele loopvlak. Geen profiel aanwezig % van het totale loopvlak.”
13.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 90,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.