Rechtspraak Gerechtshof Leeuwarden 2009-09-10
ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ8018
Civiel recht
Beschikking d.d. 10 september 2009 Zaaknummer 200.024.005/01 HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN Beschikking in de zaak van [de vrouw], wonende te Nieuweschans, appellante, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.J. Veenstra, kantoorhoudende te Drachten, tegen [de man], wonende te Assen, thans verblijvende te Veenhuizen, geïntimeerde, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M. Wierts, kantoorhoudende te Groningen, Bij beschikking van 21 oktober 2008 heeft de rechtbank Groningen het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van € 250,-- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] geboren te Groningen op 18 juni 2000 (hierna ook wel genoemd: [minderjarige 1]) en [minderjarige 2], geboren te Winschoten op 7 juni 2002 (hierna ook wel genoemd: [minderjarige 2]), met ingang van 24 juni 2002, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum, afgewezen. Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 januari 2009, heeft de vrouw het hof verzocht om de beschikking van 21 oktober 2008 te vernietigen en te bepalen dat de man met ingang van 24 juni 2002 aan haar dient te betalen een bedrag van € 250,-- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], althans een door het hof te betalen bedrag met ingang van een door het hof te bepalen datum. Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 17 maart 2009, heeft de man het verzoek bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in haar verzoek dan wel afwijzing van het verzoek dan wel te bepalen dat ten aanzien van [minderjarige 2] een vaderschapstest dient plaats te vinden en naar aanleiding van die test de kinderbijdrage naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen. Het hof heeft voorts kennis genomen van de brief met bijlagen van mr. Leentjes (kantoorgenoot van mr. Veenstra) van 30 juli 2009 en de brief met bijlagen van mr. Wierts van 31 juli 2009. Ter zitting van 11 augustus 2009 is de zaak behandeld. De vrouw heeft zich daarbij doen vertegenwoordigen door mr. A. Venema, kantoorgenote van mr. Veenstra. De man heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Wierts. De beoordeling 1. Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden als zijnde niet in geschil dan wel onvoldoende weersproken. De vrouw, geboren op 28 april 1983, is van haar vijftiende tot haar achttiende jaar (en waarschijnlijk ook vóór haar vijftiende) stelselmatig seksueel misbruikt door de man (haar stiefvader) en door haar moeder, met wie zij destijds in gezinsverband samen leefde. Als gevolg van het seksueel misbruik is de vrouw zwanger geraakt van de man en is [minderjarige 1] geboren. [minderjarige 2] is twee jaar later geboren. Zowel de man als de moeder van de vrouw zijn voor het seksueel misbruik strafrechtelijk veroordeeld. Op 24 juni 2002 is de vrouw op aanraden van haar toenmalige vriend en huidige echtgenoot, [echtgenoot van de vrouw] (hierna: [echtgenoot van de vrouw]), de ouderlijke woning ontvlucht. [echtgenoot van de vrouw] heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 31 oktober 2003 erkend. De vrouw oefent samen met [echtgenoot van de vrouw] het gezag uit over de minderjarigen. De vrouw en [echtgenoot van de vrouw] hebben inmiddels zelf ook een kindje gekregen. 2. De vrouw heeft bij verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank Groningen op 21 november 2007, het onderhavige alimentatieverzoek ingediend, dat bij de bestreden beschikking is afgewezen. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de onderhoudsplicht van de man is vervallen door de erkenning van de minderjarigen door [echtgenoot van de vrouw] en voorts dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de desbetreffende wettelijke regeling, met het oog op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), moet worden doorbroken. Het biologisch vaderschap ten aanzien van [minderjarige 2] 3. Door de man is aangegeven dat hij twijfelt over zijn biologisch vaderschap van [minderjarige 2]. Hij baseert dat op een opmerking van de vader van [echtgenoot van de vrouw] in diens verklaring in het strafrechtelijk onderzoek, inhoudende dat deze de baby op [echtgenoot van de vrouw] vond lijken. 4. Het hof acht - gelet op alle andere overgelegde verklaringen uit het strafdossier - deze enkele opmerking volstrekt onvoldoende om tot redelijke twijfel te komen over het biologische vaderschap van de man van [minderjarige 2]. Met name zijn eigen verklaringen in samenhang en in relatie met de overige verklaringen in het overgelegde procesverbaal maken dat het hof als onvoldoende weersproken uitgaat van het biologisch vaderschap van de man ten aanzien van [minderjarige 2]. Immers, deze verklaringen zijn in overeenstemming met de niet betwiste feiten over de woonplaats van de vrouw in het gezin van de man en het tijdstip van het begin van de relatie met [echtgenoot van de vrouw], zijnde nadat de vrouw al zwanger was van [minderjarige 2]. 5. Het verzoek van de man tot een vaderschapsonderzoek ten aanzien van [minderjarige 2] zal dan ook worden afgewezen. De onderhoudsverplichting van de man 6. Ambtshalve overweegt het hof dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek voor zover het betreft de periode van 24 juni 2002 tot 21 november 2002, omdat in artikel 1:403 BW is bepaald dat geen uitkering verschuldigd is over de tijd die op het tijdstip van indiening van het verzoek reeds meer dan vijf jaren is verstreken. Het gaat hier om een vervaltermijn. Het hof zal de vrouw in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar alimentatieverzoek. De periode van 21 november 2002 tot 31 oktober 2003 7. Los van het geschilpunt over de doorbreking van het wettelijk stelsel is komen vast te staan dat de erkenning door [echtgenoot van de vrouw] van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2003. De wettelijke onderhoudsplicht van de man als verwekker bestrijkt derhalve in ieder geval de periode van 21 november 2002 tot 31 oktober 2003. Aan het hof ligt dan ook voor of de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen veschuldigd is in deze periode. 8. Voor de vaststelling van een bijdrage van de man neemt het hof als uitgangspunt een netto-gezinsinkomen van € 2.600,-- per maand in het gezin waarin de vrouw met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleef, zoals dit ter zitting naar aanleiding van vragen van het hof hieromtrent duidelijk is geworden. Dit gezin bestond dus uit de man, de moeder van de vrouw, de vrouw en de kinderen. Ter terechtzitting is voorts gebleken dat de vrouw geen inkomsten had. Het hof zal hierom in redelijkheid een bedrag van € 400,-- per maand in mindering brengen op het netto-gezinsinkomen van € 2.600,--, zodat een bedrag van € 2.200,-- als relevant netto-gezinsinkomen resteert. 9. Uitgaande van de CBS-Nibud tabel (bijlage bij het Trema-rapport 2002) met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van kinderen, de leeftijd van de kinderen en het hiervoor vermelde gezinsinkomen van de man en de moeder van de vrouw in de periode kort vóór het vertrek van de vrouw en de minderjarigen uit de ouderlijke woning, is het hof van oordeel dat de behoefte van de minderjarigen in redelijkheid dient te worden bepaald op € 518,-- per maand voor beide kinderen, zijnde € 259,-- per kind per maand. 10. De man heeft aangevoerd dat er geen bijzondere reden is waarom hij, indien de alimentatie wordt vastgesteld, dit met terugwerkende kracht dient te voldoen. De vrouw is van mening dat zich, gezien de voorgeschiedenis, wel een bijzondere omstandigheid voordoet. 11. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:402 lid 1 BW is de rechter voor wat betreft de vaststelling van de ingangsdatum van de alimentatie in beginsel vrij. Het is gebruikelijk dat de onderhoudsbijdrage eerst ingaat op de datum waarop het inleidend verzoekschrift ter griffie van de rechtbank is ingediend. Bijzondere feiten en omstandigheden kunnen evenwel aanleiding geven om af te wijken van dat uitgangspunt. 12. Onder rechtsoverweging 1. heeft het hof de feiten en achtergronden van dit geding toegelicht. Uit deze feiten en omstandigheden trekt het hof de conclusie dat in dit geval sprake is van een bijzondere situatie, op grond waarvan het hof aanleiding ziet af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Dit betekent dat het hof als ingangsdatum voor het begin van de onderhoudsplicht 21 november 2002 zal vaststellen. 13. Gelet op alle omstandigheden van het geval acht het hof het redelijk om de voorziening in de hiervoor vastgestelde behoefte geheel voor rekening van de man te laten, met dien verstande dat de vrouw het verzoek heeft beperkt tot een bedrag van € 250,-- per kind per maand, te meer nu aannemelijk is dat de vrouw in die periode geen draagkracht had om in die behoefte te voorzien en de man niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de behoefte voor zijn rekening te nemen. Het hof zal de schulden van de man in dit verband buiten beschouwing laten omdat niet is gebleken dat het om noodzakelijke schulden gaat die maken dat zij prevaleren op de onderhoudsplicht van de man jegens de minderjarigen. De periode vanaf 31 oktober 2003 14. Ingevolge het wettelijk stelsel van afdeling 1 van titel 17 van Boek 1 BW heeft een wettig kind - afgezien van mogelijke aanspraken jegens een stiefouder - slechts jegens zijn wettige ouders aanspraak op voorziening in de kosten van zijn verzorging en opvoeding. Aan artikel 1:394 lid 1 BW kan het kind derhalve geen aanspraak jegens de biologische vader ontlenen, zolang het een ander tot wettige vader heeft. 15. De vrouw heeft gesteld dat in dit bijzondere geval het wettelijk stelsel moet worden doorbroken in die zin dat de man ook bij dient te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen na de erkenning van de minderjarigen op 31 oktober 2003 door [echtgenoot van de vrouw]. In de eerste plaats stelt de vrouw zich op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid zulks met zich brengen. 16. Het hof volgt de vrouw daarin niet. [echtgenoot van de vrouw] heeft door de erkenning van de minderjarigen niet alleen de rechten als vader verkregen maar heeft daarmee ook de bijbehorende (onderhouds)verplichtingen op zich genomen. Ook staan de redelijkheid en billijkheid er niet aan in de weg om [echtgenoot van de vrouw] als erkenner aan deze plichten te houden. Immers, [echtgenoot van de vrouw] was ten tijde van de erkenning er van op de hoogte dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn verwekt door het seksueel misbruik. De vrouw baseert haar stelling op de bijzondere omstandigheden van het geval waarbij het voor haar onverteerbaar is dat de man - gelet op de omstandigheden rondom de verwekking van de kinderen - niet hoeft bij te dragen in de kosten van de kinderen. Voorts acht zij deze omstandigheden bepalend voor haar angst dat de man de kinderen zou erkennen met alle bijbehorende rechten, waardoor er zonder veel kennis van de consequenties, tot erkenning van de kinderen door haar partner is overgegaan. Het hof begrijpt dat er bij de vrouw emoties zijn die tot deze standpunten leiden. Zij zijn echter onvoldoende om het wettelijk stelsel terzijde te stellen. De wetgever heeft een duidelijke keuze gemaakt, zodat voor een doorbreking van het wettelijk stelsel op grond van de redelijkheid en billijkheid geen plaats is. Ook ontslaan de bijzondere omstandigheden de vrouw en [echtgenoot van de vrouw] niet van de verplichting zich goed voor te laten lichten over de consequenties van het aanvaarden van het juridisch vaderschap. 17. Voor zover de vrouw stelt dat het wettelijk stelsel op grond van artikel 8 EVRM in dit geval moet worden doorbroken overweegt het hof als volgt. 18. Het gerechtshof: vernietigt de beschikking waarvan beroep; en opnieuw beslissende: verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar alimentatieverzoek voor zover het betreft de periode van 24 juni 2002 tot 21 november 2002; bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] geboren te Groningen op 18 juni 2000 en [minderjarige 2], geboren te Winschoten op 7 juni 2002, op € 250,-- per kind per maand over de periode van 21 november 2002 tot 31 oktober 2003; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking voor het overige; wijst af het meer of anders verzochte. Aldus gegeven door mrs. Garos, voorzitter, Makkinga en Jonkman, raden, en uitgesproken ter openbare terrechtzitting van dit hof van 10 september 2009, in bijzijn van de griffier.