Rechtspraak 2005-02-09
ECLI:NL:GHLEE:2005:AS5690
ECLI:NL:GHLEE:2005:AS5690 text/xml public 2025-03-21T20:46:22 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AS5690 Gerechtshof Leeuwarden 2005-02-09 Rolnummer 0300418 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl NJF 2005, 169 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2005:AS5690 text/html public 2013-04-04T21:57:02 2005-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHLEE:2005:AS5690 Gerechtshof Leeuwarden , 09-02-2005 / Rolnummer 0300418 Op grond van het bovenstaande (r.o. 10 t/m 13.4) is het hof van oordeel dat [appellanten] zich vóór de ontbinding van de overeenkomst door [geïntimeerde] niet (rechtsgeldig) op een opschortingrecht hebben kunnen beroepen. Er is dan ook geen sprake van dat [geïntimeerde] overeenkomstig art. 6:59 BW in schuldeiserverzuim is komen te verkeren, op grond waarvan - overeenkomstig art. 6:61 lid 1 BW - evenmin een einde aan het verzuim van [appellanten] is gekomen. [geïntimeerde] kon daarom op grond van het verzuim van [appellanten] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden, terwijl hij bovendien schadevergoeding kan vorderen. Arrest d.d. 9 februari 2005 Rolnummer 0300418 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: 1. [appellant 1], wonende te [woonplaats], 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], 3. [appellant 3], wonende te [woonplaats], appellanten in het principaal en geïntimeerden in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], procureur: mr A.H. Lanting, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna te noemen: [geïntimeerde], procureur: mr J. Werle. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 23 januari 2002, 28 augustus 2002 en 28 mei 2003 door de rechtbank te Leeuwarden. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 27 augustus 2003 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 17 september 2003. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijk toegestaan: 1. Te vernietigen de vonnissen waarvan beroep. 2. Alsnog de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen. 3. Voor ontbonden te verklaren de litigieuze tussen partijen gesloten overeenkomst, met veroordeling van geïntimeerde tot vergoeding van de door appellanten geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, zonodig met inachtneming van art. 6:97 BW en te vereffenen volgens de wet, doch in ieder geval bedragend Euro 8.703,55, met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2002 (datum eis in reconventie). 4. In geval van vernietiging van het eindvonnis van de Rechtbank, geïntimeerde te veroordelen om ten titel van onverschuldigd door appellante gedane betaling, aan hen te betalen de somma van tweeënzestigduizend tweehonderd achtentachtig 23/100 Euro (Euro 62.288,23) met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2003 tot de algehele voldoening. 5. Geïntimeerde te veroordelen in de gedingkosten in prima en in appèl. Voorts acte verzoeken van het bewijsaanbod in voege als gedaan." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie: "bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden van 23 januari 2002, 28 augustus 2002 en 28 mei 2003 te bekrachtigen, zulks met uitzondering van hetgeen de Rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.1, 6 en 9 van het vonnis van 28 mei 2003 heeft overwogen en beslist inzake, kort gezegd, de afkoopsom voor huurder [huurder], gederfde rente over de koopsom alsmede de makelaarskosten inzake de tweede verkoop, in zoverre met verwijzing naar de incidentele grieven I, II en III van [geïntimeerde], en mitsdien met toewij In dit verband voeren [appellanten] onder meer aan dat zij [geïntimeerde] hebben gesommeerd om op uiterlijk 19 december 2001 inzage te verlenen in de aard en omvang van zijn praktijk. Nu deze daaraan geen gevolg heeft gegeven, is de overeenkomst volgens [appellanten] per 20 december 2001 ontbonden. [appellanten] beroepen zich hierbij op de ontbindende voorwaarde die in artikel 4 lid 2 van de koopovereenkomst is opgenomen. Zij hebben er bovendien op gewezen dat "bepaald onjuist is de stelling van eiser [lees: [geïntimeerde]] dat van meet af aan al zou hebben vastgestaan dat gedaagden [lees: [appellanten]] het [lees: patiënten-]bestand zouden overnemen." (conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, sub 4). 7. De grieven I, II en IV in het principaal appel betreffen in essentie de vraag of [geïntimeerde], gezien de diverse door [appellanten] aangegeven tekortkomingen aan de zijde van [geïntimeerde], gerechtigd was tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst. Grief IV in het principaal appel en de incidentele grieven betreffen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde schade ten gevolge van de tekortkoming van [appellanten]. Het principaal appel 8. [appellanten] voeren aan (memorie van grieven, sub 5) dat [geïntimeerde] met betrekking tot een aantal punten niet aan zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan: * gebreken aan het dak van het pand; * het overleggen van een patiëntenlijst, op grond waarvan [appellanten] - in verband met de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst - het patiëntenbestand hadden kunnen beoordelen. Hoewel [appellanten] in hun processtukken niet met zoveel woorden stellen dat zij zich met betrekking tot deze punten hebben beroepen op een opschortingrecht, toen [geïntimeerde] hen in mei 2001 sommeerde tot medewerking aan de eigendomsoverdracht, zal het hof voor het geval een dergelijk beroep in de stellingen van [appellanten] ligt besloten, nagaan of een dergelijk beroep gerechtvaardigd was. 9. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] overeenkomstig art. 6:59 BW in schuldeiserverzuim is komen te verkeren, indien [appellanten] zich met betrekking tot deze punten terecht op een opschortingrecht hebben beroepen. In dat geval dient ervan uitgegaan te worden dat er op grond van art. 6:61 lid 1 BW een einde aan het verzuim van [appellanten] is gekomen, zodat [geïntimeerde] niet gerechtigd was tot ontbinding van de overeenkomst op grond van een tekortkoming van [appellanten] 10. Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat het gestelde in de correspondentie van de gemachtigde van [appellanten], [gemachtigde van appellanten], in de periode 16 mei t/m 13 juli 2001 (prod. 5, 6, 9, 12, 14 en 16 bij de conclusie van antwoord in reconventie) moeilijk is te doorgronden. Uit zijn brieven kan weliswaar worden afgeleid dat [gemachtigde van appellanten] de hierboven aangegeven punten ter sprake heeft gebracht, doch dit impliceert nog niet het beroep op een opschortingrecht. Hiervoor is vereist dat [appellanten] in voldoende duidelijke termen hebben aangegeven dat van [geïntimeerde] op de aangegeven punten nakoming verlangd werd en dat [appellanten] in dat geval ook zouden nakomen (zie HR 5 december 1997, NJ 1998, 169). Het hof zal thans bezien in hoeverre [appellanten] hieraan hebben voldaan. De steeg 11. Uit de volgende mededeling in de brief d.d. 8 juni 2001 van [gemachtigde van appellanten] leidt het hof af dat de status van de naast het pand gelegen steeg voor [appellanten] niet langer een obstakel voor uitvoering van de koopovereenkomst was: "Erf dienstbaarheid is genoemd, en wel degelijk aan de orde, doch dat is nu aan de notaris, om dit zo te omschrijven, wat nodig is." 11.1. Omdat [appellanten] ook geen grief hebben gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de erfdienstbaarheid c.q. de steeg (tussenvonnis d.d. 28 augustus 2002, r.o. 7.2), gaat het hof ervan uit dat dit punt voor [appellanten] geen beletsel vormde voor de eigendo Op grond van het bovenstaande (r.o. 10 t/m 13.4) is het hof van oordeel dat [appellanten] zich vóór de ontbinding van de overeenkomst door [geïntimeerde] niet (rechtsgeldig) op een opschortingrecht hebben kunnen beroepen. Er is dan ook geen sprake van dat [geïntimeerde] overeenkomstig art. 6:59 BW in schuldeiserverzuim is komen te verkeren, op grond waarvan - overeenkomstig art. 6:61 lid 1 BW - evenmin een einde aan het verzuim van [appellanten] is gekomen. [geïntimeerde] kon daarom op grond van het verzuim van [appellanten] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden, terwijl hij bovendien schadevergoeding kan vorderen. 15. Omdat het hof tot het oordeel is gekomen dat de grieven I en II geen doel treffen, komt het thans toe aan de behandeling van - de subsidiair ingestelde - grief III in het principaal appel. Deze grief, alsmede de grieven in het incidenteel appel betreffen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding. 16. Het hof stelt voorop dat [appellanten], als de tekortschietende schuldenaars van een ontbonden overeenkomst, het positief contractsbelang van [geïntimeerde] dienen te vergoeden. Dat wil zeggen dat [geïntimeerde] zoveel mogelijk in de positie behoort te worden gebracht waarin hij zou zijn geweest als de overeenkomst door [appellanten] behoorlijk was nagekomen. Het hof zal tegen deze achtergrond de diverse in dispuut zijnde schadeposten beoordelen. 17. [appellanten] bestrijden met grief III in het principaal appel het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis over de diverse schadeposten. Het hof zal bij de behandeling van de door [appellanten] betwiste schadeposten de door de rechtbank in r.o. 12 van het eindvonnis gekozen volgorde aanhouden. Afkoopsom huurder en makelaarskosten beëindigingovereenkomst 1. De rechtbank heeft in r.o. 3.1 van het eindvonnis de door [geïntimeerde] gevorderde schadeposten "afkoopsom huurder" ad f 14.000,-- (Euro 6.352,92) en "makelaarskosten beëindigingovereenkomst" voor een bedrag van f 1.487,50 (Euro 675,--) toewijsbaar geacht. 1.1. [appellanten] ageren tegen dit oordeel, onder meer omdat volgens hen het feit dat [geïntimeerde] uiteindelijk het pand vrij van huur aan een derde heeft kunnen verkopen, een prijsverhogend effect heeft gehad. 1.0. Het hof overweegt allereerst dat, nu de betreffende stelling van [geïntimeerde] (inleidende dagvaarding, sub 7) niet door [appellanten] is weersproken, ervan uitgegaan moet worden dat tussen partijen is overeengekomen dat van de totale afkoopsom ad f 14.000,-- (Euro 6.352,92) een gedeelte van f 5.000,-- (Euro 2.268.90) door [appellanten] gedragen moest worden. Het hof acht dit laatste bedrag om deze reden toewijsbaar. 1.3. Het hof overweegt voorts dat het restant van de afkoopsom ad f 9.000,-- (Euro 4.084,02) ook door [geïntimeerde] aan de huurder zou zijn voldaan, indien de overeenkomst ten uitvoer was gebracht. Ook de makelaarskosten in verband met de beëindigingovereenkomst zouden dan gemaakt zijn. Weliswaar kan gesteld worden dat deze kosten - achteraf bezien - nodeloos gemaakt zijn, doch hiertegenover staat dat [geïntimeerde] dankzij deze "investering" een bepaalde koopprijs heeft gerealiseerd, die nu maatstaf is bij de bepaling van de schade uit hoofde van gederfde winst, zoals hierna onder het kopje "verschil koopprijs" zal blijken. Het gedeelte van de afkoopsom dat [geïntimeerde] voor zijn rekening zou nemen, alsmede de makelaarskosten kunnen dan ook niet beschouwd worden als schade die voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Gederfde huur 1. In de rechtsoverwegingen 4.1. en 4.2 van het eindvonnis beoordeelt de rechtbank de door [geïntimeerde] gevorderde gederfde huur ad f 8.000,-- (Euro 3.630,24) over de periode 1 juli 2001 tot 1 maart 2002. De rechtbank heeft deze schadepost toewijsbaar geacht. 1.1. [appellanten] betwisten dit oordeel, omdat in hun opinie [geïntimeerde] de onroerende zaak opnieuw had kunnen verhuren. 1.2. Het hof oordeelt dat, ook indien de overeenkomst zou zijn nagekomen, [geïntimeerd [appellanten] komen tegen dit oordeel wederom op met de stelling dat [geïntimeerde] een nieuwe huurder had moeten zoeken. 1.2. Voor wat betreft dit laatste punt verwijst het hof naar hetgeen is overwogen in r.o. 22.2. Het hof overweegt voorts ook ten aanzien van deze schadepost dat [geïntimeerde] de betreffende lasten niet verschuldigd zou zijn geweest, indien het pand conform de overeenkomst aan [appellanten] geleverd zou zijn. Ook deze door [geïntimeerde] gemaakte kosten komen derhalve voor vergoeding in aanmerking, echter pas vanaf 1 juni 2001, nadat [appellanten] in verzuim zijn komen te verkeren. Het hof zal deze vordering daarom tot het bedrag van Euro 294,47 toewijzen . Verschil koopprijs 24. In r.o.11 van het eindvonnis heeft de rechtbank het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag ad f 55.000,-- (Euro 24.957,91), zijnde het verschil in de koopprijs tussen de eerste verkoop en de tweede verkoop, eveneens toewijsbaar geacht. 1.1. [appellanten] betoogt in hoger beroep dat de bij de tweede koopovereenkomst gerealiseerde koopsom, 15 maanden later, klaarblijkelijk lager is uitgevallen, omdat [geïntimeerde] zijn praktijk heeft laten verlopen, danwel een nieuwe koper geen interesse had in een tandartsenpraktijk, danwel zijn praktijkterrein separaat heeft verkocht. Deze stellingname komt erop neer dat [geïntimeerde] volgens [appellanten] tekort is geschoten in de op hem rustende verplichting tot het nemen van schadebeperkende maatregelen. 1.2. Het hof is echter van oordeel dat [appellanten] hun stelling dat [geïntimeerde] onvoldoende schadebeperkende maatregelen heeft genomen, niet met concrete feiten en omstandigheden (de door hen aangedragen omstandigheden zijn volstrekt speculatief van aard) heeft onderbouwd. Het hof gaat hier daarom aan voorbij. Het hof acht derhalve ook deze post toewijsbaar. 25. Grief III in het principaal appel treft gedeeltelijk doel. Het hof zal hierna - na de behandeling van de incidentele grieven - nagaan wat hiervan de gevolgen zijn voor de toe te wijzen schadevergoeding. Het incidenteel appel Gederfde rente 1. Grief I in het incidenteel appel richt zich tegen de rechtsoverwegingen 6.1 en 6.2 van het eindvonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat vanaf de datum van de ontbinding tot 1 maart 2002 aan [geïntimeerde] geen vergoeding toekomt terzake van de door hem gederfde rente over de koopsom. [geïntimeerde] stelt onder meer - naar het hof begrijpt - dat hij na 1 maart 2002 duurzaam rente zal derven over het gedeelte van de koopsom ad f 55.000,-- (Euro 24.957,91) dat hij nimmer heeft gekregen en evenmin zal krijgen, alsmede over het bedrag van f 5.000,-- (Euro 2.268,90) dat [appellanten] in verband met de afkoop van de huurder aan [geïntimeerde] dienden te voldoen (zie hiervoor r.o. 18.2). 1.1. Het hof kan deze gedachtegang van [geïntimeerde] echter niet volgen. Tot de door [appellanten] te vergoeden schade behoort immers onder meer de door [geïntimeerde] gederfde winst, bestaande uit het verschil in koopprijs dat [appellanten] zou hebben betaald en de naderhand feitelijk gerealiseerde koopprijs, alsmede het gedeelte van de afkoopsom dat door [geïntimeerde] is betaald, doch voor rekening van [appellanten] dient te komen. Over beide schadebedragen die het hof - zoals hiervoor is overwogen - toewijsbaar acht, is [appellanten] op grond van het eindvonnis van de rechtbank ook vanaf 1 oktober 2001 de wettelijke rente verschuldigd. Voor een schadevergoeding in de vorm van een redelijke contante waarde, zoals [geïntimeerde] voorstaat, ziet het hof geen grond. Grief I in het incidenteel appel treft in zoverre dan ook geen doel. 1.0. Voorzover deze grief opkomt tegen de afwijzing door de rechtbank van een rentevergoeding over de niet ontvangen koopsom van f 450.000,-- over de periode 15 februari 2001 t/m 1 maart 2002 overweegt het hof het volgende. Op grond van art. 6:119 lid 1 BW heeft [geïntimeerde], in verband met vertraging in de voldoening van de koopsom, recht op schadevergoeding, bestaande uit de w