Rechtspraak 2004-12-22
ECLI:NL:GHLEE:2004:AS2157
ECLI:NL:GHLEE:2004:AS2157 text/xml public 2025-03-21T23:07:41 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AS2157 Gerechtshof Leeuwarden 2004-12-22 0300498 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Burgerlijk Wetboek Boek 6 Burgerlijk Wetboek Boek 6 106 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 88 Rechtspraak.nl NJF 2005, 145 JA 2005/15 GJ 2005/9 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2004:AS2157 text/html public 2013-04-04T21:48:54 2005-01-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHLEE:2004:AS2157 Gerechtshof Leeuwarden , 22-12-2004 / 0300498 Het hof overweegt dat de wet in beginsel geen vergoeding van immateriële schade in verband met het verdriet om verwonding of overlijden van anderen toelaat. De nabestaanden hebben in het onderhavige geval aangevoerd dat bij hen sprake is van shockschade, die, als uitzondering op de hoofdregel, wel voor vergoeding in aanmerking komt. Geen onrechtmatig handelen door geïntimeerde; geen schadevergoeding. Arrest d.d. 22 december 2004 Rolnummer 0300498 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: 1. [appellant 1], wonende te [woonplaats], 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], 3. [appellant 3], wonende te [woonplaats], 4. [appellant 4], wonende te [woonplaats], 5. [appellant 5], wonende te [woonplaats], appellanten in het principaal en geïntimeerden in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: de nabestaanden, procureur: mr J.V. van Ophem, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [geïntimeerde], procureur: mr P.R. van den Elst. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 16 juli 2003 door de rechtbank te Assen. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 13 september 2003 is door de nabestaanden hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 29 oktober 2003. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "het op 16 juli 2003 door de rechtbank Assen in de zaak met nummer 31261 tussen partijen gewezen vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw recht doende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde te veroordelen tot betaling ter zake geleden en nog te lijden immateriële schadevergoeding van een bedrag groot Euro 22.689,01 aan appellanten sub 2 tot en met 5 en aan appellante sub 1 een bedrag groot Euro 10.689,01, derhalve in totaal Euro 33.378,02, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 oktober 1999, " met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties. Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie: "bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, met verbetering en/of aanvulling van de gronden, de beslissing van de Rechtbank te Assen van 16 juli 2003 te bekrachtigen en de nabestaanden te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep." Door de nabestaanden is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie: "bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] in zijn hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren althans zijn beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure." Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven De nabestaanden hebben in het principaal appel zes grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen. De beoordeling 1. Noch de nabestaanden noch [geïntimeerde] hebben een grief gericht tegen de door de rechtbank onder r.o. 1.1 tot en met 1.17 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 2. Alvorens het hof de grieven zal behandelen, is eerst Tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door de meldingen na te laten, richten zich zowel grief 1 in het principaal appel als de incidentele grief van [geïntimeerde]. Uit de toelichting op grief 1 maakt het hof op dat het de nabestaanden er vooral om te doen is dat het hof vaststelt dat de door [geïntimeerde] geschonden norm, het handelen in strijd met de zorgplicht die hij als toezichthouder diende te betrachten, een veiligheidsnorm betreft. De incidentele grief richt zich tegen verschillende elementen uit de overwegingen van de rechtbank, leidend tot het oordeel dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. 6. Het hof zal eerst ingaan op de vraag welke positie [geïntimeerde] nu eigenlijk precies had. In dat kader is het volgende van belang. 6.1. Uit de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 1999, waarbij de dwangverpleging van [betrokkene] met ingang van 12 juli 1999 onder voorwaarden is beëindigd, blijkt dat [betrokkene] zich diende te stellen onder toezicht van de Reclassering Nederland, afdeling CAD Drenthe (hierna: CAD). Hij diende zich te houden aan alle aanwijzingen van het CAD, alsmede aan aanwijzingen die Douglas-Broers en Ganzevles - verbonden aan het Meijers Instituut, dat over [betrokkene] had gerapporteerd - hem via het CAD zouden geven. Verder diende [betrokkene] zich te onthouden van het gebruik van alcohol en drugs, diende hij de voorgeschreven medicatie in te nemen en mocht hij zich niet schuldig maken een strafbaar feit. Voorts is vermeld "dat [betrokkene] zijn medewerking zal verlenen aan het begeleidingscontact met psychotherapeut [geïntimeerde] en voorts diens aanwijzingen zal opvolgen." 6.2. Uit hetgeen door [geïntimeerde] is gesteld - en niet is weersproken door de nabestaanden - alsmede uit de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte brief van het CAD d.d. 9 april 2004 (prod. 1 MvA) blijkt voorts het volgende. [geïntimeerde] is telefonisch benaderd door het CAD met de vraag of hij bereid was [betrokkene] te begeleiden. Dit idee was afkomstig van [betrokkene] zelf, ingegeven door het feit dat [geïntimeerde], toen hij nog werkzaam was bij de Van Mesdagkliniek - waar [betrokkene] in het verleden had verbleven - zijn patiënten meegaf dat zij, indien noodzakelijk, altijd een beroep op hem konden doen na behandeling. [geïntimeerde] heeft hiermee ingestemd. Nader overleg over de invulling van de begeleiding - of het tijdstip waarop [betrokkene] zich zou melden - heeft toen niet plaatsgevonden. Er is noch door de rechtbank, noch door het OM, noch door het Meijers Instituut, contact gezocht of geweest met [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft geen nadere informatie over [betrokkene] ontvangen. Wel heeft hij het contract tussen [betrokkene] en het CAD onder ogen gehad. Daarin was onder meer vermeld dat [betrokkene] zich moest houden aan de voorwaarden genoemd in de beschikking van de rechtbank Amsterdam; dat hij tweemaal per week Resufal in moest nemen onder toezicht van het CAD Drenthe of een door hen aan te wijzen instantie/persoon; dat [betrokkene] bij dreigende calamiteiten contact moest opnemen met de afdeling Reclassering van het CAD, mevr. Veenstra of haar vervanger, en dat bij overtreding van de voorwaarden hiervan melding wordt gemaakt aan het parket Amsterdam. 6.3. [geïntimeerde] was uit eigen ervaring (globaal) bekend met de achtergronden van [betrokkene]. 6.4. [betrokkene] is in de buurt van [geïntimeerde], in [woonplaats], gaan wonen. 6.5. [geïntimeerde] heeft geen vergoeding bedongen of ontvangen voor zijn begeleidingsactiviteiten voor [betrokkene]. 6.6. Tussen [geïntimeerde] en Veenstra, werkzaam bij het CAD, zijn nadere werkafspraken gemaakt, waarbij is afgesproken dat Veenstra en [geïntimeerde] informatie zouden uitwisselen omtrent het verloop van de begeleiding van [betrokkene] (zie brief CAD d.d. 9 april 2004). Voorts is afgesproken dat [geïntimeerde] zou toezien op het innemen van Refusal door [betrokkene] (verklaring [geïntimeerde] Het hof is derhalve van oordeel dat, anders dan door de nabestaanden is verdedigd, [geïntimeerde] géén toezichthoudende taak had jegens [betrokkene]. Ten overvloede overweegt het hof dat ook het CAD (zie zijn brief d.d. 9 april 2004) alsmede de Minister van Justitie die mening is toegedaan (zie de beantwoording bij op vraag 9 van het Kamerlid Dittrich d.d. 13 november 2000). Voorts kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] een informatieplicht had jegens het openbaar ministerie; die rustte immers bij het CAD. Het voorgaande laat echter onverlet dat [geïntimeerde] wel gehouden was het CAD op de hoogte te houden van het verloop van de begeleiding van [betrokkene], nu zulks voortvloeit uit de afspraken die tussen [geïntimeerde] en het CAD zijn gemaakt, blijkens de door [geïntimeerde] zelf in het geding gebrachte brief van het CAD van 9 april 2004, waarin is vermeld dat zij ([geïntimeerde] en het CAD) elkaar op de hoogte zouden houden omtrent het verloop van de begeleiding. Dat die afspraken er waren en ook feitelijk zijn uitgevoerd, strookt ook met de eigen stelling van [geïntimeerde], dat hij het CAD steeds op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen. Waar de stellingen van [geïntimeerde] zo zouden moeten worden begrepen, dat op hem geen enkele informatieplicht zou hebben berust, volgt het hof hem daarin derhalve niet. 10. Volgens [geïntimeerde] heeft hij het volgende gemeld aan het CAD: - dat [betrokkene] heroïne heeft gebruikt, waarna hij is opgenomen in een methadonprogramma; - dat hij bij [betrokkene] thuis een - al dan niet bewusteloze - vrouw had aangetroffen, waarbij [betrokkene] een deel van het haar had weggeschoren en die hij onder dwang verdovende middelen had toegediend. Door de nabestaanden is niet betwist dat [geïntimeerde] deze incidenten heeft gemeld, maar volgens hen zou hij de ernst hiervan niet hebben onderkend. Het hof stelt echter vast dat in het schrijven van het CAD d.d. 9 april 2004 is vermeld dat het CAD door [geïntimeerde] op de hoogte is gesteld van deze incidenten, terwijl voorts gebleken is dat [geïntimeerde] de betreffende vrouw bij politie heeft afgeleverd. In dit licht zal het hof als vaststaand aannemen dat [geïntimeerde] de ernst van beide incidenten genoegzaam heeft onderkend en deze heeft gemeld bij het CAD. Beide incidenten zijn door het CAD overigens ook doorgegeven aan het openbaar ministerie, doch het openbaar ministerie heeft hierin geen aanleiding gezien actie te ondernemen. Grief 1 in het incidenteel appel slaagt derhalve, waar deze grief zich richt tegen het feit dat de rechtbank niet nader heeft vastgesteld welke meldingen wel of niet zijn gedaan door [geïntimeerde], en zij er kennelijk vanuit is gegaan dat [geïntimeerde] niets heeft gemeld van de door de nabestaanden aangevoerde incidenten. 11. Vast staat voorts dat [geïntimeerde] níet aan het CAD heeft vermeld dat [betrokkene] hem op 4 oktober 1999 's avonds heeft gebeld met de mededeling dat hij uitermate gespannen was en op het punt stond een ernstig delict te plegen; dat hij [geïntimeerde] vroeg onmiddellijk naar hem toe te komen; dat [geïntimeerde] zulks gedaan heeft, en [betrokkene] geheel buiten zich zelf en uitzonderlijk geladen aantrof; dat hij hem vertelde iemand te willen vermoorden (blijkens de eigen verklaring van [betrokkene] was dit zijn drugsdealer); dat [betrokkene] [geïntimeerde] meedeelde cocaïne te hebben gebruikt en dat hij een alarmpistool had. [geïntimeerde] heeft toen aangeboden [betrokkene] te laten opnemen in de kliniek voor tbs-gestelden Avereest, maar [betrokkene] wilde dit niet. Toen heeft [geïntimeerde] [betrokkene] voorzien van methadon, waarvan [betrokkene] uit ervaring wist dat het gebruik daarvan hem mild zou stemmen en bijzonder goed werkte op zijn psychisch evenwicht. De volgende dag is [geïntimeerde] teruggekomen en heeft het alarmpistool van [betrokkene] meegenomen en dit bij hem thuis weggeborgen. Het hof zal deze gebeurtenissen hierna kortweg aanduiden als 'het alarmpistool-incident'. Nu er naar het oordeel van het hof vanuit moet worden gegaan dat [geïntimeerde] in zijn relatie met [betrokkene] zijn beroep uitoefende, was [geïntimeerde] verplicht tot geheimhouding van al datgene wat hem door [betrokkene] werd toevertrouwd. 14. De hiervoor omschreven geheimhoudingsplicht is echter niet absoluut. Er kan zich een situatie voordoen dat andere belangen moeten prevaleren boven het belang dat het beroepsgeheim bewaard blijft, en wel alleen als er een zwaarwegend belang is om de geheimhoudingsplicht te doorbreken. In het onderhavige geval, waarin de nabestaanden [geïntimeerde] aanspreken uit onrechtmatige daad, betekent dit dat moet worden nagegaan of op [geïntimeerde] in het licht van de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer in acht diende te nemen, een rechtsplicht rustte om het alarmpistool-incident te melden aan het CAD, waardoor hij gehouden was zijn beroepsgeheim te doorbreken. Genoemde zorgvuldigheidsnorm kan immers meebrengen dat men behoort te waarschuwen voor het ontstaan van een (dreigende) gevaarssituatie. Bij de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake was van een zodanige situatie, moet naar het oordeel van het hof acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. Dit betekent dat niet geabstraheerd kan worden van de omstandigheden - waarvan [geïntimeerde] ook op de hoogte was - dat [betrokkene] tbs had opgelegd gekregen, dat hij een geschiedenis van gewelddadigheid had ("een uitermate impulsieve en moeilijk te begeleiden man", aldus [geïntimeerde] in zijn verklaring d.d. 17 februari 2000), en dat hij onder strikte voorwaarden in vrijheid was gesteld. In die situatie kon sneller aanleiding zijn om een zwaarwegend belang nopend tot doorbreking van de geheimhoudingsplicht aan te nemen. Dit geldt temeer waar, zoals hiervoor al aan de orde kwam, [geïntimeerde] met het CAD had afgesproken dat zij informatie zouden uitwisselen omtrent het verloop van de begeleiding van [betrokkene], hetgeen hij overigens ook met regelmaat heeft gedaan. 15. Ook wanneer het voorgaande in aanmerking wordt genomen, is het hof van oordeel dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat [geïntimeerde] het alarmpistool-incident, op grond van de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer in acht dient te nemen, had moeten melden aan het CAD, daarmee zijn geheimhoudingsplicht jegens [betrokkene] doorbrekend. Nog daargelaten dat het om een alarmpistool ging, waaromtrent verder geen details zijn gebleken, zodat allerminst vast staat dat het hier een verboden wapen betrof, acht het hof hiertoe van doorslaggevend belang dat, zoals onweersproken is gesteld, [geïntimeerde] zelf direct maatregelen heeft genomen om het mogelijke gevaar dat [betrokkene] op dat moment vormde, af te wenden door hem van methadon te voorzien (overigens blijkt uit de stukken dat bij het CAD wel bekend was dat aan [betrokkene], na kortstondig heroïne-gebruik, methadon was verstrekt) en de volgende dag het alarmpistool mee te nemen. Gelet op de specifieke dreiging die door [betrokkene] was geuit - het (met het alarmpistool) vermoorden van een drugsdealer - resteerde er aldus onvoldoende zwaarwegend belang om zijn beroepsgeheim te doorbreken, nu [geïntimeerde] mocht aannemen dat hij door het nemen van de genoemde maatregelen, de dreiging van het (specifieke) gevaar op afdoende wijze had weggenomen. Het hof overweegt hierbij nog dat in onvoldoende mate naar voren is gekomen dat, afgezien van het alarmpistool-incident, in algemene zin voor [geïntimeerde] kenbaar was dat [betrokkene] een acuut gevaar vormde voor derden waarvoor hij diende te waarschuwen. Terzake zijn door de nabestaanden ook geen concrete feiten of omstandigheden gesteld - anders dan weergegeven bij r.o. 10 - waarvan [geïntimeerde] melding had moeten maken aan het CAD. Het hof komt aldus tot het oordeel dat [geïntimeerde] met betrekking tot het niet melden van het alarmpistool-incident, niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de nabestaande