Rechtspraak 2002-03-22
ECLI:NL:GHLEE:2002:AE0765
ECLI:NL:GHLEE:2002:AE0765 text/xml public 2024-07-09T20:31:25 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AE0765 Gerechtshof Leeuwarden 2002-03-22 BK 671/00 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2002:AE0765 text/html public 2013-04-04T17:40:47 2002-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHLEE:2002:AE0765 Gerechtshof Leeuwarden , 22-03-2002 / BK 671/00 - BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Kenmerk: BK 671/00 22 maart 2002 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen, vestiging Assen, (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1 december 1996 tot en met 31 december 1997. 1. Ontstaan en loop van het geding Aan belanghebbende werd op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968, gelijk die wet gold voor het onderhavige tijdvak, (nader: de Wet) voor het tijdvak 1 december 1996 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van f. 55.716,-- aan enkelvoudige belasting en f.4.675,-- aan heffingsrente. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 21 juli 2000 de aanslag verminderd tot een aanslag van f. 53.652,-- aan enkelvoudige belasting en f.4.552,-- aan heffingsrente. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 31 augustus 2000 is ingekomen. Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 7 februari 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en belanghebbende, die zijn gemachtigde vergezelde, zomede de inspecteur, die te zijner bijstand werd vergezeld door de heer A. Ter voormelde zitting heeft de inspecteur de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten. Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast: 2.1 Belanghebbende huurt sinds december 1996 een bedrijfshal en een bedrijfswoning te L op het adres a-straat 6 respectievelijk a-straat 8. Deze onroerende zaken zijn eigendom van A. (nader: A). 2.2 In 1994 zijn deze onroerende zaken van A gehuurd door B BV (nader: B), een vennootschap waarvan de vader van belanghebbende directeur/grootaandeelhouder is. B heeft de bedrijfshal omgebouwd tot bedrijvencentrum door hierin afzonderlijk verhuurbare ruimtes te creëren. Daartoe zijn onder meer scheidingswanden en plafonds geplaatst. Voorts bevat de hal een centrale ingang, een wachtruimte en een receptie/balie. 2.3 Belanghebbende was in loondienst als buitendienstmedewerker van C B.V., een werkmaatschappij van B en tevens huurster van één der bedrijvenunits in de hal. 2.4 In verband met de slechte financiële positie van B heeft belanghebbende in december 1996, onder gestanddoening van de lopende onderhuurovereenkomsten, de onroerende zaken van A gehuurd, terwijl B afstand deed van haar huurovereenkomst. Belanghebbende heeft de woning verhuurd aan zijn vader. 2.5 Belanghebbende betaalde aan B een bedrag van f.270.000,-- verhoogd met 17,5% omzetbelasting, ofwel totaal f.317.250,--. B factureerde belanghebbende op die wijze en belanghebbende bracht het bedrag van de omzetbelasting ad f.47.250,-- als voorbelasting in aftrek. In de stukken van het geding wordt het bedrag aan omzetbelasting abusievelijk ook wel vermeld als f.47.500,--. De factuur vermeldt als omschrijving: "Verkoop exploitatie (ver-)huur Bedrijvencentrum L". 2.6 In een ongedateerde brief van belan Op de overname van het bedrijf is artikel 31 van de Wet van toepassing. 5.2 Ook als belanghebbende slechts door wetsfictie ex artikel 7, lid 2, letter b, van de Wet als ondernemer moet worden aangemerkt is het bepaalde in artikel 31 van de Wet van toepassing. De door belanghebbende overgenomen rechten en goederen behouden na aankoop hun samenhang. De goederen worden tezamen aangewend om het verzamelgebouw commercieel te exploiteren. Derhalve is een algemeenheid van goederen overgegaan. 5.3 Belanghebbende wist, evenals zijn vader als directeur/grootaandeelhouder, van de financiële problemen van B. Zij moeten zich bewust zijn geweest van de mogelijkheid dat de fiscus niet (volledig) zou worden voldaan. Belanghebbende beroept zich daarom ten onrechte op het Besluit van 23 april 1986. 5.4 De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 6. De overwegingen omtrent het geschil. 6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 31 van de Wet wordt ter zake van de leveringen en diensten die een overdracht van een onderneming of een deel daarvan aan degen die de onderneming of het deel daarvan voortzet geen belasting geheven. 6.2 Uit de inhoud en bewoording van de onder 2.6 genoemde brief van belanghebbende aan de Rabobank, alsmede uit het feit dat belanghebbende is aangesproken voor en aflost op een door B onbetaald gelaten schuld ter zake van in 1994 uitgevoerde verbouwingen, leidt het hof af dat B tegen betaling niet slechts de huur heeft beëindigd ten behoeve van belanghebbende, doch eveneens aan belanghebbende haar rechten en verplichtingen op bij de verbouwing in 1994 gedane investeringen heeft overgedragen alsmede de eigendom van diverse met de investeringen verband houdende zaken. 6.3 De vorenvermelde beëindiging van de huur, de overdracht van rechten en verplichtingen op gedane investeringen en de overdracht van de eigendom van zaken hangen naar 's hofs oordeel zo sterk samen dat te dien aanzien moet worden gesproken van een algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 5, achtste lid, van de Zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de harmonisatie van de wetgeving der lid-staten inzake omzetbelasting (77/388/EEG) (nader: de Zesde richtlijn). 6.4 Gelijk de Hoge Raad in zijn arresten van 4 februari 1987, BNB 1987/147 en van 30 november 1988, BNB 1989/19, heeft beslist ziet artikel 31 van de Wet op de overdracht van een algemeenheid van goederen als hiervoor in artikel 5, achtste lid, van de Zesde richtlijn bedoeld. 6.5 Belanghebbende heeft betoogd dat artikel 31 van de Wet geen toepassing kan vinden ingeval, gelijk te dezen, de overnemende partij slechts door wetsfictie (in casu het bepaalde in artikel 7, lid 2, letter b, van de Wet) tot ondernemer is bestempeld. Het hof kan belanghebbende in deze stelling niet volgen. Volgens genoemd artikel 7 is ondernemer ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent, waarbij onder een bedrijf mede wordt verstaan de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Gelet op de bewoordingen van deze bepaling maakt een onderscheid, als door belanghebbende gemaakt, geen verschil voor de toepassing van artikel 31 van de Wet. Een oordeel betreffende de vraag of belanghebbende bij de onderhavige transactie een (deel van een) onderneming heeft overgenomen, dan wel slechts de exploitatie van een vermogensbestanddeel, kan mitsdien achterwege blijven. 6.6 De inspecteur heeft derhalve terecht artikel 31 van de Wet van toepassing geacht. 6.7 Belanghebbende beroept zich voor dat geval op de Resolutie van 23 april 1986, nummer 286-1389 (:de Resolutie). 6.8 Ingevolge de Resolutie dient de inspecteur zich voor de naheffing van de ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting in beginsel te wenden tot degene door wiens handelen de verschuldigdheid van de omzetbelasting is ontstaan. Daarbij is de vrijheid blijven bestaan om de bij de afnemer in aftrek gebrachte omzetbelasting na te heffen indien aannemelijk is dat naheffing bij de leve