Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-03
ECLI:NL:GHDHA:2026:98
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.293.709/05 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/597150 / HA ZA 20-508 Arrest van 3 februari 2026 in de zaak van Door to Door Couriers B.V., m.h.o.d.n. Door to Door Cargo Care , gevestigd in Nieuwkoop, appellante, advocaat: mr. F.G. Horsting, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen Kuehne + Nagel Logistics B.V. , gevestigd in Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman, kantoorhoudend in Rotterdam. Het hof noemt partijen hierna DtD en K+N. 1 De zaak in het kort Bij tussenarrest van 19 december 2023 heeft het hof geoordeeld dat K+N aansprakelijk is voor de door DtD geleden schade wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Het hof heeft partijen de gelegenheid gegeven om zich bij akte uit te laten over de hoogte van de schade. In dit tussenarrest komt het hof tot het oordeel dat de schade op basis van alleen de aktewisseling en de daarop gevolgde mondelinge behandeling niet kan worden begroot. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van een deskundige. Met dit tussenarrest wordt partijen ook de gelegenheid geboden om zich uit te laten over de aan de deskundige te stellen vragen. Verder oordeelt het hof in dit tussenarrest onder meer dat bij de begroting van de schade geen rekening hoeft te worden gehouden met de omzet die DtD heeft behaald doordat zij wegens de vrijgevallen capaciteit opdrachten bij derden heeft kunnen uitvoeren (voordeelstoerekening). 2 Het verdere procesverloop in hoger beroep 2.1 Voor het verloop van de procedure tot 19 december 2023 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum en de daarin genoemde stukken. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep na het tussenarrest blijkt uit de volgende stukken: akte uitlaten schadebegroting tevens houdende akte wijziging van eis van 30 juli 2024 aan de zijde van DtD met producties 96 tot en met 98; antwoordakte van 29 april 2025 met producties 31 tot en met 38 aan de zijde van K+N; de brief aan de zijde van DtD van 10 november 2025 met overlegging van productie 101; de e-mail aan de zijde van K+N van 11 november 2025 met overlegging van productie 39; de brief aan de zijde van DtD van 17 november 2025 met overlegging van productie 102. 2.2 Op verzoek van DtD is een mondelinge behandeling bepaald. In aanloop naar die mondelinge behandeling heeft het hof per e-mail van 18 september 2025 een zittingsagenda aan partijen toegestuurd. Op 21 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 3 De verdere beoordeling in hoger beroep 3.1 Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest van 19 december 2023 is overwogen en beslist. Het oordeel in dat tussenarrest komt neer op het volgende. K+N zou op grond van een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst (de vso) gedurende vier jaar aan DtD opdrachten verstrekken met een minimale omzet van € 1.5 miljoen per jaar tegen de tarieven uit de transportovereenkomst (de omzetgarantie) en K+N zou zich inspannen om ernaar te streven dat DtD met de opdrachten weer dezelfde omzet als in 2014 behaalt (in de vso geschat op € 3 miljoen per jaar) (de streefomzet). Het hof heeft vastgesteld dat zij aan beide verplichtingen niet heeft voldaan. Het hof heeft geoordeeld dat K+N de schade die DtD daardoor heeft geleden dient te vergoeden. 3.2 Vervolgens zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de omvang van de schade. DtD heeft in dit kader een rapport (hierna: de schadebegroting) overgelegd van de heer [register valuator] , registeraccount en register valuator bij Talanton Valuation (hierna: Talanton). Talanton heeft de schade wegens het niet behalen van de omzetgarantie begroot op € 1.992.140,- en de schade vanwege het niet behalen van de streefomzet op € 2.734.200,-. 3.3 Bij antwoordakte heeft K+N de 3.12 Het hof overweegt als volgt. 3.13 Indien eenzelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht (artikel 6:100 BW). Voor een geslaagd beroep op voordeelstoerekening moet aan twee voorwaarden worden voldaan: 1) tussen de normschending en de gestelde voordelen moet een causaal verband bestaan, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen; 2) het moet redelijk zijn dat die voordelen in mindering worden gebracht op de vaststelling van de te vergoeden schade. 3.14 Tussen partijen is niet in geschil dat DtD in de relevante periode van de vso omzet heeft behaald uit opdrachten van derden. Maar DtD weerspreekt dat zij die omzet alleen heeft kunnen realiseren uit de vrijkomende capaciteit van haar wagenpark als gevolg van de opdrachten die zij niet van K+N kreeg. Volgens DtD had zij die omzet bij derden ook gerealiseerd als zij de in de vso overeengekomen opdrachten voor K+N had uitgevoerd, omdat zij vrij eenvoudig met inhuur van vrachtwagens haar wagenpark kan uitbreiden. 3.15 Het hof laat in het midden of DtD de opdrachten van derden ook had kunnen uitvoeren als zij wel de in de vso overeengekomen opdrachten van K+N had gekregen en neemt veronderstellenderwijze aan dat DtD omzet – en ook winst – heeft behaald doordat zij de capaciteit die door de wanprestatie van K+N is vrijgekomen, heeft benut door opdrachten voor andere opdrachtgevers uit te voeren die zij zonder die vrijkomende capaciteit niet (volledig) had kunnen uitvoeren. Het hof ziet echter geen aanleiding om de winst die daarmee is behaald in mindering te brengen op de door K+N te vergoeden schade. 3.16 Ook als moet worden aangenomen dat de door DtD bij derden behaalde omzet in causaal verband, in de zin van conditio sine qua non, staat tot de tekortkoming van K+N in de nakoming van de vso, dan wordt niet voldaan aan de tweede hiervoor (in 3.13) genoemde voorwaarde. De vso is gesloten met als doel DtD schadeloos te stellen voor de door haar geleden schade als gevolg van het onterecht beëindigen van de samenwerking door K+N. De vso zegt over de te vergoeden schade het volgende: “ Article 3. Settlement Amount 3.1 Kuehne+Nagel shall: 3.1.1. pay Door-to-Door an amount of EUR 250.000 by way of bank transfer to (…) within fourteen days after signing this Agreement by both Parties. (…) 3.1.2. enter into a multi-year transport service agreement with Door-to-Door for courier services (…) ” 3.17 Dat betekent dus dat K+N de schade die DtD heeft geleden op twee manieren zou vergoeden: een vast bedrag ineens en een bedrag dat via het behalen van omzet vergoed zou worden. Die omzet was voor een deel gegarandeerd. Het geven van opdrachten om zo aan haar schadevergoedingsverplichting tegenover DtD te voldoen, betreft dus de kern van de prestatie van K+N uit de vso. Met haar betoog dat de bij derden behaalde omzet/winst in mindering moet komen op het schadebedrag, miskent K+N het doel van de vso (het schadeloos stellen van DtD voor het onrechtmatig handelen van K+N in 2014). Een honorering van het beroep op voordeelstoerekening zou dat waar DtD op grond van de vso recht op heeft teniet doen. Daarmee zou de vso voor DtD zinledig worden. Bovendien zou K+N dan niet voldoen aan haar verplichting tot schadeloosstelling, terwijl de vso nu juist met het oog daarop was gesloten. Het hof acht het dan ook niet redelijk om eventueel behaald voordeel in mindering te brengen op de vaststelling van de te vergoeden schade. Het beroep op voordeelstoerekening faalt. Schade als gevolg van niet behalen van de streefomzet 3.18 Verder is de vraag aan de orde in hoeverre DtD schade heeft geleden vanwege het feit dat K+N niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om DtD opdrachten van € 3 miljoen omzet per jaar te gunnen. DtD heeft zich – onder verwijzing naar h