Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-27
ECLI:NL:GHDHA:2026:657
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.354.975/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/680637 / KG ZA 25-161 Arrest in kort geding van 27 januari 2026 in de zaak van [appellant] , verblijf houdende in de penitentiaire inrichting te [plaats], appellant, advocaat: mr. R. van Veen, kantoorhoudend in Utrecht, tegen 1 Land Sint Maarten, Ministerie van Justitie te Sint Maarten, zetel houdend in Philipsburg (Sint Maarten), 2. De Staat der Nederlanden, Ministerie van Justitie en Veiligheid , zetel houdend in Den Haag, geïntimeerden, advocaat: mr. M. Beekes, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna [appellant], Sint Maarten en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 [appellant] is op Sint Maarten veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Op dit moment zit hij zijn gevangenisstraf tijdelijk uit in Nederland. In dit kort geding vordert [appellant] terugplaatsing naar de gevangenis op Sint Maarten, omdat zijn zoon en zijn moeder hem vanwege de afstand niet in Nederland kunnen komen bezoeken. 1.2 De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel, maar overweegt dat de belangenafweging van art. 8 lid 2 EVRM in het voordeel van [appellant] kan gaan uitvallen naarmate zijn (tijdelijk bedoelde) onderbrenging in Nederland langer duurt. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaardingen, tevens houdende grieven, van 13 mei 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 15 april 2025; de memorie van antwoord van Sint Maarten en de Staat; de akte houdende producties, met bijlagen (producties 8-10), die Sint Maarten en de Staat in het geding hebben gebracht; de productie (brief van de zus van [appellant]) die [appellant] bij e-mail van zijn advocaat van 30 november 2025, voorafgaand aan de hierna te noemen mondelinge behandeling, heeft overgelegd. 2.2 Op 2 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 [appellant] is burger van Sint Maarten. Bij (onherroepelijk geworden) vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten van 6 maart 2019 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaar. Vanaf 30 oktober 2018 zat [appellant] gedetineerd in de gevangenis Pointe Blanche op Sint Maarten. 3.2 Op 27 maart 2023 heeft de procureur-generaal van Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: procureur-generaal) aan de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) verzocht om de tijdelijke overbrenging van [appellant] naar Nederland vanwege de veiligheids- en capaciteitsproblemen in Pointe Blanche ten gevolge van de schade die de orkaan Irma op Sint Maarten had aangericht. 3.3 Bij ministeriële beschikking van 2 mei 2023 heeft de Minister dit verzoek op grond van de Onderlinge Regeling Detentiecapaciteit II (ORD-II) voor maximaal zes maanden toegewezen. 3.4 Op 13 mei 2023 is [appellant] naar Nederland overgebracht, alwaar hij aanvankelijk was gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Vught en inmiddels vast zit in de penitentiaire inrichting te Veenhuizen. 4 Procedure bij de voorzieningenrechter 4.1 [appellant] heeft Sint Maarten en de Staat gedagvaard en gevorderd dat hun zal worden bevolen om hem binnen zeven dagen na het vonnis over te brengen naar Sint Maarten, met de veroordeling van Sint Maarten en de Staat in de proceskosten. 4.2 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. 5 Vordering en beoordeling in hoger beroep 5.1 [appellant] heeft, onder aanvoering van één grief, in hoger beroep gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd en zijn vordering alsnog wordt toegewezen. Wat tussen partijen vast staat 5.2 Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de eventueel ontijdig verzochte verlengingen of het uitblijven van tijdige informatie daarover aan [appellant] niet meebrengt dat de titel aan het detentieverblijf van [appellant] in Nederland is komen te ontvallen. [appellant] is evenmin opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat geen sprake is geweest van schending van het vertrouwensbeginsel. Deze oordelen staan in hoger beroep dus vast. Het hof houdt het er verder op dat Sint Maarten en de Staat hun betoog dat [appellant] niet ontvankelijk moet worden verklaard wegens het bestaan van een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang in hoger beroep niet hebben gehandhaafd. Gestelde schending art. 8 EVRM 5.3 Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of de tijdelijke onderbrenging van [appellant] in Nederland een schending oplevert van art. 8 EVRM. [appellant] betoogt dat hij geen enkele band heeft met Nederland en er tot zijn overbrenging niemand kende en voorts dat het met het oog op de grote afstand tussen Nederland en Sint Maarten voor hem onmogelijk is om in Nederland bezoek van zijn op Sint Maarten wonende familie te ontvangen. Hij wijst op de hoge kosten die een bezoek in Nederland voor zijn familie zou betekenen en stelt dat zijn familie niet in staat is dat op te brengen. Aldus is het hem, zo stelt hij, feitelijk onmogelijk om gebruik te maken van zijn in art. 8 EVRM verankerde recht op familie- en gezinsleven. [appellant] heeft in dit verband verwezen naar de jurisprudentie van het EHRM in de zaken van Khodorkovskiy en Lebedev tegen Rusland en van Polyakova e.a. tegen Rusland , waarin is geoordeeld dat (de beperkte bezoekmogelijkheden van de familie door) de grote afstand tussen de plaats van detentie en de verblijfplaats van de familie een schending opleverde van art. 8 EVRM. 5.4 Het hof is het eens met [appellant] dat zijn tijdelijke onderbrenging in Nederland voor hem een inmenging meebrengt in zijn door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, met name dat met zijn moeder en zijn zoon [zoon]. Volgens Sint Maarten en de Staat is deze inmenging echter gerechtvaardigd op de voet van het tweede lid van dit artikel. Dat kan het geval zijn als de inmenging (1) bij wet is voorzien, (2) een legitiem doel dient en (3) in een democratische samenleving noodzakelijk is. Bij wet voorzien? (ad 1) 5.5 De tijdelijke overbrenging van [appellant] naar Nederland berust op ORD-II. In deze wettelijke regeling, gebaseerd op art. 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut), zijn de voorwaarden vastgelegd voor samenwerking tussen onder meer Sint Maarten en Nederland op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit. Weliswaar gaat het hierbij slechts om een tijdelijke overbrenging, maar de onderbrenging van [appellant] in Nederland is op de voet van art. 4 lid 3 ORD-II, bij achtereenvolgende ministeriële beschikkingen, telkens met zes maanden verlengd, laatstelijk op 5 november 2025. De overbrenging en de daarop gevolgde, verlengde tijdelijke onderbrenging van [appellant] in Nederland hebben dus een wettelijke basis. 5.6 Het hof gaat voorbij aan het beroep dat [appellant] in dit verband heeft gedaan op de artt. 38 en 39 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) en het op die wet gebaseerde art. 25 lid 7 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog). De rechten die [appellant] op grond van deze artikelen in Nederland heeft doen er immers niet aan af dat zijn overbrenging vanuit de Pointe Blanche naar Nederland en zijn (verlengde) tijdelijke onderbrenging in (thans) de penitentiaire inrichting in Veenhuizen ‘bij wet zijn voorzien’ zoals bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM. 5.7 Met betrekking tot het beroep van [appellant] op art. 25 lid 7 Rspog, waarin kort gezegd is vastgelegd dat een detentie zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de gedetineerde moet plaatsvinden, overweegt het hof nog het volgende. 5.8 Sint Maarten en de Staat hebben onweersproken aangevoerd dat Sint Maarten voorafgaand aan het verzoek tot tijdelijke overbrenging naar Nederland, eerst heeft onderzocht of [appellant] op grond van ORD-I , welke regeling ziet op de samenwerking tussen Caribisch Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, kon worden overgebracht naar een andere plaats in het Caraïbische deel van het Koninkrijk, dichterbij Sint Maarten. Daar bleek echter geen plaats te zijn voor [appellant], nu ook in die gevangenissen de maximale detentiecapaciteit was bereikt. De overbrenging naar het Europese deel van het Koninkrijk op grond van ORD-II kwam (overeenkomstig ook de strekking van die regeling) dus pas in beeld toen een detentiemogelijkheid dichterbij de woonplaats van [appellant] (en zijn familie) niet mogelijk bleek. Het systeem van over- en onderbrenging in ORD-I en ORD-II kan niet worden doorkruist door de (alleen) in Nederland geldende regeling van art. 25 lid 7 Rspog, reeds omdat de Staat geen zeggenschap heeft over plaatsing in penitentiaire inrichtingen in het Caraïbische deel van het Koninkrijk. 5.9 In de artt. 38 en 39 Pbw, waarnaar [appellant] verder heeft verwezen, is opgenomen dat een gedetineerde het recht heeft om minimaal één uur per week bezoek te ontvangen en minimaal één keer per week een telefoongesprek te voeren met iemand buiten de inrichting. [appellant] voert aan dat dit bezoekrecht feitelijk en effectief moet worden nageleefd en beroept zich in zoverre op de uitspraak van het EHRM in de zaak Subasi e.a. tegen Turkije . [appellant] heeft echter niet weersproken dat het hem is toegestaan om op meerdere momenten per week contact te hebben met zijn familie op Sint Maarten door middel van videobellen of het voeren van telefoongesprekken. Aan videobellen zijn geen kosten verbonden, zo heeft de Staat ter zitting naar voren gebracht. Ook kan bij de bepaling van de contactmomenten rekening worden gehouden met het tijdsverschil en de schooltijden van [zoon]. Anders dan de gedetineerde in de zaak Subasi e.a. is het [appellant] in elk geval toegestaan om op zaterdag of zondag met [zoon] te bellen. [appellant] heeft dit alles ter zitting niet betwist. Legitiem doel? (ad 2) 5.10 Sint Maarten en de Staat hebben toegelicht dat de overbrenging van [appellant] naar Nederland in mei 2023 noodzakelijk was omdat door de orkaan Irma (in 2017) een beperkte detentiecapaciteit in Pointe Blanche was ontstaan en de gevangenis sindsdien overvol zat. Daardoor konden niet langer alle gedetineerden en tot gevangenisstraf veroordeelden veilig in Pointe Blanche worden ondergebracht. Er was een grote druk op de gedetineerden en het inrichtingspersoneel ontstaan en er ontstonden regelmatig onwenselijke en onveilige situaties. Met name voor gedetineerden zoals [appellant], met een langdurige veroordeling en een verhoogd individueel veiligheidsrisico, was toen geen adequate voorziening meer beschikbaar. De diverse verlengingen die daarna hebben plaatsgevonden waren noodzakelijk omdat de veiligheidssituatie in de Pointe Blanche gevangenis nog steeds niet is verbeterd, onder andere doordat de gevangenis kampt met ernstige personeelstekorten en in mei 2025 bovendien twaalf cellen door een grote brand beschadigd zijn geraakt. [appellant] heeft dit alles niet voldoende gemotiveerd betwist. Het feit dat [appellant] vanaf 2018 enkele jaren in Pointe Blanche heeft verbleven doet er niet aan af dat in 2023 de hiervoor omschreven onveilige situatie is ontstaan. De overbrenging van [appellant] naar en tijdelijke onderbrenging in Nederland waren daarmee in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, en dienden dus meerdere door het tweede lid van art. 8 EVRM bestreken doelstellingen. Noodzakelijkheid en proportionaliteit (ad 3) 5.11 De voorwaarde in art. 8 lid 2 EVRM dat een maatregel in een democratische samenleving noodzakelijk is vereist een afweging tussen enerzijds het belang van het individu en anderzijds het door de verdragsstaat nagestreefde belang. Deze afweging moet met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval worden gemaakt, waarbij de verdragspartijen een zekere beoordelingsruimte toekomt. Een maatregel wordt geacht noodzakelijk te zijn in de zin van art. 8 lid 2 EVRM als er een dwingende maatschappelijke behoefte bestaat ( pressing social need ) dat met de maatregel het nagestreefde doel kan worden bereikt én de maatregel evenredig is met dat doel ( proportionate to the legitimate aims ) . 5.12 Sint Maarten en de Staat hebben in dit verband gewezen op hun executieplicht, op grond waarvan onherroepelijke uitspraken van de strafrechter zo spoedig mogelijk ten uitvoer moeten worden gelegd. De executieplicht voorkomt willekeur en versterkt het vertrouwen in de rechtsstaat. Daarmee wordt dan ook een bijzonder zwaarwegend belang gediend, zo stellen zij. Ter zitting hebben Sint Maarten en de Staat benadrukt dat de situatie in de Pointe Blanche gevangenis niet is veranderd en de gevangenis nog steeds kampt met grote capaciteits- en veiligheidsproblemen, onder andere ten gevolge van de brand in mei 2025. Zij stellen dat zowel bij de overbrenging naar Nederland als bij de diverse nadien genomen verlengingsbeslissingen de rechten en belangen van [appellant] uit hoofde van art. 8 EVRM zijn meegewogen. [appellant] heeft echter met zijn gedrag laten zien dat een hoger beveiligingsniveau nodig is dan in Pointe Blanche op dit moment kan worden geboden, aldus Sint Maarten en de Staat. 5.13 In de door het hof op grond van art. 8 lid 2 EVRM te maken belangenafweging komt met het oog op hetgeen Sint Maarten en de Staat hebben aangevoerd op dit moment nog doorslaggevend gewicht toe aan het belang van de handhaving van, onder meer, de openbare veiligheid. [appellant] is veroordeeld voor zeer ernstige strafbare feiten en hij heeft pas zeven van de opgelegde zestien jaar gevangen gezeten. Zijn terugbrenging naar Sint Maarten zou er ten gevolge van het nijpende capaciteitsgebrek in Pointe Blanche toe leiden dat Sint Maarten en de Staat niet langer kunnen voldoen aan de op hen rustende executieplicht. Om [appellant] te kunnen plaatsen kan een andere veroordeelde immers niet gedetineerd worden of zal een andere gedetineerde voortijdig in vrijheid moeten worden gesteld, zoals de Staat en Sint Maarten onweersproken hebben aangevoerd. Dat is niet alleen vanuit rechtsstatelijk oogpunt onwenselijk, maar zal ook leiden tot een grote druk op de openbare veiligheid en de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. Van een reële mogelijkheid om [appellant] tijdelijk onder te brengen in een gevangenis dichterbij het Caraïbische deel van het Koninkrijk dan Nederland is daarbij niet gebleken. Daarin onderscheidt de situatie van [appellant] zich van die van de gedetineerden in de door [appellant] genoemde zaken van Khodorkovskiy/ Lebedev en Polyakova tegen Rusland. 5.14 Anderzijds kan er niet aan worden voorbijgegaan dat de overbrenging van [appellant] naar Nederland slechts is bedoeld als een tijdelijke maatregel. In de Toelichting op de ORD-II is vermeld dat in tegenstelling tot de permanente overdracht die in beginsel geldt voor de gehele detentieperiode, de gedetineerde bij een tijdelijke overbrenging, zoals hier, weer wordt teruggeplaatst zodra de reden van de tijdelijke onderbrenging is komen te vervallen. Op Sint Maarten en de Staat rust dus de verplichting om de situatie in Pointe Blanche ten behoeve van de beoogde terugbrenging van [appellant] nauwgezet te blijven volgen. Dat klemt in dit geval temeer nu sinds de orkaan Irma alweer vele jaren zijn verstreken en [appellant] vanaf zijn overbrenging naar Nederland door de grote afstand tot Sint Maarten verstoken is gebleven van bezoek van zijn moeder of zijn zoon [zoon]. Naarmate [appellant] onderbrenging in Nederland langer duurt, wordt ook de uitoefening van zijn recht op familie- en gezinsleven steeds structureler beperkt. Die beperking gaat daardoor steeds zwaarder wegen. Dat maakt dat de balans van de proportionaliteit op enig moment in de toekomst de andere kant uit zal moeten vallen. 5.15 Sint Maarten en de Staat hebben in dit verband naar voren gebracht dat het Parket Procureur-Generaal van Curaçao recentelijk, in een brief van 25 november 2025, heeft laten weten op dit moment geen urgente problemen te ondervinden met de detentiecapaciteit. De procureur-generaal van Sint Maarten heeft dan ook inmiddels laten weten met zijn collega in Curaçao in contact te zullen treden over de detentiemogelijkheden aldaar. [appellant] heeft zich ter zitting verzet tegen een eventuele overbrenging naar Curaçao, omdat ook tussen Curaçao en Sint Maarten een grote afstand bestaat die verhindert dat zijn familie bij hem op bezoek komt en hij geen andere familie of bekenden op Curaçao heeft. Sint Maarten en de Staat hebben daarop aangegeven te zullen (laten) onderzoeken of een ‘driehoeksruil’ mogelijk is, waarbij [appellant] de detentieplek zou kunnen overnemen van een gedetineerde in Pointe Blanche die, anders dan hij, wél familiebanden heeft op Curaçao. 5.16 Al met al acht het hof de verlengde onderbrenging van [appellant] in Nederland op dit moment nog noodzakelijk en proportioneel. Daarbij is uitdrukkelijk meegewogen dat Sint Maarten en de Staat ter zitting hebben verklaard de eventuele mogelijkheden tot terugbrenging naar Sint Maarten, eventueel via de voorgestelde ‘driehoeksruil’, serieus te (zullen) onderzoeken. Niet valt uit te sluiten dat de proportionaliteitsafweging op zeker moment, naarmate het verblijf van [appellant] in Nederland en de beperking van zijn recht op familie- en gezinsleven langer duren, zal uitvallen in het voordeel van de belangen van [appellant] bij een hereniging met zijn familie op Sint Maarten. Vooralsnog echter is de inmenging in het recht van [appellant] op familie- en gezinsleven, met inachtneming van de hiervoor genoemde overwegingen, gerechtvaardigd op grond van het tweede lid van art. 8 EVRM. De grief faalt. Conclusie en proceskosten 5.17 De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. 5.18 Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Sint Maarten en de Staat op: griffierecht € 827,- salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.433,- Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing. 6 Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 15 april 2025; veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Sint Maarten en de Staat begroot op € 3.433,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald; bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, mr. D.A. Schreuder en mr. R.J.B. Schutgens en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier. ‘Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit op medische gronden of in verband met dringende redenen van veiligheid’ van 1 juli 2014, Stcrt. 2014, 17851. EHRM 25 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0725JUD001108206 EHRM 3 juli 2017, 35090/09 c.a. ‘Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit’ van 11 februari 2014, Stcrt. 2014, 3557 EHRM 6 december 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:1206JUD000346820 EHRM 22 oktober 1981, ECLI:CE:ECHR:1981:1022JUD000752576 (Dudgeon t. Verenigd Koninkrijk) en EHRM 25 februari 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0225JUD002200993 (Z. t. Finland). Eveneens te vinden in Stcrt. 2014, 17581