Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-14
ECLI:NL:GHDHA:2026:585
Civiel recht
Hoger beroep
6,976 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:585 text/xml public 2026-05-13T14:49:23 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 200.341.041/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:585 text/html public 2026-05-13T14:43:00 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:585 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / 200.341.041/01 Terugvordering studiefinanciering. 1. Verjaringsverweer is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar omdat de student in kwestie in de verjaringstermijn heeft verzuimd, in strijd met haar wettelijke verplichting daratoe, om haar adreswijzigingen (buiten Nederland) door te geven aan DUO (voorheen IB Groep). 2. De wet biedt geen ruimte voor een draagkrachtmeting met terugwerkende kracht. Voor afwijking van die regel (met overeenkomstige toepassing van de hardheidsclausule, of anderszins) is onvoldoende aangevoerd. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.341.041/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/646243 HA ZA 23/348 Arrest van 14 april 2026 in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats 1] , Duitsland, appellante, advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudend in Groningen, tegen STAAT DER NEDERLANDEN, DIENST UITVOERING ONDERWIJS, een agentschap van het Ministerie van Onderwijs, cultuur en Wetenschap zetelend in Den Haag, geïntimeerde, advocaat: mr. R.J.H. van der Burgt, kantoorhoudend in Veghel. Het hof noemt partijen hierna [appellante] en DUO. 1 De zaak in het kort DUO vordert in deze zaak terugbetaling van leningen uit hoofde van studiefinanciering die zij aan [appellante] heeft verstrekt. [appellante] verweert zich deels met een beroep op verjaring en deels met een beroep op het ontbreken van draagkracht. De rechtbank heeft deze verweren verworpen en de vordering toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 26 april 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank 31 januari 2024 van de rechtbank Den Haag; het arrest van dit hof van 15 oktober 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden); de memorie van grieven van [appellante] ; de memorie van antwoord van DUO, met bijlagen 19 en 20; 2.2 Op 26 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 In de periode van september 1997 tot en met augustus 2002 heeft [appellante] van de Informatie Beheer Groep (de IB Groep), de voorganger van DUO , een prestatiebeurs van € 10.592,30 en een rentedragende lening van € 19.917,47 ontvangen. De prestatiebeurs is deels (€ 1.031,63) omgezet in een gift, omdat in het eerste jaar voldoende studiepunten werden behaald. Voor het restant van de prestatiebeurs (€ 9.560,97) geldt dat deze alleen wordt omgezet in een gift indien binnen 10 jaar na aanvang een diploma wordt behaald. [appellante] heeft geen diploma voor de door haar in Nederland gevolgde opleidingen behaald. 3.2 In een brief van 6 februari 2004 heeft DUO aan [appellante] meegedeeld dat zij haar schuld aan DUO (van op dat moment € 34.410,38), vanwege beëindiging van haar studie per 2002, moet terugbetalen in maandelijkse termijnen van € 257,49 vanaf januari 2005. 3.3 Op 27 oktober 2004 heeft [appellante] per e-mail aan DUO doorgegeven dat zij per 1 januari 2003 van Groningen naar [woonplaats 2] in Duitsland is verhuisd. Daarop heeft zij een ontvangstbevestiging per e-mail ontvangen, waarin onder meer het volgende is vermeld: “Je hebt het volgende aan ons doorgegeven: E-mail [e-mailadres] (…) Naam [appellante] Geboortedatum [geboortedatum] (…) Datum doorgeven wijziging 27-10-2004 10:46:20 AM Datum ingang wijziging 1 januari 2003 Adreswijziging woonadres (WOONADRES = POSTADRES) [woonplaats 2] BONDSREPUBLIEK DUITSLAND (…)” 3.4 Op 7 december 2004 heeft [appellante] formulieren voor een draagkrachtmeting voor 2005 ingevuld en aan DUO verzonden. Naar aanleiding daarvan heeft DUO bij besluit van 6 januari 2005 bepaald dat [appellante] vanaf 1 januari 2005 niets hoefde te betalen. Op 21 september 2005 heeft [appellante] formulieren voor een draagkrachtmeting voor 2006 ingevuld. Op 15 december 2005 heeft DUO een brief naar [appellante] gestuurd met het verzoek om aanvullende stukken. Bij besluit van 6 januari 2006 heeft DUO de aflostermijn vanaf 1 januari 2006 aanvankelijk vastgesteld op € 281,26. Na ontvangst van aanvullende stukken heeft DUO bij besluit van 6 maart 2006 de draagkracht van [appellante] met ingang van 1 januari 2006 vastgesteld op nihil. Vanaf 1 januari 2006 hoefde zij niets te betalen. Deze berichten zijn per post naar het adres van [appellante] in [woonplaats 2] gezonden en hebben haar daar ook bereikt. 3.5 Vanaf juni 2006 is [appellante] meerdere malen binnen Duitsland verhuisd. DUO heeft [appellante] vanaf januari 2007 per post meerdere berichten over terugbetaling van de studiefinanciering – waarbij het maandelijkse aflossingsbedrag op ongeveer € 300,00 was bepaald – gezonden. Geen van deze berichten is verzonden naar een adres waar [appellante] op dat moment woonde (en ingeschreven was). 3.6 DUO heeft [appellante] uiteindelijk in 2019 (na onderzoek naar haar adres via social media) benaderd via Facebook Messenger. Naar aanleiding daarvan nam [appellante] contact op met DUO. DUO verzocht [appellante] om haar adresgegevens kenbaar te maken. [appellante] heeft haar nieuwe adres te [woonplaats 1] (Duitsland) doorgegeven. 3.7 [appellante] heeft in Duitsland vanaf 2015 een studie geneeskunde gevolgd en inmiddels afgerond. Zij volgt momenteel de opleiding tot anesthesioloog. 3.8 Nadat partijen in 2019 weer contact met elkaar hadden, is aanvankelijk een betalingsregeling voor de openstaande schuld afgesproken en is € 400,- afgelost. Nadat daarbij een fout door DUO ten aanzien van het termijnbedrag werd gemaakt en omdat partijen het niet eens werden over de hoogte van de vordering (en het door [appellante] gevoerde verjaringsverweer), heeft DUO uiteindelijk de dagvaarding laten uitbrengen. 4 Procedure in eerste aanleg; vorderingen in hoger beroep 4.1 DUO vorderde in eerste aanleg, voor zover van belang en samengevat, veroordeling van [appellante] tot betaling van € 35.228,63, vermeerderd met rente en kosten. 4.2 De rechtbank heeft de vordering toegewezen, onder vermindering met de door [appellante] betaalde € 400,- (hiervoor, 3.8), met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. 4.3 [appellante] concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het vonnis en alsnog afwijzing van de vordering van DUO, veroordeling van DUO tot terugbetaling van wat [appellante] uit hoofde van het vonnis aan DUO heeft betaald, en veroordeling van DUO in de proceskosten van beide instanties. 4.4 DUO concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep. 5 Beoordeling in hoger beroep Internationale bevoegdheid 5.1 De onderhavige zaak heeft een internationaal karakter nu [appellante] – oorspronkelijk gedaagde – in Duitsland woont. Ook in hoger beroep dient de rechter ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te onderzoeken (ECLI:NL:HR:2019:566). Die rechtsmacht is in dit geval gegeven nu het bij de vorderingen van DUO uit hoofde van geldlening van DUO gaat om vorderingen op grond van een overeenkomst tot het verstrekken van diensten en de kredietverstrekking in Nederland heeft plaatsgevonden (art. 7 lid 1 sub b Brussel I-bis Verordening; ECLI:EU:C:2017:305). Ook heeft [appellante] de bevoegdheid van de Nederlandse rechter stilzwijgend aanvaard door in deze procedure te verschijnen zonder de bevoegdheid te betwisten (art. 26 lid 1 Brussel I-bis Verordening). Verjaring 5.2 In de eerste plaats heeft [appellante] zich verweerd met een beroep op verjaring, voor zover het de periode tot en met oktober 2014 betreft.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:585 text/xml public 2026-05-13T14:49:23 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 200.341.041/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:585 text/html public 2026-05-13T14:43:00 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:585 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / 200.341.041/01 Terugvordering studiefinanciering. 1. Verjaringsverweer is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar omdat de student in kwestie in de verjaringstermijn heeft verzuimd, in strijd met haar wettelijke verplichting daratoe, om haar adreswijzigingen (buiten Nederland) door te geven aan DUO (voorheen IB Groep). 2. De wet biedt geen ruimte voor een draagkrachtmeting met terugwerkende kracht. Voor afwijking van die regel (met overeenkomstige toepassing van de hardheidsclausule, of anderszins) is onvoldoende aangevoerd. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.341.041/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/646243 HA ZA 23/348 Arrest van 14 april 2026 in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats 1] , Duitsland, appellante, advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudend in Groningen, tegen STAAT DER NEDERLANDEN, DIENST UITVOERING ONDERWIJS, een agentschap van het Ministerie van Onderwijs, cultuur en Wetenschap zetelend in Den Haag, geïntimeerde, advocaat: mr. R.J.H. van der Burgt, kantoorhoudend in Veghel. Het hof noemt partijen hierna [appellante] en DUO. 1 De zaak in het kort DUO vordert in deze zaak terugbetaling van leningen uit hoofde van studiefinanciering die zij aan [appellante] heeft verstrekt. [appellante] verweert zich deels met een beroep op verjaring en deels met een beroep op het ontbreken van draagkracht. De rechtbank heeft deze verweren verworpen en de vordering toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 26 april 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank 31 januari 2024 van de rechtbank Den Haag; het arrest van dit hof van 15 oktober 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden); de memorie van grieven van [appellante] ; de memorie van antwoord van DUO, met bijlagen 19 en 20; 2.2 Op 26 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 In de periode van september 1997 tot en met augustus 2002 heeft [appellante] van de Informatie Beheer Groep (de IB Groep), de voorganger van DUO , een prestatiebeurs van € 10.592,30 en een rentedragende lening van € 19.917,47 ontvangen. De prestatiebeurs is deels (€ 1.031,63) omgezet in een gift, omdat in het eerste jaar voldoende studiepunten werden behaald. Voor het restant van de prestatiebeurs (€ 9.560,97) geldt dat deze alleen wordt omgezet in een gift indien binnen 10 jaar na aanvang een diploma wordt behaald. [appellante] heeft geen diploma voor de door haar in Nederland gevolgde opleidingen behaald. 3.2 In een brief van 6 februari 2004 heeft DUO aan [appellante] meegedeeld dat zij haar schuld aan DUO (van op dat moment € 34.410,38), vanwege beëindiging van haar studie per 2002, moet terugbetalen in maandelijkse termijnen van € 257,49 vanaf januari 2005. 3.3 Op 27 oktober 2004 heeft [appellante] per e-mail aan DUO doorgegeven dat zij per 1 januari 2003 van Groningen naar [woonplaats 2] in Duitsland is verhuisd. Daarop heeft zij een ontvangstbevestiging per e-mail ontvangen, waarin onder meer het volgende is vermeld: “Je hebt het volgende aan ons doorgegeven: E-mail [e-mailadres] (…) Naam [appellante] Geboortedatum [geboortedatum] (…) Datum doorgeven wijziging 27-10-2004 10:46:20 AM Datum ingang wijziging 1 januari 2003 Adreswijziging woonadres (WOONADRES = POSTADRES) [woonplaats 2] BONDSREPUBLIEK DUITSLAND (…)” 3.4 Op 7 december 2004 heeft [appellante] formulieren voor een draagkrachtmeting voor 2005 ingevuld en aan DUO verzonden. Naar aanleiding daarvan heeft DUO bij besluit van 6 januari 2005 bepaald dat [appellante] vanaf 1 januari 2005 niets hoefde te betalen. Op 21 september 2005 heeft [appellante] formulieren voor een draagkrachtmeting voor 2006 ingevuld. Op 15 december 2005 heeft DUO een brief naar [appellante] gestuurd met het verzoek om aanvullende stukken. Bij besluit van 6 januari 2006 heeft DUO de aflostermijn vanaf 1 januari 2006 aanvankelijk vastgesteld op € 281,26. Na ontvangst van aanvullende stukken heeft DUO bij besluit van 6 maart 2006 de draagkracht van [appellante] met ingang van 1 januari 2006 vastgesteld op nihil. Vanaf 1 januari 2006 hoefde zij niets te betalen. Deze berichten zijn per post naar het adres van [appellante] in [woonplaats 2] gezonden en hebben haar daar ook bereikt. 3.5 Vanaf juni 2006 is [appellante] meerdere malen binnen Duitsland verhuisd. DUO heeft [appellante] vanaf januari 2007 per post meerdere berichten over terugbetaling van de studiefinanciering – waarbij het maandelijkse aflossingsbedrag op ongeveer € 300,00 was bepaald – gezonden. Geen van deze berichten is verzonden naar een adres waar [appellante] op dat moment woonde (en ingeschreven was). 3.6 DUO heeft [appellante] uiteindelijk in 2019 (na onderzoek naar haar adres via social media) benaderd via Facebook Messenger. Naar aanleiding daarvan nam [appellante] contact op met DUO. DUO verzocht [appellante] om haar adresgegevens kenbaar te maken. [appellante] heeft haar nieuwe adres te [woonplaats 1] (Duitsland) doorgegeven. 3.7 [appellante] heeft in Duitsland vanaf 2015 een studie geneeskunde gevolgd en inmiddels afgerond. Zij volgt momenteel de opleiding tot anesthesioloog. 3.8 Nadat partijen in 2019 weer contact met elkaar hadden, is aanvankelijk een betalingsregeling voor de openstaande schuld afgesproken en is € 400,- afgelost. Nadat daarbij een fout door DUO ten aanzien van het termijnbedrag werd gemaakt en omdat partijen het niet eens werden over de hoogte van de vordering (en het door [appellante] gevoerde verjaringsverweer), heeft DUO uiteindelijk de dagvaarding laten uitbrengen. 4 Procedure in eerste aanleg; vorderingen in hoger beroep 4.1 DUO vorderde in eerste aanleg, voor zover van belang en samengevat, veroordeling van [appellante] tot betaling van € 35.228,63, vermeerderd met rente en kosten. 4.2 De rechtbank heeft de vordering toegewezen, onder vermindering met de door [appellante] betaalde € 400,- (hiervoor, 3.8), met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. 4.3 [appellante] concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het vonnis en alsnog afwijzing van de vordering van DUO, veroordeling van DUO tot terugbetaling van wat [appellante] uit hoofde van het vonnis aan DUO heeft betaald, en veroordeling van DUO in de proceskosten van beide instanties. 4.4 DUO concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep. 5 Beoordeling in hoger beroep Internationale bevoegdheid 5.1 De onderhavige zaak heeft een internationaal karakter nu [appellante] – oorspronkelijk gedaagde – in Duitsland woont. Ook in hoger beroep dient de rechter ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te onderzoeken (ECLI:NL:HR:2019:566). Die rechtsmacht is in dit geval gegeven nu het bij de vorderingen van DUO uit hoofde van geldlening van DUO gaat om vorderingen op grond van een overeenkomst tot het verstrekken van diensten en de kredietverstrekking in Nederland heeft plaatsgevonden (art. 7 lid 1 sub b Brussel I-bis Verordening; ECLI:EU:C:2017:305). Ook heeft [appellante] de bevoegdheid van de Nederlandse rechter stilzwijgend aanvaard door in deze procedure te verschijnen zonder de bevoegdheid te betwisten (art. 26 lid 1 Brussel I-bis Verordening). Verjaring 5.2 In de eerste plaats heeft [appellante] zich verweerd met een beroep op verjaring, voor zover het de periode tot en met oktober 2014 betreft.
Volledig
De rechtbank heeft dit verjaringsverweer verworpen op de grond dat het beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [appellante] bestrijdt dat oordeel. Het hof onderschrijft evenwel het oordeel van de rechtbank, en overweegt daartoe als volgt: [appellante] heeft de stelling van DUO dat zij na medio 2006 haar adreswijzigingen in Duitsland niet aan DUO heeft doorgegeven, niet voldoende gemotiveerd betwist. Weliswaar voert zij aan dat zij zulke wijzigingen wel heeft verstuurd maar zij geeft daarbij tevens aan dit niet te kunnen onderbouwen. Daarom moet in deze procedure van de juistheid van deze stelling van DUO worden uitgegaan. [appellante] moest op grond van artikel 9.2 lid 3 Wet Studiefinanciering 2000 haar adreswijzigingen doorgeven. Dit was voor haar ook mogelijk. Door dit niet te doen heeft zij DUO ernstig bemoeilijkt in het stuiten van de verjaring van haar vordering. Dit maakt het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hierbij verdient aantekening dat zodra DUO ermee bekend was geworden dat [appellante] was verhuisd, zij onderzoek is gestart naar het nieuwe adres. Een eerste onderzoek is verricht in 2008 en dat leverde een adres op in [woonplaats 3] , waarop DUO [appellante] herhaaldelijk heeft aangeschreven. Pas in 2015 ontving DUO voor het eerst post van dat adres retour. DUO heeft toen nieuw onderzoek gedaan in 2016, maar zonder dat dat een nieuw adres opleverde. Eerst in 2019 is DUO via Facebook Messenger met [appellante] in contact gekomen (hiervoor, 3.6). Het hof acht verder niet aannemelijk dat [appellante] sinds de verhuizingen binnen Duitsland vanaf juni 2006 niet meer aan haar studieschuld had gedacht en zich (steeds) niet had gerealiseerd dat DUO niet over haar gewijzigde adresgegevens beschikte. De enkele omstandigheid dat DUO in 2004 op de hoogte raakte van het e-mailadres van [appellante] en dat zij daarop steeds bereikbaar is geweest, maakt het oordeel niet anders. Na de e-mailcorrespondentie uit 2004 (hiervoor, 3.3) hebben partijen uitsluitend per post gecommuniceerd (over de studieschuld) (totdat DUO [appellante] in 2019 benaderde via Facebook Messenger). Ook daarom mocht [appellante] niet ervan uitgaan dat zij haar verdere adreswijzigingen, in afwijking van haar desbetreffende wettelijke verplichting, niet meer hoefde door te geven. DUO heeft onweersproken aangevoerd dat zij het in 2004 aan haar bekend geworden e-mailadres van [appellante] toen niet heeft geregistreerd en in haar systemen ook niet kon registreren. Dat DUO met verdergaand adresonderzoek mogelijk eerder het juiste adres van [appellante] had kunnen achterhalen maakt het oordeel evenmin anders. De door [appellante] verzaakte wettelijke verantwoordelijkheid om haar adreswijzigingen zelf door te geven is doorslaggevend voor het oordeel dat haar beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 5.3 Tussenconclusie is dat de vordering niet is verjaard Draagkracht 5.4 In de tweede plaats heeft [appellante] zich beroepen op onvoldoende draagkracht – in de aflosperiode – om de leningen terug te betalen, en dat zij daarom niets verschuldigd kan zijn. DUO heeft dit verweer weersproken met de stelling dat de toepasselijke regelgeving slechts voorziet in draagkrachtmeting voor de resterende aflosfase – d.w.z. niet achteraf/met terugwerkende kracht. De rechtbank heeft dit standpunt van DUO gevolgd. Zij heeft daarbij verder overwogen dat het geheel conform de bedoeling van de wetgever is dat een (niet verschoonbaar) te laat ingediende aanvraag om alsnog de draagkracht vast te stellen wordt afgewezen, ook al zou deze materieel bezien tot een gunstig resultaat (kunnen) leiden (vgl. CRvB 13 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1789). 5.5 Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het zijne. [appellante] heeft een voorbeeld aangevoerd dat DUO (c.q. de verantwoordelijke minister) in een individueel geval toch met terugwerkende kracht draagkracht heeft vastgesteld. Het klopt dat zgn. harheidsclausule in de wet daarvoor ruimte biedt, maar daargelaten dat [appellante] daarvoor bij de civiele rechter aan het verkeerde adres is, heeft zij in het kader van dit hoger beroep onvoldoende toegelicht dat haar situatie vergelijkbaar is met de omstandigheden van het door haar aangehaalde voorbeeld, of anderszins zou noodzaken tot toepassing van de hardheidsclausule. 5.6 Er is, kortom, ook geen reden voor verlaging van de schuld op grond van de gestelde onvoldoende draagkracht gedurende de aflosperiode. Conclusie en proceskosten 5.7 De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. 5.8 Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van DUO op: griffierecht € 2.175,- salaris advocaat € 3.340,- (2 punten × appeltarief III) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.704,-. 6 Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van DUO begroot op € 5.704,-; bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, B.J. Lenselink en C.J. Loggen-ten Hoopen en op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers, in aanwezigheid van de griffier. Vanaf 1 januari 2010 werd de IB Groep DUO. Voor de leesbaarheid wordt in dit arrest verder de term DUO gehanteerd.
Volledig
De rechtbank heeft dit verjaringsverweer verworpen op de grond dat het beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [appellante] bestrijdt dat oordeel. Het hof onderschrijft evenwel het oordeel van de rechtbank, en overweegt daartoe als volgt: [appellante] heeft de stelling van DUO dat zij na medio 2006 haar adreswijzigingen in Duitsland niet aan DUO heeft doorgegeven, niet voldoende gemotiveerd betwist. Weliswaar voert zij aan dat zij zulke wijzigingen wel heeft verstuurd maar zij geeft daarbij tevens aan dit niet te kunnen onderbouwen. Daarom moet in deze procedure van de juistheid van deze stelling van DUO worden uitgegaan. [appellante] moest op grond van artikel 9.2 lid 3 Wet Studiefinanciering 2000 haar adreswijzigingen doorgeven. Dit was voor haar ook mogelijk. Door dit niet te doen heeft zij DUO ernstig bemoeilijkt in het stuiten van de verjaring van haar vordering. Dit maakt het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hierbij verdient aantekening dat zodra DUO ermee bekend was geworden dat [appellante] was verhuisd, zij onderzoek is gestart naar het nieuwe adres. Een eerste onderzoek is verricht in 2008 en dat leverde een adres op in [woonplaats 3] , waarop DUO [appellante] herhaaldelijk heeft aangeschreven. Pas in 2015 ontving DUO voor het eerst post van dat adres retour. DUO heeft toen nieuw onderzoek gedaan in 2016, maar zonder dat dat een nieuw adres opleverde. Eerst in 2019 is DUO via Facebook Messenger met [appellante] in contact gekomen (hiervoor, 3.6). Het hof acht verder niet aannemelijk dat [appellante] sinds de verhuizingen binnen Duitsland vanaf juni 2006 niet meer aan haar studieschuld had gedacht en zich (steeds) niet had gerealiseerd dat DUO niet over haar gewijzigde adresgegevens beschikte. De enkele omstandigheid dat DUO in 2004 op de hoogte raakte van het e-mailadres van [appellante] en dat zij daarop steeds bereikbaar is geweest, maakt het oordeel niet anders. Na de e-mailcorrespondentie uit 2004 (hiervoor, 3.3) hebben partijen uitsluitend per post gecommuniceerd (over de studieschuld) (totdat DUO [appellante] in 2019 benaderde via Facebook Messenger). Ook daarom mocht [appellante] niet ervan uitgaan dat zij haar verdere adreswijzigingen, in afwijking van haar desbetreffende wettelijke verplichting, niet meer hoefde door te geven. DUO heeft onweersproken aangevoerd dat zij het in 2004 aan haar bekend geworden e-mailadres van [appellante] toen niet heeft geregistreerd en in haar systemen ook niet kon registreren. Dat DUO met verdergaand adresonderzoek mogelijk eerder het juiste adres van [appellante] had kunnen achterhalen maakt het oordeel evenmin anders. De door [appellante] verzaakte wettelijke verantwoordelijkheid om haar adreswijzigingen zelf door te geven is doorslaggevend voor het oordeel dat haar beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 5.3 Tussenconclusie is dat de vordering niet is verjaard Draagkracht 5.4 In de tweede plaats heeft [appellante] zich beroepen op onvoldoende draagkracht – in de aflosperiode – om de leningen terug te betalen, en dat zij daarom niets verschuldigd kan zijn. DUO heeft dit verweer weersproken met de stelling dat de toepasselijke regelgeving slechts voorziet in draagkrachtmeting voor de resterende aflosfase – d.w.z. niet achteraf/met terugwerkende kracht. De rechtbank heeft dit standpunt van DUO gevolgd. Zij heeft daarbij verder overwogen dat het geheel conform de bedoeling van de wetgever is dat een (niet verschoonbaar) te laat ingediende aanvraag om alsnog de draagkracht vast te stellen wordt afgewezen, ook al zou deze materieel bezien tot een gunstig resultaat (kunnen) leiden (vgl. CRvB 13 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1789). 5.5 Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het zijne. [appellante] heeft een voorbeeld aangevoerd dat DUO (c.q. de verantwoordelijke minister) in een individueel geval toch met terugwerkende kracht draagkracht heeft vastgesteld. Het klopt dat zgn. harheidsclausule in de wet daarvoor ruimte biedt, maar daargelaten dat [appellante] daarvoor bij de civiele rechter aan het verkeerde adres is, heeft zij in het kader van dit hoger beroep onvoldoende toegelicht dat haar situatie vergelijkbaar is met de omstandigheden van het door haar aangehaalde voorbeeld, of anderszins zou noodzaken tot toepassing van de hardheidsclausule. 5.6 Er is, kortom, ook geen reden voor verlaging van de schuld op grond van de gestelde onvoldoende draagkracht gedurende de aflosperiode. Conclusie en proceskosten 5.7 De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. 5.8 Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van DUO op: griffierecht € 2.175,- salaris advocaat € 3.340,- (2 punten × appeltarief III) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.704,-. 6 Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van DUO begroot op € 5.704,-; bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, B.J. Lenselink en C.J. Loggen-ten Hoopen en op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers, in aanwezigheid van de griffier. Vanaf 1 januari 2010 werd de IB Groep DUO. Voor de leesbaarheid wordt in dit arrest verder de term DUO gehanteerd.