Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-04-07
ECLI:NL:GHDHA:2026:561
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Zaaknummer hof : 200.346.342/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/654606/HA ZA 23-847 Arrest van 7 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats] , eiseres in hoger beroep, advocaat: mr. M.Ch. Kaaks in Amsterdam, tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend in Den Haag, verweerder in hoger beroep, advocaat: mr. J. Perenboom in Den Haag. Het hof zal partijen hierna noemen [eiser] en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 [eiser] is van mening dat een officier van justitie niet aan Veilig Thuis had mogen doorgeven dat [eiser] verdacht werd van ‘stalking’ van haar ex-echtgenoot (in de vorm van het herhaaldelijk uiten van – volgens de officier van justitie ongefundeerde – beschuldigingen aan het adres van die ex-echtgenoot). Dit had volgens [eiser] tot gevolg dat zij geen meldingen meer aan Veilig Thuis durfde te doen. Ook stelt [eiser] zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie eerder aan haar had moeten doorgeven dat het hoger beroep tegen het strafvonnis waarbij [eiser] van stalking werd vrijgesproken, door het Openbaar Ministerie werd ingetrokken. [eiser] vordert in dit geding dat de Staat haar daarvoor schadevergoeding betaalt. 1.2 Het hof stelt [eiser] op beide punten in het gelijk en veroordeelt de Staat schadevergoeding aan haar te betalen. Enkele bijkomende vorderingen van [eiser] worden afgewezen. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 26 augustus 2020 (het hof begrijpt dat dit gelezen moet worden als: 2024 ), waarmee [eiser] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2024; - de memorie van grieven, tevens eiswijziging, van [eiser] (met producties 1 tot en met 27); - de memorie van antwoord, tevens akte houdende uitlating eiswijziging, van de Staat; - de pleitnota’s die de advocaten van partijen bij gelegenheid van het schriftelijke pleidooi hebben overgelegd. 3 Feiten en achtergronden van deze zaak 3.1 [eiser] is in 2008 getrouwd met de heer [ex-echtgenoot] (hierna: [ex-echtgenoot] ). Uit deze relatie is op [geboortedatum] een zoon ( [zoon] ) geboren. In 2010 is de echtscheiding tussen [eiser] en [ex-echtgenoot] uitgesproken. [eiser] en [ex-echtgenoot] hebben sindsdien diverse procedures tegen elkaar gevoerd over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling met [zoon] . Uiteindelijk is het ouderlijk gezag geheel toegewezen aan [ex-echtgenoot] . 3.2 [ex-echtgenoot] is in de jaren ’90 twee keer strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van ontucht met minderjarige jongens. 3.3 [eiser] heeft meermaals meldingen gedaan bij Veilig Thuis Haaglanden (VT) dat zij zich zorgen maakte over het welzijn van [zoon] , in relatie tot haar ex-echtgenoot. [ex-echtgenoot] heeft naar aanleiding van deze meldingen aangifte gedaan van belaging, lasterlijke aanklacht en smaad. 3.4 Het Openbaar Ministerie (OM) heeft eind 2016 aan [eiser] laten weten dat zij zou worden vervolgd voor onder meer smaad/laster en belaging. 3.5 Bij brief van 14 april 2017 heeft de behandelend officier van justitie, [de Officier van Justitie] (hierna: de OvJ), bij VT informatie opgevraagd en VT verzocht om verstrekking van alle verklaringen die [eiser] en [ex-echtgenoot] over elkaar aan VT hadden gedaan over de periode 22 oktober 2009 tot 16 januari 2017. De OvJ vermeldde in deze brief dat [eiser] ervan werd verdacht dat zij herhaaldelijk ongegronde of irrelevante beschuldigingen heeft gedaan bij verschillende personen en instellingen, waaronder VT. Deze gedragingen konden volgens de OvJ worden aangemerkt als belaging (art. 285b Sr.), dwang (art. 284 Sr.) en smaad(schrift) (art. 261 Sr.). De OvJ noemde in de brief ook nog dat [zoon] met behulp van eiceldonatie is verwekt. 3.6 VT heeft de verzochte informatie op 25 april 2017 aan de OvJ verstrekt. 3.7 Op 2 februari 2018 heeft de buurvrouw van [eiser] , die tevens huisarts was, op verzoek van [eiser] een meldin Zij vordert thans, zakelijk samengevat, dat het hof: I. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door justitiële gegevens te verstrekken aan VT, gevoelige persoonsgegevens bij VT op te vragen, door te interveniëren in het onderzoek van VT en door [eiser] tegenover VT verdacht te maken; II. voor recht verklaart dat het OM [eiser] te laat over de intrekking van het appel heeft geïnformeerd; III. de Staat gelast een brief aan VT te zenden met de strekking dat (de rechter heeft geoordeeld dat) het OM haar ten onrechte verdacht heeft gemaakt; IV. de Staat veroordeelt aan [eiser] te betalen € 5.000 wegens immateriële schade en € 3.500 wegens materiële schade; V. de Staat veroordeelt tot vergoeding van de kosten van het voorlopig getuigenverhoor; VI. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties. 5.2 [eiser] heeft zes grieven tegen het rechtbankvonnis aangevoerd. Het hof zal deze grieven bespreken aan de hand van de volgende onderwerpen: a. de informatie die de OvJ aan VT heeft verstrekt; b. de informatie die de OvJ bij VT heeft opgevraagd; c. interventie van het OM in het onderzoek van VT; d. het te laat informeren van [eiser] over de intrekking van het door het OM ingestelde appel; e. de kosten van het voorlopig getuigenverhoor; f. moet de Staat een brief aan VT zenden met de door [eiser] gewenste inhoud? a. de informatie die de OvJ aan VT heeft verstrekt 5.3 Het hof is van oordeel dat de OvJ onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door strafrechtelijke informatie aan VT te verstrekken. Meer in het bijzonder betreft dat de omstandigheid dat [eiser] ervan werd verdacht dat zij herhaaldelijk ongegronde of irrelevante beschuldigingen heeft gedaan bij verschillende personen en instellingen, waaronder VT, en dat deze gedragingen volgens de OvJ kunnen worden aangemerkt als belaging (art. 285b Sr.), dwang (art. 284 Sr.) en smaad(schrift) (art. 261 Sr.). Daarnaast is het hof van oordeel dat de OvJ onrechtmatig heeft gehandeld door aan VT te schrijven dat [zoon] door middel van eiceldonatie was verwekt. Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende. 5.4 Het hof neemt tot uitgangspunt dat bij de OvJ in redelijkheid de verdenking kon bestaan dat [eiser] [ex-echtgenoot] belaagde door het doen van ongegronde en irrelevante meldingen aan VT. De vraag of de OvJ dat ook in die bewoordingen aan VT mocht berichten beantwoordt het hof echter ontkennend en datzelfde geldt voor de mededeling van de OvJ aan VT in 2018 dat het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] nog gaande was en dat de verdenking van ‘stalking’ (belaging) nog onverminderd aanwezig was. 5.5 Uitgangspunt is dat voor het verstrekken van strafrechtelijke gegevens een goede, in de wet voorziene grond moet bestaan. De Staat voert aan dat de OvJ tot het geven van de desbetreffende informatie gerechtigd was (a) ter voorkoming van voortgezette belaging van [ex-echtgenoot] (door de Staat in dit verband aangemerkt als: ‘het slachtoffer’), (b) ter hulpverlening aan [ex-echtgenoot] en [zoon] en (c) ter bevordering van de volledige en zorgvuldige informatieverstrekking door VT aan de Raad voor de Kinderbescherming. Daarmee zou de verstrekking voldoen aan art. 39f lid 1 sub a, f en g Wjsg. De Staat miskent hiermee echter dat de verstrekking in ieder geval niet heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit. Het voor de hand liggend gevolg van de door de OvJ aan VT verstrekte informatie over de verdenking jegens [eiser] was dat zij geen meldingen meer deed aan VT. Dat gevolg was blijkens de stellingen van de Staat ook door de OvJ (mede) beoogd. Dat is echter een zeer vergaand gevolg, omdat het een moeder kan afhouden van meldingen over het welzijn van haar zoon aan de instantie die daarvoor is aangewezen. Een dergelijk vergaand gevolg moet worden gerechtvaardigd door een evenredig groot belang, maar daarvan is in dit geval niet gebleken. Ook als de meldingen van [eiser] aan VT uitsluitend waren bedoeld om [ex-echtgenoot] te Voor zover [eiser] bedoelt dat de OvJ die informatie niet op de door hem gebruikte wijze (door strafrechtelijke gegevens over [eiser] aan VT te verstrekken) aan VT had mogen vragen, is dat aspect van het onrechtmatig handelen hiervoor reeds gegrond bevonden. c. interventie van het OM in het onderzoek van VT 5.10 Het hof heeft hiervoor overwogen dat de OvJ tot twee maal toe informatie bij VT heeft opgevraagd en dat de manier waarop hij dat heeft gedaan onrechtmatig was jegens [eiser] . Het is het hof niet duidelijk welke verdere of andere schade [eiser] heeft geleden doordat de OvJ daarnaast ook nog op andere wijze met VT over [eiser] heeft gecommuniceerd, zoals door met VT te telefoneren. [eiser] heeft haar vordering in dit opzicht onvoldoende toegelicht. d. het te laat informeren van [eiser] over de intrekking van het door het OM ingestelde appel 5.11 De Staat heeft uitgelegd hoe het heeft kunnen gebeuren dat [eiser] te laat is geïnformeerd over het feit dat het OM zijn appel had ingetrokken. Dat zijn omstandigheden die voor rekening komen van de Staat en de Staat beweert ook niet iets anders. Dat het te laat informeren van [eiser] in strijd was met art. 455 Sv, en dus onrechtmatig, staat tussen partijen ook niet ter discussie. De vraag is alleen of [eiser] door het te laat informeren schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar schade onvoldoende heeft onderbouwd, maar het hof denkt daar anders over. 5.12 In de eerste plaats heeft [eiser] in hoger beroep aangevoerd dat zij onnodig advocaatkosten heeft gemaakt voor een bedrag van € 4.955,15, waarbij [eiser] verwijst naar productie 26. [eiser] vordert hiervan overigens kennelijk slechts een bedrag van € 3.500. De Staat betwist gemotiveerd dat de door [eiser] opgevoerde kosten verband houden met het door het OM ingestelde hoger beroep, wijst erop dat er ook een appel liep van [eiser] zelf en betwist verder dat overleg met mr. Kaaks betrekking had op de strafzaak. Het hof acht op zichzelf aannemelijk dat de strafrechtadvocaat van [eiser] werkzaamheden heeft verricht die niet nodig waren geweest indien het OM haar eerder had laten weten dat het appel was ingetrokken. Aangezien de in dat opzicht geleden schade van [eiser] niet exact kan worden begroot zal het hof de hoogte van deze schade schatten. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat aan de voorbereiding van het appel nauwelijks inhoudelijk werk kan zijn verricht, aangezien het OM nog geen appelmemorie had ingediend en ook nog geen datum voor de zitting was bepaald. Het hof schat de schade van [eiser] op € 750. 5.13 Voor wat betreft de door [eiser] gestelde immateriële schade is het hof van oordeel dat zij deze niet nader hoeft te onderbouwen. [eiser] heeft bijna twee jaar (namelijk van 7 maart 2022 tot 7 februari 2024) in de veronderstelling geleefd dat het appel van het OM zou worden doorgezet, althans dat de mogelijkheid daartoe bestond. In een dergelijk geval worden spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade verondersteld. Uit het aangehaalde arrest van de Hoge Raad blijkt dat hiervoor een schadevergoeding van € 500 per half jaar naar boven afgerond kan worden toegekend, hetgeen voor [eiser] dus neerkomt op een bedrag van € 2.000. 5.14 Het voorgaande komt erop neer dat het hof aan [eiser] een bedrag van € 750 + € 2.000 = € 2.750 zal toewijzen als gevolg van het te laat meedelen van het intrekken van het appel door het OM. e. de kosten van het voorlopig getuigenverhoor 5.15 [eiser] vordert vergoeding van de kosten van ‘het voorlopig getuigenverhoor inclusief de beroepsprocedure, de mondelinge behandeling en de verhoren d.d. 12 mei 2020’. Uit de door [eiser] overgelegde productie 27, waarnaar zij verwijst, leidt het hof af dat zij de werkelijk gemaakte kosten vordert ad € 30.769 advocaatkosten en € 615 verschotten (griffierecht). Deze vordering is slechts voor een (klein) deel toewijsbaar. Over de proceskosten van de procedure tot het gelasten v