Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-20
ECLI:NL:GHDHA:2026:55
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.346.309/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/664550 / KG ZA 24-335 Arrest in kort geding van 20 januari 2026 in de zaak van 1 [appellant] B.V., gevestigd in Rotterdam , 2. [appellant 1] , wonend in [woonplaats 1] , 3. [appellant 2] , wonend in [woonplaats 2] , 4. [appellant 3] B.V. , gevestigd in Rotterdam , 5. 3B Exclusief B.V., gevestigd in Rotterdam, 6. [appellant 4] , wonend in [woonplaats 3] , 7. Womy Equipment Supply B.V., gevestigd in Zevenbergen, appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. T. Geerlof, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen Bayerische Motoren Werke Aktiengesellschaft , gevestigd in München (Duitsland), geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. H.J. Koenraad, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof noemt partijen hierna [appellant ] c.s. en BMW. Appellanten worden afzonderlijk [appellant] , [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , 3B Exclusief, [appellant 4] en Womy genoemd. De zaak is voor [appellant ] c.s. inhoudelijk behandeld door mr. Geerlof (voornoemd), mr. C.D. ten Heuvelhof en mr. W. Pors en voor BMW door mr. Koenraad voornoemd en mr. D.E. Stols. 1 De zaak in het kort 1.1 [appellant ] c.s. hebben 260 voertuigen van het merk BMW gekocht, die zich bevonden op het schip de Fremantle Highway. Op dat schip heeft een brand gewoed. Na de brand is het schip naar de Eemshaven gesleept, is de lading van boord gehaald en heeft [appellant ] c.s. de 260 BMW’s gekocht. BMW heeft beslag gelegd op de voertuigen. [appellant ] c.s. vordert in dit kort geding opheffing van dat beslag. 1.2 Het hof heft het beslag niet op. Inmiddels heeft de Rechtbank Den Haag vonnis gewezen in de bodemprocedure over de vraag of [appellant ] c.s. inbreuk heeft gemaakt op de merk- en modelrechten van BMW. In dit kort geding moet het hof zijn oordeel afstemmen op die beslissing. De nieuwe feiten waarop [appellant ] c.s. zich beroept, kunnen daarin geen verandering brengen. Er blijft dus, gedurende het hoger beroep in de bodemprocedure, beslag rusten op de 260 voertuigen. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 30 juli 2024, waarmee [appellant ] c.s. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 15 juli 2024 (hierna: het Kortgedingvonnis); de memorie van grieven van [appellant ] c.s., met bijlagen; de akte houdende verzoek ex artikel 22 Rv van [appellant ] c.s.; de incidentele conclusie in reactie op verzoek appelanten ex artikel 22 Rv van BMW; de akte houdende wijziging verzoek artikel 22 Rv van [appellant ] c.s.; de incidentele conclusie in reactie op akte houdende wijziging verzoek appelanten ex artikel 22 Rv van BMW; het rolbericht van [appellant ] c.s. van 7 januari 2025, waarin zij het gewijzigde incident ex artikel 22 Rv intrekt; de memorie van antwoord, tevens houdende incidentele memorie van grieven van BMW, met bijlagen; de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant ] c.s., met bijlagen; de akte houdende overlegging nadere producties van [appellant ] c.s., met producties EP74 tot en met EP92; de akte houdende overlegging nadere producties van [appellant ] c.s., met producties EP93 tot en met EP113; de akte overlegging producties van BMW, met producties GP41 tot en met GP61; de akte houdende overlegging nadere productie van [appellant ] c.s., met productie EP114; productie EP115 die [appellant ] c.s. ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd; vervangende productie GP61 (nader kostenoverzicht) die BMW ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd. 2.2 Op 14 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 2.3 Van de 11 de douane-status T2 verkregen (communautaire goederen). 3.12 Op dek 2 en dek 3 van de Fremantle Highway bevonden zich negen voertuigen van het merk BMW Alpina (hierna: de Alpina voertuigen), bestemd voor Japan. Deze waren door Nicole Racing Japan LLC (hierna: Nicole Racing) gekocht van Alpina GmbH. De Alpina voertuigen zijn na de brand vervoerd naar Duitsland en vervolgens verscheept naar Japan. In mei 2025 werd een van de Alpina voertuigen getoond in de showroom van Nicole Racing in Japan, waarbij het mogelijk was in het voertuig plaats te nemen. Drie Alpina voertuigen stonden op de parkeerplaats van Nicole Racing. In een van de geparkeerde Alpina voertuigen lag een pakketje met een extra onderdeel, dat op 19 januari 2024 door BMW naar Nicole Racing in Japan was nagezonden. 4 Procedure bij de voorzieningenrechter in de rechtbank 4.1 [appellant ] c.s. heeft BMW in kort geding gedagvaard en (kort samengevat) gevorderd: (I) dat de voorzieningenrechter het beslag op de Beslagen Producten opheft, althans dat BMW wordt geboden het beslag op te heffen, (II) een verbod voor BMW om nogmaals beslag te leggen, (III) een verbod voor BMW om op afstand berichten te sturen naar de Voertuigen die zijn gericht op ontmoediging van het gebruik en een bevel om RDW te informeren dat zij voormelde berichten heeft ingetrokken, (IV) een bevel tot inzage in correspondentie tussen Dolphin en BMW, rapporten die in opdracht van BMW zijn gemaakt over de Voertuigen en de bijbehorende correspondentie, (V) voorwaardelijk, indien de vorderingen I, II en III worden afgewezen, een gebod voor BMW om zekerheid te stellen voor de schade die [appellant ] c.s. lijdt door het beslag en een bevel om de Beslagen Producten te onderzoeken zoals BMW andere auto’s afkomstig van de Fremantle Highway heeft onderzocht, met (VI) veroordeling van BMW in de volledige proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv. 4.2 [appellant ] c.s. legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het beslag ondeugdelijk is, omdat het verhandelen van de Voertuigen geen inbreuk maakt op de Uniemerk- en modelrechten van BMW. Deze rechten van BMW zijn uitgeput omdat BMW de Voertuigen zelf in de EER in het verkeer heeft gebracht. Er is onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de Voertuigen niet geschikt zijn voor gebruik, zodat BMW ook geen gegronde reden heeft om verdere verhandeling tegen te gaan. [appellant ] c.s. lijdt schade door het onrechtmatige beslag. [appellant ] c.s. heeft een gerechtvaardigd belang bij de gevorderde inzage in correspondentie en rapporten ter onderbouwing van haar verweer en eis in reconventie in de bodemprocedure. 4.3 BMW heeft in reconventie gevorderd een verbod voor [appellant ] c.s. om de Voertuigen te verhandelen, opgave van verkoop- en voorraadgegevens, een bevel tot recall en een veroordeling in de volledige proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv. 4.4 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen in conventie afgewezen. In reconventie heeft de voorzieningenrechter een inbreukverbod aan [appellant ] c.s. gegeven en opgave en een recall bevolen, alles op straffe van een dwangsom. [appellant ] c.s. is in conventie en reconventie in de proceskosten veroordeeld conform de Indicatietarieven in IE-zaken voor de categorie ‘normaal kort geding’. 5 Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellant ] c.s. herhaalt haar petitum uit de dagvaarding in eerste aanleg en vordert daarmee hetzelfde als bij de voorzieningenrechter. 5.2 [appellant ] c.s. heeft de volgende grieven tegen het Kortgedingvonnis aangevoerd. Zij wijst er op dat in het vonnis ten onrechte als feit is vastgesteld dat de brand op de Fremantle Highway ook op dek 5 heeft gewoed. Dat is volgens haar niet het geval geweest (grief I). Grief II richt zich tegen het oordeel dat de Uniemerk- en modelrechten van BMW op de Voertuigen niet zijn uitgeput. Grief III richt zich tegen het voorlopig oordeel dat BMW zich kan verzetten tegen verkoop van de voertuigen buiten de EER. De bestemming van de voertuigen staat nog niet v Uitputting 7.4 Tussen partijen is allereerst in geschil of de Voertuigen door of met toestemming van BMW in de EER in de handel zijn gebracht, zodat [appellant ] c.s. zich kan beroepen op uitputting van de Uniemerk- en modelrechten in de zin van artikel 15 lid 1 UMVo en artikel 21 UModVo. Het hof stemt zijn oordeel af op de beoordeling in r.o. 5.11 tot en met 5.19 van het Bodemvonnis: de Voertuigen hebben voortdurend de status van extra-communautaire goederen (T1 status) gehad voordat zij aan [appellant ] c.s. zijn verkocht. De Voertuigen zijn niet in het vrije verkeer van goederen in de EER gebracht door BMW of Pan German. Die omstandigheid impliceert dat de Voertuigen niet door of met toestemming van BMW in de EER in de handel zijn gebracht. 7.5 In dit hoger beroep heeft [appellant ] c.s. aangevoerd dat er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen, die de rechtbank in het Bodemvonnis niet heeft kunnen meewegen in haar oordeel. De voertuigen zijn volgens [appellant ] c.s. pas door BMW aan Pan German geleverd na de brand, toen de Voertuigen zich in Eemshaven bevonden. Na de brand zijn er gecorrigeerde facturen door BMW aan Pan German gestuurd voor een deel van de Voertuigen. BMW heeft in de overeenkomst met Pan German een eigendomsvoorbehoud bedongen totdat haar factuur voor een voertuig is voldaan. Het gevolg van de correctie van de facturen is dat BMW ten tijde van de brand nog de eigendom van een deel van de Voertuigen had en zij dat deel had kunnen opeisen. Dat heeft ze echter niet gedaan en dat deel is dus door BMW geleverd in de staat waarin de Voertuigen zich na de brand bevonden. 7.6 Zoals in het Bodemvonnis al is geoordeeld, is niet in geschil dat de Voertuigen voorafgaand aan de verkoop en levering aan [appellant ] c.s. te allen tijde de T1-status hebben gehad. Vanwege die omstandigheid is in het Bodemvonnis geoordeeld dat de Voertuigen niet door of met toestemming van BMW in het vrije verkeer van goederen van de EER zijn gebracht, zodat de Uniemerk- en modelrechten niet zijn uitgeput. Of de eigendom op de Voertuigen in Eemshaven is overgegaan op Pan German of in Bremerhaven, is op de douanerechtelijke status niet van invloed, zodat deze omstandigheid niet tot een ander oordeel van de bodemrechter zou hebben geleid. 7.7 Het hof gaat er daarom vanuit dat er geen uitputting van de Uniemerk- en modelrechten op de Voertuigen heeft plaatsgevonden. Dreigende inbreuk op de BMW-merken en -modellen? 7.8 Het hof komt daarmee toe aan de vraag of de Voertuigen zijn aangeboden op een wijze waarbij zij noodzakelijkerwijs in de EU in de handel zouden worden gebracht (het zogenaamde ‘Class-criterium’ ), waardoor er sprake is van inbreukmakende handelingen. [appellant ] c.s. klaagt (in grief IV) dat de voorzieningenrechter dit criterium onjuist heeft toegepast. In r.o. 5.21 tot en met 5.30 van het Bodemvonnis is (kort samengevat) geoordeeld dat [appellant ] c.s. inbreuk heeft gemaakt op de BMW-merken en -modellen, omdat de Voertuigen ter verkoop zijn aangeboden om noodzakelijkerwijs in de EU in de handel te worden gebracht, zodat er is voldaan aan het Class-criterium. Het hof stemt zijn oordeel af op dit oordeel in het Bodemvonnis. 7.9 Het hof merkt daarbij op dat in het Bodemvonnis is geoordeeld dat [appellant 2] , [appellant 1] en [appellant 4] op onrechtmatige wijze leiding hebben gegeven aan de inbreuken van [appellant] , 3B Exclusief en Womy. Dat oordeel doen niet af aan het oordeel in het Bodemvonnis dat de Voertuigen door [appellant] , 3B Exclusief en/of Womy zijn aangeboden om noodzakelijkerwijs in de EU in de handel te worden gebracht. Het oordeel in het Bodemvonnis over [appellant 2] . [appellant 1] en [appellant 4] vormt dan ook geen reden voor opheffing van het beslag of anderszins (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van [appellant 2] , [appellant 1] en/of [appellant 4] in conventie. Gegronde reden voor verzet tegen wederverkoop buiten de EER? 7.10 [appellant ] c.s. heeft zich in hoger beroep verzet tegen het oor Daaruit valt niet zonder meer af te leiden dat BMW er mee bekend was dat dat onderdeel bestemd was voor een voertuig van de Fremantle Highway. De Alpina voertuigen zijn inmiddels allemaal vernietigd, blijkt uit vernietigingsrapporten die BMW heeft overgelegd. Dit feitencomplex is dan ook onvoldoende om te kunnen spreken van een inconsistente handelwijze van BMW ten aanzien van de veiligheid en bruikbaarheid van enerzijds de Voertuigen en anderzijds de Alpina voertuigen. Deze feiten hadden naar het voorlopig oordeel van het hof dan ook niet tot een ander oordeel in het Bodemvonnis geleid. 7.15 In de derde plaats, voor zover er nog ruimte zou zijn voor een eigen oordeel van het hof, geldt het volgende. Voor opheffing van het beslag is vereist dat de vordering van BMW tot afgifte van de Voertuigen summierlijk ondeugdelijk is gebleken in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Uit de beslissing in het Bodemvonnis, waarin de afgifte ter vernietiging is toegewezen, en de hiervoor gegeven voorlopige oordelen over de nieuwe feiten die [appellant ] c.s. heeft aangedragen volgt, dat de kans bestaat dat die vordering ook in hoger beroep in de bodemprocedure wordt toegewezen. Van een summierlijk ondeugdelijke vordering is derhalve geen sprake. 7.16 Een afweging van de belangen van partijen brengt daarbij mee dat het beslag op de Voertuigen niet wordt opgeheven totdat daarop in de bodemprocedure definitief wordt beslist. Een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard toe te waarborgen dat indien een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, die veroordeling ook daadwerkelijk ten uitvoer gelegd kan worden, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken . [appellant ] c.s. hebben (slechts) een financieel belang bij de gevorderde opheffing van het beslag: de waarde neemt af naarmate er meer tijd verstrijkt sinds het bouwjaar. [appellant ] c.s. wil de voertuigen daarom zo snel mogelijk verhandelen. Het is voorshands echter niet uitgesloten dat in het hoger beroep zal worden geoordeeld dat het onrechtmatig is om de Voertuigen waar dan ook ter wereld in het verkeer te brengen. BMW heeft gesteld en met expertise rapporten onderbouwd dat de Voertuigen veiligheidsrisico’s voor de gebruiker geven. De aard van deze risico’s betekent dat terughoudendheid geboden is bij een beslissing tot opheffing van het beslag. Nader onderzoek aan de Voertuigen is ook alleen mogelijk als ze nog niet zijn verhandeld. Verder speelt bij die belangenafweging een rol dat [appellant ] c.s. ten tijde van de koop van de Voertuigen ermee bekend was dat BMW zich verzette tegen de verkoop voor andere doeleinden dan recycling en voornemens was daartegen op te treden. Daarbij is van minder belang dat BMW zich toen nog niet specifiek op de BMW-merken en modellen had beroepen. [appellant ] c.s. waren zich er daardoor van bewust dat zij een risicovolle investering deden. Ten slotte is van belang dat niet gesteld en niet aannemelijk is dat BMW geen verhaal biedt voor eventuele schade ten gevolge van het beslag als zij daarvoor aansprakelijk zou blijken te zijn. Afweging van alle belangen leidt tot de slotsom dat de belangen van BMW en derden tot handhaving van het beslag op dit moment prevaleren boven het financiële belang van [appellant ] c.s. Tussenconclusie in het principaal appel 7.17 De klachten van [appellant ] c.s. tegen de beoordeling in het Kortgedingvonnis dat de Uniemerk- en modelrechten van BMW niet zijn uitgeput, dat [appellant ] c.s. inbreuk op die rechten hebben gemaakt in de EER en dat er geen grond was voor opheffing van het beslag om de Voertuigen buiten de EER te kunnen verhandelen, slagen niet. 7.18 Uit het voorgaande volgt dat de klacht die [appellant ] c.s. heeft gericht tegen de volgens haar onjuiste vaststelling van feiten in r.o. 2.3. van het Kortgedingvonnis niet tot een ander oordeel kan leiden. Dat geldt ook voor de klacht tegen de proceskostenveroordeling van 7.27 Het hof ziet geen aanleiding om de proceskostenveroordeling te matigen in verband met de afwijzing van de vordering in reconventie jegens [appellant 3] . Gesteld noch gebleken is dat er specifiek ten aanzien van de positie van [appellant 3] in reconventie proceskosten zijn gemaakt door partijen. Proceskosten in appel 7.28 [appellant ] c.s. wordt in dit hoger beroep overwegend in het ongelijk gesteld in het principaal en het incidenteel appel. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Dit geldt ook in de zaak tussen [appellant 3] en BMW, omdat de grieven van [appellant 3] niet leiden tot een ander oordeel in de procedure in conventie. Voor zover [appellant ] c.s. heeft bepleit dat BMW toch in de proceskosten dient te worden veroordeeld als het principaal hoger beroep niet slaagt, omdat BMW in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld, wordt dat betoog van de hand gewezen. Het hof beschouwt het achterwege laten van informatie over de correctie van facturen niet van dien aard, dat dit een schending van artikel 21 Rv oplevert. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de gevolgen die [appellant ] c.s. toedicht aan deze feiten (eigendomsovergang na de brand) geen aanleiding vormen voor een andere beslissing, zodat van het bewust verdoezelen van relevante feiten geen sprake is. Dat geldt ook voor de informatie over de Alpina voertuigen. Voor zover BMW die informatie al had, heeft die informatie niet tot een ander oordeel geleid dan in het Kortgedingvonnis en/of het Bodemvonnis gegeven, zodat niet gezegd kan worden dat BMW informatie heeft verzwegen die essentieel was voor de beoordeling. Feitelijke stellingen van BMW die door [appellant ] c.s. zijn weersproken, zoals de temperatuur op de onderste dekken tijdens de brand en de exacte kennis van BMW over de verkoop door Dolphin namens Pan German, vormen evenmin een grond om te oordelen dat sprake is van een schending van artikel 21 Rv die dient te leiden tot een proceskostenveroordeling van BMW. 7.29 Op de in r.o. 7.25 overwogen gronden, wordt de gevraagde billijkheidscorrectie in hoger beroep ook van de hand gewezen. 7.30 BMW heeft opgegeven dat zij in hoger beroep € 50.174,- advocaatkosten heeft gemaakt in de hoofdzaak. Het hof ziet geen aanleiding om de proceskosten in hoger beroep te begroten op de volledige door BMW in hoger beroep gemaakte kosten, noch op het bedrag dat [appellant ] c.s. heeft gevorderd. Het hof begroot de advocaatkosten, met toepassing van de Indicatietarieven in IE-zaken, op € 25.000,- voor het IE-deel en 5% x 3 punten x tarief II = € 182,10 in het niet-IE-deel. Vermeerderd met het griffierecht van € 798,-, 1.969,19 verschotten en € 278 nakosten, bedraagt de proceskostenveroordeling in totaal € 27.949,29 (plus de verhoging van de nakosten zoals vermeld in de beslissing). Proceskosten in de incidenten 7.31 [appellant ] c.s. wordt ook veroordeeld in de proceskosten in de door haar opgeworpen incidenten ex artikel 22 Rv. Het betreft een incident ex artikel 22 Rv om de naam van een medewerker van een BMW-dealer te openbaren die blijkens een productie had verklaard dat de Voertuigen te koop werden aangeboden. Nadat BMW de naam van die medewerker in haar incidentele antwoordconclusie had genoemd en een verklaring van hem had overgelegd, heeft [appellant ] c.s. het incidentele verzoek gewijzigd in de zin dat de naam van de persoon waarnaar werd verwezen in de verklaring van deze medewerker, werd verzocht. Het hof beschouwt dit gewijzigde verzoek als een nieuw incident. [appellant ] c.s. stelt dat de twee incidenten nodig waren om de namen te verkrijgen van deze twee mensen, die zij als getuige in een (voorlopig) getuigenverhoor wilde horen. Nadat BMW de naam van de medewerker van de BMW-dealer had genoemd, heeft [appellant ] c.s. echter geen (voorlopig) getuigenverhoor van deze persoon verzocht. Het is dan ook onduidelijk wat het belang van [appellant ] c.s. was bij het opwerpen van dit incident. Het tweede incident, om de naam van de an