Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-03-20
ECLI:NL:GHDHA:2026:481
Strafrecht
Hoger beroep
6,334 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:481 text/xml public 2026-04-16T12:56:52 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-20 22-004339-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:481 text/html public 2026-04-16T12:55:46 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:481 Gerechtshof Den Haag , 20-03-2026 / 22-004339-24 Verwerping verweer dat bij de betekening van de dagvaarding op het adres van verdachte in Roemenië niet in acht is genomen de termijn van 40 dagen van het door Roemenië gemaakte voorbehoud in artikel 7, derde lid van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Dit verdrag is niet van toepassing, nu de rechtstreekse toezending van de dagvaarding heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. Rolnummer: 22-004339-24 Parketnummer: 09-203340-24 Datum uitspraak: 20 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 9 december 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, BRP-adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de betekening van de dagvaarding van de verdachte om heden ter terechtzitting te verschijnen, niet heeft plaatsgevonden met inachtneming van de termijn van 40 dagen die volgens de verdediging geldt bij betekening aan een adres in [land in EU] . In dat verband heeft de verdediging gewezen op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: EVR) en het door [land in EU] gemaakte voorbehoud. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De toezending van de dagvaarding heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna EU-Rechtshulpovereenkomst), welke bepaling het juist mogelijk maakt gerechtelijke stukken ook rechtstreeks per post toe te zenden aan personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden. De dagvaarding is op 30 januari 2026 betekend door deze rechtstreeks over de post te verzenden naar het adres in [land in EU] dat als het woonadres van de verdachte is opgenomen in de basisregistratie personen (vgl. HR:2002:AD5163). De door [land in EU] afgelegde verklaring als bedoeld in artikel 7, derde lid, EVR heeft betrekking op het geval waarin de dagvaarding via de autoriteiten van [land in EU] als aangezochte staat wordt gestuurd, met als doel dat die autoriteiten de dagvaarding aan de verdachte die zich in [land in EU] bevindt, doen toekomen. Een verklaring als bedoeld in artikel 7, derde lid, EVR heeft geen betrekking op rechtstreekse verzending per post (vgl. HR:1990:AD1172). De opvatting dat bij de onderhavige betekening een termijn van 40 dagen in acht had moeten worden genomen, is naar het oordeel van het hof derhalve onjuist. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 20 januari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer flessen parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] ( [vestiging 1] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 2. hij op of omstreeks 16 oktober 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer flessen parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] ( [vestiging 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op of omstreeks 5 februari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof betrekt daarbij dat de camerabeelden waarop de verbalisanten hun herkenning van de verdachte hebben gebaseerd, niet aan het hof ter beschikking zijn gekomen. Het hof heeft deze beelden derhalve niet kunnen bekijken en kan daarom niet beoordelen of de betreffende verbalisanten op basis daarvan tot een herkenning van de verdachte hebben kunnen komen. Het dossier bevat met betrekking tot dit feit evenmin stills van de betreffende camerabeelden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op of omstreeks 20 januari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer ander en , althans alleen, een of meer flessen parfum, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [winkel 1] ( [vestiging 1] ) , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde ( n ) , heeft weggenomen met het oogmerk om het deze zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op of omstreeks 5 februari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, een of meer kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [winkel 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde ( n ) , heeft weggenomen met het oogmerk om het deze zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:481 text/xml public 2026-04-16T12:56:52 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-20 22-004339-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:481 text/html public 2026-04-16T12:55:46 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:481 Gerechtshof Den Haag , 20-03-2026 / 22-004339-24 Verwerping verweer dat bij de betekening van de dagvaarding op het adres van verdachte in Roemenië niet in acht is genomen de termijn van 40 dagen van het door Roemenië gemaakte voorbehoud in artikel 7, derde lid van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Dit verdrag is niet van toepassing, nu de rechtstreekse toezending van de dagvaarding heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. Rolnummer: 22-004339-24 Parketnummer: 09-203340-24 Datum uitspraak: 20 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 9 december 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, BRP-adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de betekening van de dagvaarding van de verdachte om heden ter terechtzitting te verschijnen, niet heeft plaatsgevonden met inachtneming van de termijn van 40 dagen die volgens de verdediging geldt bij betekening aan een adres in [land in EU] . In dat verband heeft de verdediging gewezen op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: EVR) en het door [land in EU] gemaakte voorbehoud. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De toezending van de dagvaarding heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna EU-Rechtshulpovereenkomst), welke bepaling het juist mogelijk maakt gerechtelijke stukken ook rechtstreeks per post toe te zenden aan personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden. De dagvaarding is op 30 januari 2026 betekend door deze rechtstreeks over de post te verzenden naar het adres in [land in EU] dat als het woonadres van de verdachte is opgenomen in de basisregistratie personen (vgl. HR:2002:AD5163). De door [land in EU] afgelegde verklaring als bedoeld in artikel 7, derde lid, EVR heeft betrekking op het geval waarin de dagvaarding via de autoriteiten van [land in EU] als aangezochte staat wordt gestuurd, met als doel dat die autoriteiten de dagvaarding aan de verdachte die zich in [land in EU] bevindt, doen toekomen. Een verklaring als bedoeld in artikel 7, derde lid, EVR heeft geen betrekking op rechtstreekse verzending per post (vgl. HR:1990:AD1172). De opvatting dat bij de onderhavige betekening een termijn van 40 dagen in acht had moeten worden genomen, is naar het oordeel van het hof derhalve onjuist. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 20 januari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer flessen parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] ( [vestiging 1] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 2. hij op of omstreeks 16 oktober 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer flessen parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] ( [vestiging 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op of omstreeks 5 februari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof betrekt daarbij dat de camerabeelden waarop de verbalisanten hun herkenning van de verdachte hebben gebaseerd, niet aan het hof ter beschikking zijn gekomen. Het hof heeft deze beelden derhalve niet kunnen bekijken en kan daarom niet beoordelen of de betreffende verbalisanten op basis daarvan tot een herkenning van de verdachte hebben kunnen komen. Het dossier bevat met betrekking tot dit feit evenmin stills van de betreffende camerabeelden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op of omstreeks 20 januari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer ander en , althans alleen, een of meer flessen parfum, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [winkel 1] ( [vestiging 1] ) , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde ( n ) , heeft weggenomen met het oogmerk om het deze zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op of omstreeks 5 februari 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, een of meer kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [winkel 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde ( n ) , heeft weggenomen met het oogmerk om het deze zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Volledig
Bespreking bewijsverweer De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, nu de herkenningen van de verdachte op de camerabeelden onvoldoende betrouwbaar zijn. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit het dossier volgt dat [twee verbalisanten] voorafgaand aan het verhoor van de verdachte de camerabeelden en de bijbehorende stills van de diefstallen hebben bekeken. Deze verbalisanten hebben de verdachte vervolgens, toen zij hem voor het afnemen van het verhoor in persoon zagen, direct herkend als de persoon die op de camerabeelden te zien is. Voorts stelt het hof vast dat de camerabeelden met betrekking tot de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten van voldoende kwaliteit zijn en dat daarop het gezicht van de mannelijke dader duidelijk zichtbaar is. Het hof acht de identificatie van de verdachte als de persoon die de diefstallen heeft gepleegd, voldoende betrouwbaar. Het verweer wordt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Daarbij zijn uit winkels meerdere (dure) flessen parfum en kleding weggenomen met een hoge winkelwaarde van respectievelijk € 1.261,00 en € 2.934,74. Het hof rekent het de verdachte aan dat deze feiten in vereniging zijn gepleegd en dat daarbij gebruik is gemaakt van geprepareerde tassen, kennelijk met het doel om de beveiligingsmaatregelen van de betreffende winkels te omzeilen. Dit duidt naar het oordeel van het hof op een professionele en planmatige werkwijze. Voorts is winkeldiefstal een ergerlijk feit dat naast financiële schade en hinder voor het gedupeerde bedrijf, ook onrustgevoelens en overlast met zich brengt. Door aldus te handelen, heeft de verdachte een gebrek aan respect voor andermans eigendommen getoond en kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Het hof heeft verder acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van een winkeldiefstal in vereniging. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, en mr. A. de Lange en mr. E.J. Spaans, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2026. Mr. E.J. Spaans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
Bespreking bewijsverweer De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, nu de herkenningen van de verdachte op de camerabeelden onvoldoende betrouwbaar zijn. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit het dossier volgt dat [twee verbalisanten] voorafgaand aan het verhoor van de verdachte de camerabeelden en de bijbehorende stills van de diefstallen hebben bekeken. Deze verbalisanten hebben de verdachte vervolgens, toen zij hem voor het afnemen van het verhoor in persoon zagen, direct herkend als de persoon die op de camerabeelden te zien is. Voorts stelt het hof vast dat de camerabeelden met betrekking tot de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten van voldoende kwaliteit zijn en dat daarop het gezicht van de mannelijke dader duidelijk zichtbaar is. Het hof acht de identificatie van de verdachte als de persoon die de diefstallen heeft gepleegd, voldoende betrouwbaar. Het verweer wordt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Daarbij zijn uit winkels meerdere (dure) flessen parfum en kleding weggenomen met een hoge winkelwaarde van respectievelijk € 1.261,00 en € 2.934,74. Het hof rekent het de verdachte aan dat deze feiten in vereniging zijn gepleegd en dat daarbij gebruik is gemaakt van geprepareerde tassen, kennelijk met het doel om de beveiligingsmaatregelen van de betreffende winkels te omzeilen. Dit duidt naar het oordeel van het hof op een professionele en planmatige werkwijze. Voorts is winkeldiefstal een ergerlijk feit dat naast financiële schade en hinder voor het gedupeerde bedrijf, ook onrustgevoelens en overlast met zich brengt. Door aldus te handelen, heeft de verdachte een gebrek aan respect voor andermans eigendommen getoond en kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Het hof heeft verder acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van een winkeldiefstal in vereniging. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, en mr. A. de Lange en mr. E.J. Spaans, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2026. Mr. E.J. Spaans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.