Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-03-24
ECLI:NL:GHDHA:2026:479
Strafrecht
Hoger beroep
3,345 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:479 text/xml public 2026-04-09T15:46:19 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-24 22-002770-25 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:479 text/html public 2026-04-09T15:45:41 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:479 Gerechtshof Den Haag , 24-03-2026 / 22-002770-25 Wederspannigheid. Betwisting rechtmatigheid politieoptreden. Rolnummer: 22-002770-25 Parketnummer: 10-169485-21 Datum uitspraak: 24 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 november 2021 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999 , adres: [adres] , ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [locatie P.I.] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden – het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, zodat na aftrek 44 dagen gevangenisstraf resteren die voorwaardelijk zijn opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd. In cassatie heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd en teruggewezen naar het hof. Omvang van het hoger beroep Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 16 september 2025 het gehele vonnis waarvan beroep aan het oordeel van het hof onderworpen. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 26 juni 2021 te Rotterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen meerdere, althans een, (opsporings)ambtena(a)r(en), [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter staandehouding van verdachte voor overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet en/of ter aanhouding van verdachte op heterdaad voor overtreding van artikel 287/302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 300 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 7 Wegenverkeerswet, door - zich met kracht te verzetten en/of tegen te stribbelen, terwijl voornoemde [benadeelde partij 1] probeerde om verdachte uit een (personen)auto te trekken en/of - als bestuurder van een (personen)auto met hoge, althans aanzienlijke, snelheid weg te rijden, terwijl voornoemde [benadeelde partij 1] door een openstaand raam in voornoemde (personen)auto hing en/of waardoor vervolgens voornoemde [benadeelde partij 1] werd meegesleurd en/of meegetrokken door voornoemde (personen)auto en/of voornoemde [benadeelde partij 1] ten val kwam en/of verdachte vervolgens met voornoemde (personen)auto over een been en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde partij 1] is gereden en/of - zich met kracht te verzetten tegen het boeien van zijn, verdachtes, polsen door voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten meerdere, althans een, bloeduitstorting(en) en/of verwonding(en) op/aan het lichaam van voornoemde [benadeelde partij 1] en/of een gekneusde knie en/of enkel bij voornoemde [benadeelde partij 2] ten gevolge heeft gehad. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen met aftrek van voorarrest. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Het hof legt de tenlastelegging, bezien tegen de achtergrond van het procesdossier, aldus uit dat de verdachte een aantal chronologisch opgesomde gedragingen verweten wordt. Deze opsomming vangt aan met gedragingen vanaf het moment dat [benadeelde partij 1] de verdachte uit de personenauto probeerde te trekken. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden: De verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] reden op 26 juni 2021 omstreeks 17:20 uur op de Keilestraat in Rotterdam toen zij [een voertuig] met [het kentekennummer] (verder: het voertuig) zagen rijden. [benadeelde partij 2] herkende de bestuurder van het voertuig ambtshalve als een persoon die meerdere antecedenten heeft voor het rijden zonder rijbewijs. [benadeelde partij 1] heeft het kenteken van het voertuig bevraagd via het politiesysteem MEOS. Verbalisanten zagen in MEOS een politiefoto van de verdachte die overeen kwam met de bestuurder van het voertuig. De verbalisanten zagen omstreeks 17:25 uur dat het voertuig op de Keilestraat werd geparkeerd. Nadat de verdachte het voertuig tot stilstand had gebracht in een parkeervak tussen twee geparkeerd staande auto's, zijn de verbalisanten naar het voertuig gelopen waarin de verdachte zich bevond. [benadeelde partij 2] heeft het identiteitsbewijs van de verdachte gevorderd. Om omstreeks 17:30 uur liep [benadeelde partij 2] naar de bestuurderskant van het voertuig, [benadeelde partij 1] bevond zich op dat moment ook aan de bestuurderskant van de auto. [benadeelde partij 2] heeft de verdachte verteld dat hij een bekeuring zou krijgen vanwege het rijden zonder rijbewijs en dat het voertuig in beslag zou worden genomen. De verdachte heeft gevraagd of hij werd aangehouden, [benadeelde partij 2] heeft aangegeven dat dit niet het geval was. De verdachte startte vervolgens de auto en reed met flinke snelheid achteruit het parkeervak uit. [benadeelde partij 2] rende naar de bijrijderskant om de handrem omhoog te trekken. [benadeelde partij 1] rende ook mee met de auto, trok zijn dienstwapen en richtte dat op de borst van de verdachte. [benadeelde partij 1] boog vervolgens de auto in via het portierraam aan de bestuurderskant van de auto om de verdachte uit het voertuig te trekken en gaf de verdachte een klap in zijn gezicht. De verdachte gaf daarna gas en reed weg terwijl [benadeelde partij 1] nog aan de auto hing. Artikel 7 van de destijds geldende Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren luidde indertijd en voor zover van belang als volgt: 1. Het gebruik van een vuurwapen (…) is slechts geoorloofd: Om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; Om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf 1e. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en 2e. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of 3e. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.
Volledig
(…) (…) In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt. (..) Het hof stelt voorop dat in de omstandigheden van dit geval de staandehouding van de verdachte wegens rijden zonder rijbewijs door de verbalisanten rechtmatig was. Dit is ook niet betwist door de verdediging. Het hof stelt vast dat voorafgaand aan deze gebeurtenissen de identiteit van de bestuurder van de [een voertuig] bij de verbalisanten bekend was en dat het doel van de interactie tussen de verbalisanten en de verdachte niet de aanhouding, maar de staande houding was. Ingevolge artikel 7, eerste en derde lid, van de hiervoor weergegeven Ambtsinstructie was het gebruik van een vuurwapen in deze situatie niet geoorloofd. Feiten of omstandigheden die dit anders zouden kunnen maken, zoals bijvoorbeeld eerder vuurwapengebruik door de verdachte, zijn gesteld noch gebleken. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat vanaf het moment dat een van de verbalisanten het dienstwapen trok en op de borst van de verdachte richtte zozeer is gehandeld in strijd met de eisen van de Ambtsinstructie, de noodzaak tot dit optreden en de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit , dat de verbalisanten niet meer handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Ook het nadien geven van een klap in het gezicht van de verdachte kan niet als een vorm van rechtmatige uitoefening van de bediening aangemerkt worden. Aangezien de in de tenlastelegging vermelde gedragingen van de verdachte alle hebben plaatsgevonden nadat het dienstwapen op de borst van de verdachte gericht was, kan ten aanzien van geen van deze gedragingen worden aangenomen dat zij verricht zijn op een moment dat de verbalisanten handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte, vanaf het moment dat hij op de vlucht sloeg, een steviger optreden had te accepteren en dat de verbalisanten geen andere keus hadden te handelen dan zij gehandeld hebben. Dit standpunt wordt door het hof verworpen op grond van het derde lid van de hiervoor weergegeven destijds geldende Ambtsinstructie. De identiteit van de verdachte was bekend, beoogd werd een staandehouding en geen aanhouding, en enig uitstel wegens het rijden zonder rijbewijs, hoe ernstig ook, is geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de verbalisanten niet handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en dat om die reden de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.500,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1000,00 aan immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Nu de verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 500,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Nu de verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. BESLISSING Het hof: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Vordering van [benadeelde partij 1] Verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van [benadeelde partij 2] Verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door mr. TH.W.H.E. Schmitz, als voorzitter, mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Savans. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 maart 2026.