Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-02-24
ECLI:NL:GHDHA:2026:459
Civiel recht
Hoger beroep
2,044 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHDHA:2026:459 text/xml public 2026-03-30T09:45:33 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-24 200.329.398/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2025:2958 Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2025:2959 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:459 text/html public 2026-03-30T09:44:47 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:459 Gerechtshof Den Haag , 24-02-2026 / 200.329.398/01 Eindarrest. Vordering aannemer tot vernietiging arbitrale vonnissen afgewezen. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.329.398/01 Arrest van 24 februari 2026 in de zaak van [eiseres] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , eiseres, advocaat: mr. E. Hoekstra, kantoorhoudend in Alkmaar, tegen 1 [verweerder 1] , wonend in [woonplaats] , 2. [verweerder 2] , wonend in [woonplaats] , 3. [verweerder 3] , wonend in [woonplaats] , 4. [verweerder 4] , wonend in [woonplaats] , 5. [verweerder 5] , wonend in [woonplaats] , 6. [verweerder 6] , wonend in [woonplaats] , 7. [verweerder 7] , wonend in [woonplaats] , 8. [verweerder 8] , wonend in [woonplaats] , 9. [verweerder 9] , wonend in [woonplaats] , 10. [verweerder 10] , wonend in [woonplaats] , 11. [verweerder 11] , wonend in [woonplaats] , 12. [verweerder 12] , wonend in [woonplaats] . verweerders, advocaat: mr. F. Dijkslag, kantoorhoudend in Amersfoort. Het hof noemt eiseres hierna [eiseres] . Verweerders worden afzonderlijk aangeduid met hun achternaam en gezamenlijk met [verweerder 1] c.s. 1 De zaak in het kort Een aannemer heeft zes woningen gebouwd in een voormalig kerkgebouw in [plaats] . De opdrachtgevers hebben bij de Geschillencommissie Verbouw & Nieuwbouw een procedure aanhangig gemaakt in verband met bouwtijdoverschrijding. De Geschillencommissie heeft de aannemer in zes arbitrale vonnissen veroordeeld tot betaling van boetes ten aanzien van ieder van de zes opdrachtgevers. De aannemer heeft vernietiging van de arbitrale vonnissen gevorderd. In het tussenarrest van 25 februari 2025 heeft het hof ten aanzien van vier arbitrale vonnissen geoordeeld dat die niet voor vernietiging in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige twee vonnissen heeft het hof geoordeeld dat er grond is voor terugverwijzing in de zin van artikel 1065a Rv (“remission”), omdat de Geschillencommissie in die zaken op een essentieel verweer niet is ingegaan. Op 7 oktober 2025 heeft de Geschillencommissie in die zaken twee herstelvonnissen gewezen. In dit eindarrest komt het hof tot het oordeel dat de Geschillencommissie in die twee vonnissen alsnog is ingegaan op de essentiële verweren van de aannemer. Daarmee bestaat de vernietigingsgrond niet meer. De vordering tot vernietiging wordt daarom afgewezen. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Voor het procesverloop tot 22 april 2025 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dit tussenarrest heeft het hof met toepassing van artikel 1065 Rv (de regeling van de zogenoemde remission) de procedure geschorst voor de duur van zes maanden en de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw (Geschillencommissie) in de gelegenheid gesteld om twee door de Geschillencommissie op 1 september 2022 gewezen arbitrale vonnissen te herstellen. 2.2 Op 7 oktober 2025 heeft de Geschillencommissie in beide zaken een arbitraal vonnis gewezen. 2.3 Op 28 oktober 2025 is de procedure bij dit hof hervat. [eiseres] en [verweerder 1] c.s. hebben ieder een akte genomen, waarbij [verweerder 1] c.s. twee producties heeft overgelegd, waaronder de arbitrale vonnissen van 7 oktober 2025. 2.4 Vervolgens is arrest bepaald op heden. 3 De verdere beoordeling 3.1 Bij tussenarrest van 22 april 2025 heeft het hof geoordeeld dat de Geschillencommissie in de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 5] en [verweerder 6] en in de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 3] en [verweerder 4] op een essentieel verweer niet is ingegaan, en dat dit een grond voor vernietiging van de arbitrale vonnissen op de voet van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv oplevert. 3.2 In de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 5] en [verweerder 6] gaat het om een gestelde vertraging in de bouw doordat eigen aannemers van [verweerder 5] en [verweerder 6] in de woning hebben gewerkt. De daardoor ontstane vertraging dient volgens [eiseres] voor rekening van [verweerder 5] en [verweerder 6] te komen. In de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 3] en [verweerder 4] gaat het om een gestelde vertraging in de bouwtijd die samenhangt met het door [verweerder 3] en [verweerder 4] aan [eiseres] opgedragen meerwerk, waar [eiseres] volgens haar wel van te voren bouwtijdverlenging voor heeft aangekondigd. 3.3 Bij het arbitraal (herstel)vonnis van 7 oktober 2025 in de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 5] en [verweerder 6] heeft de Geschillencommissie ten aanzien van de bouwtijdverlenging in verband met de eigen aannemers het volgende overwogen: 3.4 In de zaak van [eiseres] tegen [verweerder 3] en [verweerder 4] heeft de Geschillencommissie ten aanzien van het verweer van [eiseres] dat bouwtijdverlenging is overeengekomen als volgt overwogen: 3.5 Volgens [verweerder 3] en [verweerder 4] en [verweerder 5] en [verweerder 6] heeft de Geschillencommissie hiermee alsnog op de openstaande punten een motivering gegeven en is er geen aanleiding meer om de arbitrale vonnissen te vernietigen. 3.6 [eiseres] heeft zich in haar akte op het standpunt gesteld dat de Geschillencommissie een onjuiste maatstaf heeft toegepast door [eiseres] te houden aan bewijs van concrete vertraging door de eigen aannemers van [verweerder 5] en [verweerder 6] . Volgens haar heeft de Geschillencommissie verder miskend dat enkel het feit van exclusieve beschikking over het werk door [verweerder 5] en [verweerder 6] gedurende elf dagen met zich heeft gebracht dat [eiseres] niet vrijelijk kon doorwerken, zodat dit ten minste tijdsextensief is en in redelijkheid aan [verweerder 5] en [verweerder 6] moet worden toegerekend. De Geschillencommissie heeft volgens [eiseres] geen juridisch dragende verklaring gegeven waarom die exclusieve periode géén deelvertraging of verlenging zou rechtvaardigen en dat is een motiveringsgebrek, te meer nu de Geschillencommissie heeft erkend dat de planning door [eiseres] is aangepast om eigen aannemers van [verweerder 5] en [verweerder 6] toe te laten. 3.7 In de zaak van [verweerder 3] en [verweerder 4] heeft de Geschillencommissie volgens [eiseres] – kort gezegd – de uitzonderingsmaatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW volledig miskend. De Geschillencommissie heeft nagelaten om de ondertekende overeenkomst, de erkenning door [verweerder 3] en [verweerder 4] en de concrete onderbouwing van [eiseres] te wegen. De beslissing is daarmee ten minste inconsistent, selectief en onvoldoende gemotiveerd. 3.8 Het hof overweegt dat, anders dan [eiseres] betoogt, de Geschillencommissie nu, in beide zaken, alsnog het verweer van [eiseres] ten aanzien van de redenen voor de bouwtijdverlenging gemotiveerd heeft verworpen. Zoals reeds in het tussenarrest van 25 februari 2025 is overwogen, is vernietiging slechts mogelijk wanneer de motivering ontbreekt en niet in gevallen van ondeugdelijke motivering (voor zover daar sprake van zou zijn): aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Het hof gaat daarom voorbij aan het betoog van [eiseres] dat de Geschillencommissie een onjuiste maatstaf heeft toegepast. 3.9 Nu de Geschillencommissie met toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 1065a Rv partijen heeft gehoord, aanvullende arbitrale vonnissen heeft gewezen en daarin alsnog op de betreffende verweren is ingegaan, bestaat de in het tussenarrest van 25 februari 2025 vermelde vernietigingsgrond niet meer. 3.10 Gelet op het oordeel dat de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen moet worden afgewezen, bestaat geen aanleiding meer om in te gaan op het verzoek van [verweerder 1] c.s. om de punten 34 tot en met 38 van de akte van [eiseres] buiten beschouwing te laten of om [verweerder 1] c.s.