Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-03-17
ECLI:NL:GHDHA:2026:434
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/411 Uitspraak van 17 maart 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: D.A.N. Bartels) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland , de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 april 2025, nummer SGR 24/1091. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] voor het jaar 2021 een aanslag in de zuiveringsheffing bedrijfsruimten van het Hoogheemraadschap van Rijnland opgelegd ten bedrage van € 193,80 (de aanslag). 1.2. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 371. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 579. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 31 juli 2025. Van de zijde van belanghebbende zijn op 17 juni 2025, 13 januari 2026, 14 januari 2026, 16 januari 2026 en 23 januari 2026 nadere stukken ingekomen. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 februari 2026. Partijen hebben deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende was in 2021 eigenaar en gebruiker van de bedrijfsruimte, een tankstation, aan de [adres] te [woonplaats] (het tankstation). 2.2. De aanslag ten bedrage van € 193,80 is opgelegd op 28 februari 2021 voor het (direct of indirect) afvoeren van afvalwater uit het tankstation en is berekend naar drie vervuilingseenheden. 2.3. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief van 6 december 2023 uitgenodigd voor een hoorgesprek. In deze brief staat, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld: “Daarom nodigen wij u uit voor een hoorgesprek zodat u uw bezwaarschrift mondeling kunt toelichten. Het hoorgesprek kan plaatsvinden op een van de volgende momenten: (…) Indien u niet of te laat reageert op deze brief, kiezen wij het moment donderdag 21 december 2023 14:00 voor de hoorzitting. U kunt dan niet meer zelf meebeslissen over de datum en tijd. De hoorzitting wordt alleen in uitzonderlijke gevallen verzet. Mocht u niet verschijnen op de hoorzitting, dan gaan wij er van uit dat u niet langer gehoord wenst te worden en doen wij uitspraak op basis van de informatie die ons ter beschikking staat.” 2.4. Belanghebbende heeft voornoemde brief teruggezonden met daarop de volgende, voor zover in hoger beroep van belang, handgeschreven tekst: “(…) 12-12-23 Hoe luiden de namen van onze klanten? Welke adressen betreffen het?” 2.5. De Heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan zonder een hoorgesprek te houden. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder: “(…) 11. Op grond van artikel 17 van de Verordening rust de bewijslast op eiseres om aannemelijk te maken dat vervuilingseenheid 1 of minder is. Nu eiseres niets heeft aangevoerd, heeft zij niet aan haar bewijslast voldaan. Ook de stelling van eiseres in bezwaar dat er geen sprake zou zijn van een aansluiting heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De stelling van eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft geen gehoor gegeven aan de uitnodiging van verweerder om te worden gehoo Ter zitting heeft de gemachtigde nader toegelicht dat het verzoek ermee te maken heeft dat hij een grote hoeveelheid zaken heeft lopen in het gehele land en de aanslagnummers geen unieke nummers zijn. Hierdoor kan in zijn administratie niet (eenvoudig) worden achterhaald welke klanten bij de betreffende aanslagnummers horen. Nu de Heffingsambtenaar niet heeft gereageerd op het verzoek om verstrekking van de namen dan wel adressen van de klanten en verder geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, is de hoorplicht naar het oordeel van belanghebbende geschonden. De Heffingsambtenaar heeft deze stelling gemotiveerd weersproken. 5.2.2. Vast staat dat belanghebbende in haar bezwaarschrift duidelijk kenbaar heeft gemaakt te willen worden gehoord. Gelet op de beschikbare gedingstukken is naar het oordeel van het Hof sprake van schending van de hoorplicht zoals bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 25, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet. Dat in de reactie op de brief van 6 december 2023 is verzocht om de namen van de klanten en de daarbij behorende adressen, zonder daarbij aan te geven op welke data belanghebbende beschikbaar is voor een hoorgesprek, maakt dit niet anders. Uit de reactie van (de gemachtigde van) belanghebbende kon de Heffingsambtenaar immers niet zonder meer afleiden dat belanghebbende afstand heeft gedaan van haar recht te willen worden gehoord (vgl. HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59, r.o. 2.3). Evenmin doet daaraan af dat de Heffingsambtenaar in zijn brief van 6 december 2023 een fatale termijn heeft gesteld voor het maken van een afspraak dan wel heeft vermeld ervan uit te gaan dat belanghebbende afstand doet van haar hoorrecht indien zij niet op het door de Heffingsambtenaar gekozen tijdstip voor een hoorzitting verschijnt (zie 2.3). 5.2.3. Ondanks dat de hoorplicht is geschonden, bestaat geen aanleiding voor een terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar omdat belanghebbende niet om terugwijzing heeft verzocht. Wel bestaat aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten en griffierechten. Aanslag zuiveringsheffing 5.3.1. Het Hof stelt vast dat niet (meer) in geschil is dat het tankstation beschikt over een wateraansluiting. Belanghebbende heeft immers ter zitting van de Rechtbank (met verwijzing naar een namens belanghebbende opgestelde en in het geding gebrachte e-mail) verklaard dat het tankstation in het onderhavige jaar operationeel in gebruik is geweest, onder meer doordat water bij het tankstation wordt verkocht aan glazenwassers en wordt meegenomen door mensen met campers. Daarmee heeft belanghebbende haar eerdere betwisting van de aanwezigheid van een wateraansluiting prijsgegeven. 5.3.2. Belanghebbende stelt dat de aanslag dient te worden opgelegd naar één vervuilingseenheid in plaats van drie vervuilingseenheden. Doordat water bij het tankstation wordt verkocht dan wel wordt meegenomen (zie 5.3.1), wordt minder water geloosd op het riool dan is verbruikt. 5.3.3. De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de bewijslast draagt van zijn stelling dat, door de verkoop van het water aan glazenwassers dan wel het gebruik door mensen met campers, de aanslag dient te worden opgelegd naar één vervuilingseenheid. Nu belanghebbende geen bewijs heeft aangedragen op basis waarvan de conclusie kan worden genomen dat de aanslag naar één vervuilingseenheid dient te worden opgelegd, is de aanslag naar de mening van de Heffingsambtenaar naar het juiste bedrag vastgesteld. 5.3.4. De Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2021 (de Verordening) bevat, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer de volgende bepalingen en artikelgewijze toelichting: “Artikel 3 (…) 2. Aan de heffing worden onderworpen: a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; b. ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degen Artikelgewijze toelichting (…) Artikel 2 (…) Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 12. De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening. (…) Artikel 12 Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege blijven. Bij zogenoemde ‘tabelbedrijven’ wordt het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt. Deze bepaling is destijds met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud) ingevoerd. In de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming is, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1998/1999, 26 367, nr. 3, p. 9 en 10): “De vijftien afvalwatercoëfficiënten zijn berekend vanuit de coëfficiënt die behoort bij klasse 8, dit is de coëfficiënt die het huishoudelijk en daarmee vergelijkbaar afvalwater representeert. (…) De afvalwatercoëfficiënten welke behoren bij de hoogste, onderscheidenlijk de laagste klasse van de Tabel Afvalwatercoëfficiënten komen overeen met het meest, respectievelijk het minst geconcentreerde afvalwater dat uit de praktijk bekend is. (…) Eerste lid Toepassing van de tabel is toegestaan indien: de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen. Tweede lid De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt. Derde lid Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een andere tariefstructuur door het ontbreken van een watermeter. In dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels. Vierde lid De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de tabel in artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december 2008, Stb. 2008/609). (…) Artikel 17 Eerste lid De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis in artikel 122i, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt. Tweede lid Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie vervuilingseenheden opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder vervuilingseenheid bedraagt. Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aan In deze procedure heeft de gemachtigde van belanghebbende pas in zijn nader stuk van 14 januari 2026 in algemene bewoordingen verwezen naar jurisprudentie over de opbrengstlimiet, zonder zich daarop uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te beroepen. Onder die omstandigheden zou de goede procesorde geweld worden aangedaan door de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden tot de geschilpunten te rekenen. Vergoeding van immateriële schade 5.5.1. Belanghebbende heeft in beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat de redelijke termijn weliswaar met afgerond 25 maanden is overschreden, maar heeft volstaan met de enkele constatering daarvan onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, en 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292. Volgens de Rechtbank heeft belanghebbende namelijk niet kenbaar gemaakt wat haar belang is, waardoor de Rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of het financiële belang groter is dan € 15. 5.5.2. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.2). Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden wordt gerekend het geval dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. Van een zeer gering financieel belang is sprake indien het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen en de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15 (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3). 5.5.3. Het hiervoor bedoelde financiële belang kan alleen betrekking hebben op een of meer belastingaanslagen dan wel voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, lid 1 en 2, AWR waarover de belastingplichtige een procedure voert. Daarbij wordt geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters, zoals beslissingen over proceskostenvergoedingen, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.1). Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het is daarbij aan de belanghebbende om voldoende duidelijk te maken waarin het financiële belang bij de procedure is gelegen en wat de omvang daarvan is (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.4 en r.o. 3.3.5). 5.5.4. In de onderhavige zaak heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de aanslag dient te worden vastgesteld naar één vervuilingseenheid. Aangezien op grond van artikel 20 van de Verordening (zie 5.3.4) het tarief per vervuilingseenheid € 64,60 bedraagt en de aanslag voor het onderhavige jaar is opgelegd naar drie vervuiling