Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-02-03
ECLI:NL:GHDHA:2026:350
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
10,170 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:350 text/xml public 2026-04-08T15:57:36 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-03 BK-24/545 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:11056, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026040806 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:350 text/html public 2026-03-19T12:12:16 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:350 Gerechtshof Den Haag , 03-02-2026 / BK-24/545 Artikel 3.92, lid 1, aanhef en letter a, en art. 3.94 Wet IB 2001. Het Hof oordeelt dat de geldverstrekking, anders dan de Inspecteur stelt, civielrechtelijk kan worden aangemerkt als lening, alsmede dat geen sprake is van een schijnlening of een bodemlozeputlening. De Inspecteur maakt wel aannemelijk dat sprake is van een onzakelijke lening onder het regime van de terbeschikkingstellingsregeling, zodat de afwaardering van de rekening-courantvordering niet aftrekbaar is. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/545 Uitspraak van 3 februari 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 april 2024, nummer SGR 23/58. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 217.488 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 10.004 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een nadere aanvulling op de gronden van het hoger beroep (‘verweerschrift in hoger beroep’) ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 november 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep ter zitting ingetrokken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende bezat alle certificaten van aandelen in [B.V. 1] die waren uitgegeven door Stichting […] (de stichting). De stichting was enig aandeelhouder van [B.V. 1] . [B.V. 1] was op haar beurt enig aandeelhouder van [B.V. 2] en [B.V. 3] . [B.V. 1] bezat verder ongeveer 95% van de aandelen in [B.V. 4] . 2.2.1. Belanghebbende was bestuurder van [B.V. 1] . [B.V. 1] was bestuurder van [B.V. 2] , [B.V. 3] en [B.V. 4] . 2.2.2. [B.V. 1] was een houdstervennootschap. Zij was daarnaast eigenaar van machines en installaties die voor de productie van sieraden werden verhuurd aan [B.V. 2] . [B.V. 2] produceerde sieraden en trouwringen. [B.V. 3] exploiteerde een groothandel in trouwringen. [B.V. 4] exploiteerde een groothandel in sieraden en horloges. 2.3. [B.V. 1] vormde samen met [B.V. 2] en [B.V. 3] een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De laatste aangifte in de vennootschapsbelasting van de fiscale eenheid is op 17 december 2015 ingediend en betrof het jaar 2014. 2.4.1. De Inspecteur heeft op 1 november 2022 jaarcijfers van [B.V. 1] ontvangen waarin onder meer de volgende balansposten zijn opgenomen (in €): Jaar Activa (incl. deelnemingen en groepsvorderingen) Eigen vermogen Resultaat Rekening-courant Groeps-schulden Overige schulden 2015 228.114 - 406.710 - 547.924 36.798 427.571 - 1.673 2016 11.495 - 660.444 - 253.734 12.798 465.215 - 2.202 2017 - 194.206 - 937.572 - 277.128 -11.202 537.238 - 2.798 2018 - 841.119 - 1.503.210 - 565.638 - 271.135 440.294 12.871 2.4.2. De Inspecteur heeft op 1 november 2022 voorts jaarcijfers van [B.V. 4] ontvangen waarin onder meer de volgende balansposten zijn opgenomen (in €): Jaar Activa Eigen vermogen Resultaat Saldo groeps-vorderingen / schulden Langlopende schulden Overige schulden 2015 1.172.552 682.408 - 205.621 482.262 439.361 10.783 2016 1.057.228 551.869 - 130.539 519.906 439.361 25.999 2017 915.013 450.550 - 101.319 566.929 439.361 102 2018 574.417 274.012 - 176.538 440.294 239.361 61.044 2.4.3. De Inspecteur heeft op 1 november 2022 voorts jaarcijfers van [B.V. 3] ontvangen waarin onder meer de volgende balansposten zijn opgenomen (in €): Jaar Activa Eigen vermogen Resultaat Saldo groeps-vorderingen / schulden Overige schulden 2015 328.085 65.716 - 31.837 - 211.339 51.030 2016 328.446 58.608 - 7.108 - 223.834 46.004 2017 267.413 56.607 - 2.001 - 71.483 45.610 2018 63.108 - 113.225 - 169.832 - 146.201 30.132 2.4.4. De Inspecteur heeft geen jaarcijfers van [B.V. 2] ontvangen. 2.4.5. Het saldo van de liquide middelen van [B.V. 1] , [B.V. 4] en [B.V. 3] over de jaren 2017 en 2018 bedroeg volgens de vorenbedoelde jaarcijfers € 5.387 (jaar 2017) respectievelijk € 2.289 (jaar 2018) 2.5.1. Op […] 2019 zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] failliet verklaard. Op […] 2020 zijn [B.V. 4] en [B.V. 3] failliet verklaard. In de tussentijdse faillissementsverslagen van 17 mei 2023 van [B.V. 2] , [B.V. 4] en [B.V. 3] respectievelijk het eindverslag van 18 maart 2024 van [B.V. 1] staat onder meer het volgende opgenomen (in €): Opbrengst activa Preferente schulden Concurrente schulden [B.V. 1] 272,25 4.923,00 1.133,95 [B.V. 2] 11.149,48 25.338,44 35.232,92 [B.V. 3] 1.021,95 46.045,99 18.277,12 [B.V. 4] 9.559,24 Niet aanwezig 37.663,55 2.5.2. Belanghebbende heeft de vordering op [B.V. 1] uit hoofde van de onder 2.7 vermelde betalingen op 5 juli 2023 ingebracht in het faillissement. Deze vordering is niet opgenomen in het eindverslag van het faillissement van [B.V. 1] van 18 maart 2024. Geldstortingen en overeenkomsten 2.6. Belanghebbende was tot 1 augustus 2018 eigenaar van een pand aan de [adres] te [woonplaats] (het pand). Het pand werd verhuurd aan [B.V. 1] en de aan haar gelieerde vennootschappen. Belanghebbende heeft het pand verkocht voor € 392.500. De netto verkoopopbrengst van het pand van € 383.835,72 heeft belanghebbende op 3 augustus 2018 op zijn privébankrekening ontvangen. 2.7. Eveneens op 3 augustus 2018 heeft belanghebbende van zijn privébankrekening een bedrag van € 150.000 en een bedrag € 118.500 (derhalve in totaal € 268.500) naar de bankrekening van [B.V. 1] overgemaakt. [B.V. 1] heeft deze bedragen doorgestort naar [B.V. 4] . Vervolgens heeft [B.V. 4] op 7 augustus 2018 een bedrag van € 200.000 overgemaakt naar de bankrekening van [A] , de vader van belanghebbende (de vader). 2.8. Tot de gedingstukken behoort een rekening-courantovereenkomst tussen belanghebbende en [B.V. 1] met als datum van ondertekening 15 maart 1993. Verder behoort tot de gedingstukken een addendum behorende bij voormelde rekening-courant overeenkomst met als datum van ondertekening 30 juni 2013. In deze stukken is onder meer het volgende opgenomen: de looptijd van de overeenkomst is onbeperkt; er wordt op basis van het tarief “wettelijke rente” rente berekend over de stand van de rekening-courant (indien die meer dan € 10.000 bedraagt); op eerste verzoek zal een aflossingsschema worden vastgelegd; als zekerheden door [B.V. 1] zijn gesteld de aandelen in [B.V. 4] en de door [B.V. 4] gehouden eigendom voor zover hier geen rechten door de bankier van [B.V. 4] aan kunnen worden ontleend, alsmede alle bedrijfsmiddelen en machines in het bezit van [B.V. 1] , waartoe op eerste verzoek een pandakte op de goederenvoorraad van [B.V. 4] in de daartoe bestemde registers wordt ingeschreven en zekerheid op alle bedrijfsmiddelen en machines van [B.V.
Volledig
1] wordt beschreven en in de daartoe bestemde registers wordt ingeschreven; het bedrag in rekening-courant is onmiddellijk opeisbaar in geval van aanvragen tot surseance van betaling of faillissement en ingeval van executoriaal beslag. 2.9. Tot de gedingstukken behoort een leningsovereenkomst tussen [B.V. 5] , [B.V. 4] , belanghebbende en zijn partner [B] , met als datum van ondertekening 29 oktober 2018. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen: [B.V. 5] leent met ingang van 29 oktober 2018 € 50.000 aan [B.V. 4] , met de mogelijkheid van verstrekking van aanvullende leningen; belanghebbende en [B] zijn als medeschuldenaren hoofdelijk verbonden tot voldoening van de schuld; de looptijd van de overeenkomst bedraagt 36 maanden; de rente bedraagt 6% per jaar; de aflossing geschiedt uiterlijk aan het eind van de looptijd van de overeenkomst; [B.V. 4] verplicht zich tot het vestigen van een (eerste) pandrecht op al haar bedrijfs- en handelsvoorraden ten gunste van [B.V. 5] ; een positieve verklaring inhoudende dat de schuldenaren ( [B.V. 5] , belanghebbende en [B] ) zich ertoe verbinden op eerste verzoek aanvullende zekerheid verstrekken; een negatieve verklaring inhoudende dat de schuldenaren zich ertoe verbinden geen zakelijke, persoonlijke of andere zekerheiden verstrekken voor de voldoening van enige schuld van henzelf of van derden, tenzij [B.V. 5] daarvoor diens voorafgaande schriftelijke goedkeuring heeft verleend en aan haar zekerheid is of wordt verstrekt die ten minste gelijkwaardig is. 2.10. Enig aandeelhouder van [B.V. 5] is [B.V. 6] . Enig aandeelhouder van [B.V. 6] is [C] . [C] is tevens firmant in v.o.f. […] (de vof). De vof handelt ook onder de naam […] . De vof verzorgt de financiële administratie van belanghebbende en de aan hem gelieerde vennootschappen. Aanslagregeling 2.11. Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 aangifte IB/PVV gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.426 negatief, waarin een negatief resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen is begrepen van € 41.895. Belanghebbende heeft daarbij in verband met het faillissement van [B.V. 1] een bedrag van € 271.135 (€ 268.500 (zie 2.7) + bijgeschreven rente) als afwaardering van een vordering op [B.V. 1] in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft de afwaardering niet geaccepteerd en heeft het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 217.488. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “ Kwalificatie rekening-courant vordering 20. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de rekening-courant overeenkomst een bodemloze put lening, dan wel een schijnlening of een deelnemingslening vormt en dat alsdan geen sprake is van een lening, maar van een (informeel) kapitaalverstrekking. 21. Vast staat dat eiser op 3 augustus 2018 in totaal € 265.000 aan [B.V. 1] heeft overgemaakt en dat het saldo van de rekening-courant op 31 december 2018 € 271.135 bedraagt. Tussen partijen is niet in geschil dat de rekening-courant overeenkomst tussen eiser en [B.V. 1] civielrechtelijk als een rekening courant overeenkomst dient te worden aangemerkt. De geldverstrekking in rekening-courant van in totaal € 271.135 is dus civielrechtelijk een lening. 22. Het fiscaal kwalificeren van een lening als een kapitaalverstrekking is in beginsel niet mogelijk. Dit is alleen anders als sprake is van een bodemloze putlening, een schijnlening of een deelnemerschapslening.[1] Van een bodemloze putlening is sprake als ten tijde van het verstrekken van de lening al duidelijk is dat terugbetaling niet mogelijk is. Van een schijnlening is sprake als partijen een geldverstrekking als lening presenteren, maar in werkelijkheid de bedoeling hadden een kapitaalverstrekking tot stand te brengen. Een deelnemerschapslening is een lening die onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar. 23. Verweerder, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het verstrekken van de lening reeds duidelijk was dat die niet zou kunnen worden terugbetaald. Ook heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat eiser en [B.V. 1] , in weerwil van de rekening-courant overeenkomst en het addendum, in werkelijkheid de bedoeling hadden een kapitaalverstrekking tot stand te brengen. Hetgeen verweerder op dit punt heeft aangevoerd, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Van een bodemloze putlening of een schijnlening is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. 24. Verweerder heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een deelnemerschapslening. Aan de voorwaarde dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar is slechts voldaan, indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie.[2] In artikel 4 van het addendum wordt de rente gekoppeld aan de wettelijke rente. Uit niets blijkt dat die op enigerlei wijze afhankelijk was van de resultaten van [B.V. 1] . Van een deelnemerschapslening is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. 25. Gelet op het vorenstaande dient de geldverstrekking van eiser in rekening-courant van in totaal € 271.135 fiscaal als lening te worden gekwalificeerd. Dit brengt mee dat van een kapitaalverstrekking geen sprake is. Het primaire standpunt van verweerder faalt dan ook. Onzakelijke lening? 26. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van een onzakelijke lening, waardoor een afwaardering van de rekening-courant vordering op [B.V. 1] niet kan plaatsvinden. 27. Een afwaardering van een (rekening-courant) vordering wordt niet in aanmerking genomen indien sprake is van een onzakelijke lening. Van een onzakelijke lening is sprake, wanneer een aandeelhouder van een vennootschap aan die vennootschap een geldlening verstrekt en daarbij een debiteurenrisico aanvaardt dat een onafhankelijke derde, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente. Ingeval geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, zonder dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening daardoor winstdelend zou worden, moet ervan worden uitgegaan dat de crediteur dit risico heeft aanvaard met de bedoeling zijn belang als aandeelhouder te dienen. De vraag of sprake is van een onzakelijke lening dient beoordeeld te worden naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden.[3] De bewijslast met betrekking tot de onzakelijkheid van de lening rust op verweerder. 28. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de rekening-courant vordering sprake is van een onzakelijke lening. Daarbij acht de rechtbank van belang dat volgens de door eiser verstrekte geconsolideerde jaarcijfers van [B.V. 1] over de jaren 2015 tot en met 2017 structurele verliezen zijn geleden van respectievelijk € 547.924, € 253.734 en € 277.128 en dat over die jaren tevens sprake is geweest van een negatief eigen vermogen van respectievelijk € 406.710, € 660.444 en € 937.752. De financiële positie van [B.V. 1] was dan ook op het moment dat eiser op 3 augustus 2018 € 265.000 aan [B.V. 1] verstrekte slecht. Nu eiser geen businessplan of een financieel verbeterplan heeft ingebracht, acht de rechtbank het niet aannemelijk, dat er reële vooruitzichten waren dat [B.V. 1] op termijn substantiële omzet en positieve resultaten zou behalen. Eiser heeft ook geen enkele vorm van zekerheid bedongen.
Volledig
Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank geen rente worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden. Eiser heeft dan ook bij de geldverstrekking op 3 augustus 2018 een debiteurenrisico gelopen die een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen en heeft hiermee onzakelijk gehandeld. Alsdan moet ervan worden uitgegaan dat eiser dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van [B.V. 1] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder te dienen en dat de lening onzakelijk is. 29. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. De stelling van eiser dat [B.V. 4] in 2018 over een positief eigen vermogen van € 274.012 beschikte en dat dit onder andere de basis is geweest voor de geldverstrekking van € 265.000 acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Uit de door eiser verstrekte jaarcijfers van [B.V. 4] komt naar voren dat ook bij [B.V. 4] in de jaren 2015 tot en met 2017 sprake is geweest van structurele verliezen (€ 205.423, € 130.539 en € 101.319). Daarnaast kan aan het positieve eigen vermogen van [B.V. 4] , gelet op de cijfers van het faillissementsverslag van [B.V. 4] en de stelling van verweerder dat een substantieel deel van de activa van [B.V. 4] kennelijk betrekking heeft op waardeloze groepsvorderingen, geen waarde worden toegekend. 30. Ook de stelling van eiser dat er diverse maatregelen met betrekking tot de financiële positie van [B.V. 1] waren getroffen, zoals de reductie van personeel, de verkoop van het pand om huurkosten te drukken, het huren van een bescheiden kantoorruimte, het huren van een productieruimte en het verkopen van nieuwe unieke concepten in de branche (“de […] ” en een ontwerpmodule voor trouwringen), faalt. Eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de onderneming van [B.V. 1] in de ogen van een willekeurige derde, in weerwil van bovengenoemde cijfers en de overige omstandigheden van het geval, per 3 augustus 2018 nog voldoende levensvatbaar zou zijn. Dat eiser er op dat moment nog vertrouwen in had en er positieve reacties waren op de nieuwe concepten maakt dit niet anders. 31. De stelling van eiser dat [B.V. 5] in oktober 2018 bereid was om een lening aan [B.V. 4] te verstrekken, faalt eveneens, aangezien deze lening niet onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden is verstrekt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het een lening aan [B.V. 4] betreft en niet aan [B.V. 1] . Daarnaast zijn eiser en zijn partner tevens als hoofdelijke mede-schuldenaren aangemerkt. Dit betekent dat [B.V. 5] de vordering ook op het privévermogen van eiser en zijn partner kan verhalen. [B.V. 5] heeft dus meer zekerheden bedongen dan eiser jegens [B.V. 1] . Aldus is deze lening niet onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden verstrekt. De stelling van verweerder dat [B.V. 5] niet als willekeurige derde kan worden aangemerkt, behoeft, gelet op het vorenstaande, geen behandeling meer. 32. Ook de door eiser gegeven oorzaak van het faillissement - de gijzeling van de machines door zijn broer en het ontbreken van de mogelijkheid om opdrachten van afnemers te leveren - heeft niet tot gevolg dat de lening als zakelijk kwalificeert. 33. Het vorenstaande brengt mee dat sprake is van een onzakelijke lening en dat verweerder terecht de afwaardering van de rekening-courant vordering heeft geweigerd. 34. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. (…) [1] vgl. Hoge Raad 27 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3744 [2] vgl. Hoge Raad 11 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2453 [3] vgl. Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:2011:BN3442 ” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1.1. Partijen houdt in hoger beroep verdeeld of belanghebbende terecht een bedrag van € 271.135 (zie 2.11) ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden heeft gebracht. 4.1.2. Niet langer in geschil is of de Inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, aangezien belanghebbende die stelling ter zitting heeft ingetrokken. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag overeenkomstig de door hem ingediende aangifte. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Geldlening tussen belanghebbende en [B.V. 1] ? 5.1. De Inspecteur heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de geldverstrekking in rekening-courant op 3 augustus 2018 door belanghebbende aan [B.V. 1] in civielrechtelijke zin geen geldlening is, maar moet worden aangemerkt als een aflossing van een privéschuld van belanghebbende aan de vader en/of aan wijlen mevrouw [D] (de moeder). Subsidiair heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat voor zover civielrechtelijk sprake is van een lening, deze voor de toepassing van de belastingwet als een kapitaalverstrekking heeft te gelden omdat sprake is van een schijnlening dan wel van een zogenoemde bodemlozeputlening. 5.2. Het Hof zal eerst deze standpunten van de Inspecteur beoordelen alvorens wordt toegekomen aan de beoordeling van de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven. Bij gebreke van een geldlening wordt immers niet toegekomen aan beantwoording van de vraag of die geldlening – zoals belanghebbende bepleit – zakelijk is. 5.3. Volgens de Inspecteur betreffen de onder 2.7 vermelde betalingen de aflossing van een door de vader aan belanghebbende in privé verstrekte lening. De Inspecteur baseert zich hierbij op stukken in het procesdossier waaruit volgens hem blijkt dat de vader en de broer van belanghebbende ( [E] ; de broer) van mening zijn dat de vader in privé een lening aan belanghebbende heeft verstrekt en dat ook de aflossing van die lening uit privémiddelen van belanghebbende (namelijk uit de verkoopopbrengst van het pand) zou plaatsvinden. De Inspecteur wijst ter onderbouwing van zijn standpunt verder erop dat de voormalige adviseur en de voormalige gemachtigde van belanghebbende hebben verklaard dat geen leningsovereenkomst is opgesteld ter zake van de door belanghebbende aan [B.V. 1] verstrekte lening. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verduidelijkt dat hij het bestaan van de rekening-courant tussen belanghebbende en [B.V. 1] als zodanig niet betwist, maar dat hij daar wel een kanttekening bij plaatst. Dit brengt zijns inziens mee dat de gedane betaling niet in rekening-courant moet worden geboekt, maar een aflossing vormt van een privéschuld van belanghebbende aan zijn vader. De schuld dient daarom te worden aangemerkt als een schuld die in de rendementsgrondslag sparen en beleggen (box 3) valt, aldus nog steeds de Inspecteur. 5.4. Belanghebbende heeft het standpunt van de Inspecteur gemotiveerd betwist. Volgens belanghebbende hebben de vader en/of de moeder in het verleden in privé een lening verstrekt aan [B.V. 4] . De hoofdsom van deze lening bedroeg (afgerond) € 439.000 (hierna ook: de vordering op [B.V. 4] ). De vader heeft de vordering op [B.V. 4] in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 gedeeltelijk afgewaardeerd. In 2016 heeft de vader een deel van de vordering op [B.V. 4] opgeëist, waarna is afgesproken dat belanghebbende het pand zou verkopen en een deel van de verkoopopbrengst zou investeren in de onderneming(en) van de onderhavige BV’s. Het geïnvesteerde geld zou via [B.V. 1] onder meer worden gebruikt om [B.V. 4] te financieren, waarna een bedrag van € 200.000 op de met de vordering op [B.V. 4] verband houdende schuld zou worden afgelost. Dit een en ander is volgens belanghebbende geschied bij de onder 2.6 en 2.7 vermelde feiten en omstandigheden. 5.5. Het Hof oordeelt hierover als volgt. Gelet op (i) de geldstromen, zoals deze blijken uit de tot de gedingstukken behorende rekeningafschriften, (ii) de boekhoudkundige verwerking daarvan in de jaarstukken van [B.V. 1] in 2018 (zie onder 2.4.1, ‘rekening-courant’ in het jaar 2018), (iii) de boekhoudkundige verwerking van de met de vordering op [B.V.
Volledig
4] verband houdende schuld in de jaarstukken van [B.V. 4] (zie onder 2.4.2, ‘langlopende schulden’ in de jaren 2015 tot en met 2018), (iv) de inbreng door belanghebbende van de vordering in het faillissement van [B.V. 1] (zie onder 2.5.2), (v) een tot de gedingstukken behorend memo van [Accountantskantoor] van 14 september 2016 betreffende ‘de vordering van de vader’, waarin de vordering op [B.V. 4] is opgenomen in het structuurschema, (vi) een tot de gedingstukken behorend gespreksverslag van 25 september 2018 van een bespreking tussen onder meer belanghebbende, de vader en de broer, waarin de vordering op [B.V. 4] en de aflossing van € 200.000 uit de verkoopopbrengst van het pand onder de ‘besproken punten’ staan vermeld en (vii) hetgeen staat vermeld onder de ‘vorderingen’ respectievelijk ‘kortlopende schulden’ in de tot de gedingstukken behorende, door [Accountantskantoor] opgestelde fiscale rapporten ten behoeve van de vader (jaar 2014) en [B.V. 4] (jaren 2012 tot en met 2014), ziet het Hof onvoldoende grond om de Inspecteur te volgen in zijn primaire standpunt dat de door belanghebbende aan [B.V. 1] gedane betaling niet in rekening-courant moet worden geboekt omdat sprake zou zijn van een aflossing van een door de vader aan belanghebbende in privé verstrekte lening. Schijnlening? 5.6. De Inspecteur heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende verrichte rechtshandelingen moeten worden geherkwalificeerd in fiscaalrechtelijke zin (HR 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3171, en HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442). De Inspecteur meent in de eerste plaats dat de onder 2.7 bedoelde stortingen op de bankrekening van [B.V. 1] moeten worden aangemerkt als een schijnlening. Hij heeft daartoe gesteld dat partijen niet de intentie hadden om een geldlening te verstrekken. 5.7. Bij de behandeling van dit geschilpunt stelt het Hof voorop dat in het belastingrecht als regel niet beslissend is de schijn of de naam waarmee een transactie wordt uitgedost en de vorm waarin zij wordt gegoten, doch dat het aankomt op wat in werkelijkheid tussen partijen is overeengekomen, dus op de verhoudingen die naar burgerlijk recht beoordeeld in werkelijkheid tussen partijen bestaan (zie onder meer HR 3 november 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY3410). Meer in het bijzonder geldt dat indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen, voor fiscale doeleinden het werkelijke oogmerk prevaleert (zie onder meer HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, r.o. 3.3.1). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat een partij die zich beroept op een discrepantie tussen de naam of vorm van een transactie en hetgeen in werkelijkheid is overeengekomen, die discrepantie in geval van betwisting aannemelijk moet maken. Daarbij kunnen de werkelijke bedoelingen van de bij de overeenkomst betrokken partijen mede worden afgeleid uit de naar buiten blijkende omstandigheden van het geval (vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7317, r.o. 3.5 en 3.8). 5.8. In dit geval is de Inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De Inspecteur heeft in de eerste plaats verwezen naar de (kennelijke) interpretatie van de broer van de gemaakte afspraken rondom de aflossing van de vordering op [B.V. 4] , namelijk dat de gehele verkoopopbrengst van het pand zou worden overgemaakt aan de ouders van belanghebbende. Volgens de Inspecteur blijkt hieruit dat een privébelang, namelijk de aflossing van een privéschuld, doorslaggevend is geweest voor de onderhavige betalingen. Uit het hiervoor in 5.5 overwogene volgt echter dat, anders dan de Inspecteur kennelijk veronderstelt, de gedane betalingen geen aflossing vormen van een door de vader aan belanghebbende in privé verstrekte lening, maar een aflossing van de met de vordering op [B.V. 4] verband houdende schuld, zodat het standpunt van de Inspecteur in zoverre faalt. Evenmin kan, anders dan de Inspecteur veronderstelt, belang worden toegekend aan het feit dat zowel de voormalige adviseur als de voormalige gemachtigde van belanghebbende hebben verklaard dat ten tijde van de betalingen aan [B.V. 1] geen leningovereenkomst is opgemaakt. Civielrechtelijk is de overeenkomst van geldlening vormvrij. Belanghebbende kon derhalve mondeling met [B.V. 1] overeenkomen dat hij de gelden ten titel van geldlening zou verstrekken in rekening-courant. De hiervoor in 5.5 opgesomde omstandigheden bevestigen dat dat inderdaad is gebeurd. In hetgeen de Inspecteur naar voren heeft gebracht ziet het Hof onvoldoende grond voor het oordeel dat belanghebbende en [B.V. 1] in wezen zouden hebben beoogd kapitaal te verstrekken (dus geen schijnlening). Bodemlozeputlening? 5.9. Voor zover de geldverstrekking aan [B.V. 1] niet kan worden aangemerkt als een schijnlening, heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een bodemlozeputlening. 5.10. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, r.o. 3.3.1) lijdt de regel dat in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend is voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een aandeelhouder aan zijn BV voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, onder meer uitzondering in het geval waarin – kort gezegd – de geldlening is verstrekt onder zodanige omstandigheden dat aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar de uitlener reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald (bodemlozeputlening). 5.11. Ook hiervoor geldt dat de bewijslast ter zake van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de geldverstrekking een bodemlozeputlening vormt, op de Inspecteur rust, die zich op die afwijking van de civielrechtelijke vorm heeft beroepen. Hij heeft aangevoerd dat op voorhand reeds duidelijk was dat de aflossing van de lening niet betaald zou kunnen worden uit de kasstroom van de onderneming(en) (van de BV’s). De Inspecteur heeft met name erop gewezen dat uit de onder 2.4 opgenomen jaarcijfers blijkt dat de ondernemingen al jaren verlieslatend waren, alsmede dat de (gedeeltelijke) inbreng van de verkoopopbrengst van het pand nauwelijks heeft bijgedragen aan de verbetering van de liquiditeitspositie van de ondernemingen omdat deze – gelet op de kort daarop volgende gedeeltelijke aflossing van de schuld van [B.V. 4] aan de vader (€ 200.000) – met name is aangewend voor schuldvervanging. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende onvoldoende onderbouwd dat [B.V. 1] begin augustus 2018 nog levensvatbaar was. 5.12. Belanghebbende heeft daartegenover gewezen op in augustus 2018 voorgenomen reorganisatiemaatregelen (onder meer: de reductie van personeel, de verkoop van het pand en het huren van een bescheiden kantoor- en productieruimte om huurkosten te drukken) en voorgenomen nieuwe concepten (te weten: ‘de […] ’ en ‘ […] ’, een ontwerpmodule voor trouwringen). Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat na de geldverstrekking aan [B.V. 1] de broer in september 2018 geheel onverwacht de voor de uitoefening van de onderneming(en) benodigde machines onder zich heeft gehouden, hetgeen heeft geleid tot een kort geding in december 2018, alsmede tot de faillissementen van de BV’s, omdat opdrachten niet langer konden worden nagekomen en klanten het vertrouwen hebben opgezegd. 5.13. Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van de geldverstrekkingen aan [B.V. 1] (3 augustus 2018) voorzienbaar was dat de voortzetting van de activiteiten zouden worden verstoord door de broer van belanghebbende. Het Hof acht wel aannemelijk dat het faillissement van de BV’s mede is veroorzaakt doordat niet langer gebruik kon worden gemaakt van de machines, zodat op het moment van de geldverstrekkingen niet reeds op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat het uitgeleende bedrag van € 268.500 niet volledig door [B.V.
Volledig
1] zou kunnen worden terugbetaald en dat bedrag reeds op dat moment geheel of ten dele het vermogen van belanghebbende definitief had verlaten. De stelling van de Inspecteur dat aanstonds te verwachten was dat de lening nimmer zou worden terugbetaald, faalt dan ook (dus geen bodemlozeputlening). Onzakelijke geldlening? 5.14. Vast staat dat belanghebbende op 3 augustus 2018 een bedrag van in totaal € 268.500 aan [B.V. 1] heeft overgemaakt, dat hij dit bedrag in de rekening-courant met [B.V. 1] heeft geboekt en dat het saldo van de rekening-courant door oprenting van de vordering in rekening-courant op 31 december 2018 € 271.135 bedraagt (de geldlening). Gelet op het hiervoor onder 5.1 tot en met 5.13 overwogene dient de geldlening naar burgerlijk en fiscaal recht als geldlening te worden aangemerkt. Het Hof duidt dit aldus dat die geldlening is verstrekt op 3 augustus 2018 en de daaruit voortvloeiende geldvordering vervolgens in de rekening-courant is opgenomen (vgl. artikel 6:140, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek). Volgens het meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur, dat de Rechtbank heeft gevolgd, vormt de geldverstrekking op 3 augustus 2018 een onzakelijke lening, zodat het in 2.11 en 4.1.1 vermelde afwaarderingsverlies niet op het resultaat in mindering kan worden gebracht. Belanghebbende heeft in hoger beroep gemotiveerd bestreden dat de geldlening een onzakelijk karakter heeft. 5.15. Het Hof stelt bij de beoordeling van de juistheid van dat standpunt het volgende voorop. 5.15.1. Ingeval bij een geldlening tussen gelieerde partijen (in dit geval een directeur-grootaandeelhouder en zijn houdstervennootschap) de rente niet in overeenstemming met het ‘at arm’s length’ beginsel is vastgesteld, zal voor de fiscale winstberekening moeten worden uitgegaan van een rente die wel aan dit criterium voldoet. Daarbij zal – behoudens het rentepercentage – uitgegaan moeten worden van hetgeen partijen zijn overeengekomen (zoals met betrekking tot zekerheden en de looptijd van de lening). Met dat uitgangspunt strookt niet dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening in wezen winstdelend zou worden. Dan zou het karakter van hetgeen partijen zijn overeengekomen worden aangetast (zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952, r.o. 3.3, en HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, r.o. 3.3.2). 5.15.2. Indien met inachtneming van het hiervoor in 5.15.1 overwogene geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de schuldenaar, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de schuldeiser een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. Alsdan moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de schuldeiser dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de met hem gelieerde vennootschap in de hoedanigheid van (in dit geval) aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op het resultaat van de schuldeiser in mindering kan worden gebracht (zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, r.o. 3.3.3, en HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952, r.o. 3.3). 5.15.3. Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden (zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, r.o. 3.3.5). 5.15.4. Het bij een onzakelijke lening in de kapitaalsfeer liggende debiteurenrisico heeft in beginsel mede betrekking op het risico dat de rente over die lening niet wordt betaald. Derhalve valt ook het debiteurenrisico met betrekking tot verschuldigd gebleven rente op een onzakelijke lening in beginsel in de kapitaalsfeer (zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, r.o. 3.3.6). 5.15.5. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de Inspecteur – die zich op het bestaan van een onzakelijke lening heeft beroepen – aannemelijk maakt dat door belanghebbende een geldlening is verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:645, r.o. 2.3.2). 5.16. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. 5.16.1. Evenals de Rechtbank acht het Hof daarbij van belang dat volgens de geconsolideerde jaarcijfers van [B.V. 1] over de jaren 2015 tot en met 2017 structurele verliezen zijn geleden van respectievelijk € 547.924, € 253.734 en € 277.128 en dat over die jaren tevens sprake is geweest van een negatief eigen vermogen van respectievelijk € 406.710, € 660.444 en € 937.752. Op het moment van de geldverstrekking (3 augustus 2018) was de vermogenspositie van [B.V. 1] al geruime tijd negatief en haar financiële situatie zwak. Naar het oordeel van het Hof was sprake van een structurele verliessituatie. Belanghebbendes voorgenomen reorganisatieplannen doen aan die conclusie niet af. De door hem in dat kader in hoger beroep overgelegde berekeningen betreffende ‘ […] ’ en ‘de […] ’ werpen geen ander licht op de zaak omdat volstrekt onduidelijk is gebleven op welke wijze de inkoop (te weten: € 453.333 voor ‘ […] ’ respectievelijk € 154.412 voor de ‘ […] ’) die voor de door belanghebbende becijferde marges was benodigd, zou worden gefinancierd. De Inspecteur heeft terecht gewezen op de omstandigheid dat de geldverstrekking van € 265.000 met name is aangewend voor de aflossing van de schuld aan de vader in verband met de vordering op [B.V. 4] (€ 200.000), alsmede op het (zeer) geringe saldo van de liquide middelen van € 5.387 (jaar 2017) respectievelijk € 2.289 (jaar 2018). 5.16.2. Daarbij komt dat de in (het addendum bij) de rekening-courantovereenkomst opgenomen zekerheden geen hier in aanmerking te nemen zekerheid vormen, aangezien in de eerste plaats – wat betreft de aandelen in [B.V. 4] en de door [B.V. 4] gehouden bezittingen - ook bij [B.V. 4] sprake is geweest van structurele verliezen (zie 2.4.2). Uit de gedingstukken blijkt dat – zoals belanghebbende ook ter zitting heeft bevestigd – de vader de vordering op [B.V. 4] in 2014 heeft afgewaardeerd tot € 285.584. Naar het oordeel van het Hof kan voorts aan het positieve eigen vermogen van [B.V. 4] , gelet op de cijfers van het tussentijdse faillissementsverslag van [B.V. 4] en de onweersproken stelling van de Inspecteur dat een substantieel deel van de activa van [B.V. 4] kennelijk betrekking heeft op waardeloze groepsvorderingen, geen waarde worden toegekend. De stelling van belanghebbende dat de curator bij de verkoop van de ondernemingen ernstig steken heeft laten vallen, kan daaraan niet afdoen omdat die stelling verder niet nader is onderbouwd. Voor het overige is gesteld noch gebleken dat door belanghebbende zekerheden zijn bedongen. 5.16.3. Voor zover belanghebbende onder verwijzing naar de onder 2.9 vermelde leningovereenkomst heeft aangevoerd dat een willekeurige derde bereid is geweest eenzelfde lening als de onderhavige geldlening te verstrekken, faalt dat standpunt. De op 29 oktober 2018 door [B.V. 5] aan [B.V. 4] verstrekte lening betreft in de eerste plaats een lening aan een andere (hoofd)schuldenaar en bovendien zijn belanghebbende en zijn partner als hoofdelijk medeschuldenaren aangemerkt. Deze lening is derhalve niet onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden verstrekt, hetgeen door [C] ter zitting ook is bevestigd met zijn toelichting dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van belanghebbende en zijn partner voor de schuld niet voor niets was bedongen. 5.17. Gelet op voornoemde omstandigheden heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het verstrekken van de gelden aan [B.V. 1] het risico daarvan zodanig hoog was dat geen (niet winstafhankelijke) rente kon worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan [B.V.