Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-20
ECLI:NL:GHDHA:2026:32
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.353.947/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11398490 VZ VERZ 24-9553 Beschikking van 20 januari 2026 in de zaak van [verzoekster] , wonend in [woonplaats] , verzoekster, advocaat: mr. N.D. van der Valk, kantoorhoudend in Utrecht, tegen Stichting Beheer De Nieuwe Nachtegaal , gevestigd in Rotterdam, verweerster, advocaat: mr. A.C.M. Verhoeven, kantoorhoudend in Rotterdam. Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en de Stichting. 1 De zaak in het kort Werkneemster was werkzaam voor een stichting die maatschappelijke zorg verleent aan bewoners van de wijk oud-Charlois in Rotterdam. Tussen het bestuur van die stichting en werkneemster ontstond frictie omdat werkneemster het niet eens was met de koers van het bestuur en met het gegeven dat het bestuur een professionaliseringslag in het personeelsbeleid wilde aanbrengen. Zij heeft vervolgens tijdens haar dienstverband een stichting opgericht die zich op vergelijkbare activiteiten richtte voor dezelfde doelgroep als die van haar werkgever. De werkneemster heeft de werkgever daarvan niet in kennis gesteld. Ook heeft zij, nadat het bestuur haar had laten weten dat zij een ontbindingsverzoek zou gaan indienen, het account bij de provider met daarin het e-mailadressenbestand van de doelgroep van haar werkgever beëindigd, met als gevolg dat alle e-mailadressen verloren zijn gegaan. Het hof acht dit alles ernstig verwijtbaar. Omgekeerd acht het hof – anders dan werkneemster heeft gesteld – het handelen de werkgever niet ernstig verwijtbaar. De arbeidsovereenkomst mocht worden ontbonden en de werkgever is geen billijke vergoeding en ook geen transitievergoeding verschuldigd. De werkneemster wenste ook nog betaling van achterstallig loon, omdat volgens haar sprake is geweest van een urenuitbreiding maar zij niet betaald is overeenkomstig die urenuitbreiding. Het hof oordeelt dat niet gebleken is dat partijen over die uitbreiding van uren al overeenstemming hadden bereikt. Dat verzoek wordt daarom ook afgewezen. 2 Procesverloop in hoger beroep Bij beroepschrift van 22 april 2025 is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2025. De Stichting heeft een verweerschrift ingediend dat het hof op 14 augustus 2025 heeft ontvangen. Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 5 september 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Het hof zal van die feiten uitgaan en de feiten daarnaast aanvullen. 3.2 De Stichting is een vrijwilligersorganisatie. Zij heeft als doel het beheren van het zogenaamde “Huis van de Wijk de Nieuwe Nachtegaal” (hierna: Huis van de Wijk). Het Huis van de Wijk is gelegen in de Rotterdamse wijk Oud-Charlois en fungeert als woon-, werk-, leer- , zorg- en ontmoetingscentrum voor bewoners van de wijk oud-Charlois. Er worden activiteiten voor de wijk georganiseerd en mensen kunnen er terecht voor maatschappelijke zorg en ondersteuning. De Stichting heeft twee betaalde functies, die van sociaal coördinator en een functie in de keuken. De sociaal coördinator is belast met het uitvoeren van de dagelijkse beheers- en exploitatiezaken. 3.3 Op 1 april 2015 is [verzoekster] in dienst getreden bij de Stichting als sociaal coördinator. Zij werkte 24 uur per week voor de Stichting tegen een salaris van € 3.806,40 bruto per maand. Daarvoor (sinds 5 maart 2013) was zij via detachering werkzaam voor de Stichting in dezelfde functie. 3.4 Per 1 februari 2021 is een nieuw bestuur aangetreden. De leden van het nieuwe bestuur, waaronder [naam 1] , zijn door [verzoekster] aangedragen. 3.5 In haar tijd als bestuurder heeft [naam 1] het project “de hulpdesk” (hierna: de Hulpdesk) opgestart. Met de Hulp [verzoekster] vormt samen met [naam 1] het bestuur van Casa C, waarbij [verzoekster] voorzitter is en [naam 1] penningmeester. Als activiteiten van Casa C staan in het uittreksel van het handelsregister vermeld: “Het algemeen belang dienen door het bevorderen van onderlinge contacten en goede verhoudingen tussen bewoners van de buurt, het onderling verbinden van mensen, het bevorderen van solidariteit en empathie, het bieden van hulp en ondersteuning door middel van het initiëren, organiseren, doen organiseren, mede organiseren, begeleiden, ondersteunen en coördineren van bijeenkomsten”. Casa C heeft bij de gemeente Rotterdam subsidie aangevraagd voor het project “buurthap”: een betaalbare maaltijd voor bewoners van Charlois. De Stichting kent een vergelijkbaar project voor dezelfde doelgroep. Ook heeft Casa C het Hulpdesk project voortgezet. [verzoekster] heeft de Stichting niet ingelicht over het oprichten van Casa C, de buurthap en het plan om de Hulpdesk in die stichting voort te zetten. 3.10 Op 11 november 2024 heeft de Stichting in een gesprek [verzoekster] laten weten dat zij de arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen en dat zij daarvoor bij de kantonrechter een ontbindingsverzoek zal indienen. [verzoekster] heeft zich daarop ziek gemeld. Na haar ziekmelding heeft [verzoekster] het wachtwoord dat toegang biedt tot het computersysteem van de Stichting gewijzigd. Verschillende accounts (e-mailadressen, agenda etc.) waar de Stichting mee werkte en waar de (privé)creditcard van [verzoekster] aan gekoppeld was, heeft zij beëindigd. De Stichting heeft [verzoekster] verzocht om de laptop die zij tot haar beschikking had gekregen terug te geven. Aan dat verzoek heeft zij aanvankelijk niet voldaan. Ook het nieuwe wachtwoord heeft zij aanvankelijk niet gedeeld. 3.11 Bij brief van 26 november 2024 heeft de advocaat van de Stichting aan [verzoekster] laten weten dat zij op non-actief wordt gesteld in afwachting van de uitspraak van de kantonrechter. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 De Stichting heeft de kantonrechter - na aanvulling van haar verzoek - verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden, primair omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), meer subsidiair omdat sprake is van andere omstandigheden (h-grond) en uiterst subsidiair omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden (i-grond), waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan. 4.2 [verzoekster] was het niet eens met het verzoek van de Stichting. Zij heeft zelf primair verzocht voor recht te verklaren dat het overeengekomen loon met ingang van januari 2024 € 5.075,20 bruto (inclusief 8% vakantiegeld) per maand bedraagt bij een arbeidsomvang van 32 uur/4 dagen per week en de Stichting te veroordelen om aan haar € 15.225,60 bruto aan achterstallig loon met de wettelijke verhoging te betalen. 4.3 [verzoekster] heeft daarnaast verzocht om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter de Stichting te veroordelen tot het betalen van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. In geval van ontbinding op de i-grond heeft [verzoekster] verzocht om een extra vergoeding. 4.4 De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst per 21 januari 2025 ontbonden en [verzoekster] in de proceskosten veroordeeld. Volgens de kantonrechter was sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verzoekster] . De verzoeken van [verzoekster] zijn alle afgewezen. 5 Verzoek in hoger beroep 5.1 [verzoekster] verzoekt – zakelijk weergegeven – de beschikking te vernietigen. Zij verzoekt het hof: I te bepalen dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte op de e-grond heeft ontbonden en dat de arbeidsovereenkomst ook niet op de g-, h- of i-grond ontbonden had kunnen worden; II aan [verzoekster] een billijke vergoeding van € 91.353,60 bruto toe te kennen; III aan [verzoekster] een transitievergoeding van € 20.271,06 bruto t Omdat de Stichting er toch geen belangstelling meer voor had, zit Casa C ook niet in het vaarwater van de Stichting, aldus [verzoekster] . Ter zitting heeft [verzoekster] zich verder op het standpunt gesteld dat zij geen bezwaar zag in het overleg met de gemeente over het pand, nu die gesprekken er alleen op gericht waren om de mogelijkheden te verkennen voor het geval de Stichting het pand niet zou afnemen. 6.7 Dit maakt het oordeel van het hof niet anders. De Stichting heeft verwezen naar de e-mailcorrespondentie met [naam 1] van maart 2024 (zie hiervoor onder 3.6 en volgende). Zij heeft onweersproken toegelicht dat het project zeker haar belangstelling had, maar dat het nog te veel haken en ogen had om het project ook na de pilotfase structureel vorm te kunnen geven, en dat verder uitgewerkt moest worden hoe het project alsnog kon worden doorgezet. Dit standpunt is ook met zoveel woorden gecommuniceerd aan [naam 1] , zo blijkt uit de mailwisseling, en [verzoekster] heeft bevestigd dat zij deze mailwisseling kent. Daarnaast heeft de Stichting onweersproken gesteld dat ieder gesprek over het vervolg van het Hulpdesk project door [verzoekster] en [naam 1] uit de weg is gegaan. [verzoekster] gaf er met beide punten (de oprichting van Casa C en de gesprekken met de gemeente over het tweede pand) blijk van niet primair de belangen van haar werkgever te dienen maar juist de belangen van de inmiddels mede door haar nieuw opgerichte stichting waarvan zij voorzitter was geworden, die ook nog eens tegen de belangen van haar werkgever in gingen. Met dit handelen komt de bestaanszekerheid van de Stichting onder druk te staan. Dat in de arbeidsovereenkomst tussen de Stichting en [verzoekster] geen non-concurrentiebeding is opgenomen acht het hof niet relevant. Dit handelen van [verzoekster] raakt de Stichting immers in de kern van haar bestaan en het had zonder meer duidelijk voor [verzoekster] moeten zijn dat zij hiermee het belang van de Stichting schaadde. 6.8 [verzoekster] heeft verder betoogd dat Casa C zich vooral richt op het ondersteunen van bewoners bij het op orde brengen van financiën, terwijl de Stichting een veel bredere doelstelling heeft. Casa C zit dus niet in het vaarwater van de Stichting, aldus [verzoekster] . Die accentverschillen acht het hof van ondergeschikt belang. Niet in geschil is immers dat [verzoekster] de Hulpdesk bij Casa C wilde onderbrengen, terwijl dit project aanvankelijk (door [naam 1] ) vanuit de Stichting is opgezet, de Stichting [naam 1] vervolgens heeft ingehuurd om dit project te leiden en de Stichting op enig moment weliswaar had besloten het project op pauze te zetten, maar niet stop te zetten. Bovendien staat vast dat de Stichting ook het project “buurthap” kent en Casa C een vergelijkbaar project wilde gaan opstarten. Anders dan [verzoekster] betoogt, is dus wel degelijk sprake van een fundamentele overlap tussen beide stichtingen. Daarnaast geldt dat overleg met de gemeente vanuit Casa C over het door de Stichting te betrekken pand des te ongepaster is nu, zoals hierna zal blijken, [verzoekster] en de Stichting in overleg waren over een uitbreiding van het aantal uren. Die urenuitbreiding was er juist voor bedoeld dat [verzoekster] zich ten behoeve van het tweede pand zou kunnen inzetten. 6.9 Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om met de Stichting in overleg te treden over haar wens de Hulpdesk direct opvolging te geven en dat zij met dat doel samen met [naam 1] Casa C wenste op te richten, dan wel had opgericht. Door buiten de Stichting om mee te werken aan een nieuwe stichting en daar een van de projecten van de Stichting in onder te brengen, zonder daarover open kaart te spelen en daarover in overleg te treden, heeft zij de belangen van de Stichting op geen enkele manier in ogenschouw genomen. Dat geldt ook voor het overleg met de gemeente over het pand. Ook daarover had zij met de Stichting moeten overleggen. Zij heeft er juist voor gekozen de Stichting niet te informeren over Cas Geen ernstig verwijtbaar handelen van de Stichting, geen billijke vergoeding (grond 6) 6.17 De door [verzoekster] uit hoofde van art. 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW verzochte billijke vergoeding is evenmin toewijsbaar. Daartoe overweegt het hof het volgende. 6.18 Ingevolge art. 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW kan de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat van ernstig handelen of nalaten van de werkgever in de zin van deze bepaling alleen in uitzonderlijke gevallen sprake is. 6.19 [verzoekster] heeft in dit verband betoogd dat de Stichting haar verplichtingen als goed werkgever ernstig heeft geschonden. Zij heeft zich niet gesteund gevoeld door het bestuur en daarom heeft zij een coachingstraject voorgesteld, dat inhield dat zij en het bestuur zouden worden begeleid met als doel om de samenwerking te verbeteren. Dit traject is gestopt door de Stichting. De Stichting heeft vervolgens direct aangestuurd op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 6.20 Het hof is van oordeel dat dit alles onvoldoende is om te kunnen concluderen dat de Stichting ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de vele e-mails en gespreksverslagen komt naar voren dat [verzoekster] moeite had met de manier waarop het bestuur invulling gaf aan zijn rol en dat zij er moeite mee had dat het bestuur een zekere hiërarchie wenste aan te brengen in de verschillende rollen van enerzijds het bestuur als werkgever en anderzijds [verzoekster] als werknemer. Ook volgt uit die e-mails dat de Stichting en [verzoekster] op een verschillende manier naar ieders rol keken. Uit de stukken volgt verder dat zowel het bestuur van de Stichting als [verzoekster] de samenwerking als moeizaam bestempelden. Het hof verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar het gespreksverslag van het gesprek tussen [verzoekster] en het bestuur van de Stichting van 15 juli 2024 (bijlage 13 bij het verzoekschrift in eerste aanleg), waarin onder meer en voor zover hier van belang staat: “ zoals per mail aangekondigd (…) wil het bestuur in gesprek met [verzoekster] om de ontstane frictie weg te nemen. De agenda is als volgt (…) Een groot struikelblok voor haar [hof: [verzoekster] ] is de wens van het bestuur om haar te laten werken vanuit een functieprofiel. Dat de voorzitter haar uitnodigde voor een functioneringsgesprek versterkt haar beleving dat dit bedoeld is om haar tegen te werken. Ze benadrukt daarbij dat ze al jaren zonder functieprofiel heeft gewerkt. In haar ogen is een functieprofiel dan ook niet nodig. Opnieuw benadrukt het bestuur dat het verleden en haar verdienste daarin voor De Nieuwe Nachtegaal niet ter discussie staan, maar dat het gaat om een toekomst waarin vermoedelijk vanuit 2 locaties zal worden gewerkt en dus een andere verdeling van inzet nodig is. (…) [verzoekster] stelt dat het bestuur te weinig toevoegt aan de Nieuwe Nachtegaal. Om die reden kan van een herbenoeming in 2025 van de leden geen sprake zijn. Ze hecht eraan te benoemen dat [naam voormalig penningmeester] z’n rol als bestuurslid al ter beschikking heeft gesteld, maar dat dit nog niet zwart-op-wit is gesteld. Die bevestiging wil ze schriftelijk ontvangen. Het bestuur deelt haar interpretatie van rollen en verantwoordelijkheden niet en stelt eindverantwoordelijk te zijn en daarnaar te handelen. Ook stelt het bestuur dat benoemingen van bestuursleden behoren tot het mandaat van het bestuur. Tot een gedeelde opvatting over de verantwoordelijkheden komt het niet. ” 6.21 Hieruit volgt dat het bestuur van de Stichting pogingen heeft gedaan om de moeizame verhouding vlot te trekken. Het hof deelt het standpunt van de Stichting dat het opstellen van een functieprofiel en het voeren van functioneringsgesprekken een volstrekt legitieme wens is van het bestuur en behoort tot de rol van het bestuur