Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-15
ECLI:NL:GHDHA:2026:31
datum uitspraak 15 januari 2026 GERECHTSHOF DEN HAAG meervoudige raadkamer BESCHIKKING gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend door klager, genaamd: [naam klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres klager], hierna te noemen: klager, in deze zaak woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn advocaat mr. J.A. Schuttevaer, aan [kantooradres advocaat]. Procesgang In het opsporingsonderzoek tegen klager zijn op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) onder hem voorwerpen in beslag genomen die zijn vermeld op de beslaglijsten 09/852255-18, 09/837317-19A KBH en 09/837317-19B VbV. In de strafzaak tegen klager heeft dit hof onder rolnummer 22-003650-21 arrest gewezen op 1 oktober 2024. Tegen dit arrest (hierna ook: het eindarrest) is geen cassatieberoep ingesteld. In dit arrest heeft het hof beslissingen genomen over feiten die verdeeld waren over twee inleidende dagvaardingen, met de parketnummers 09-852255-18 (genoemd dagvaarding I) en 09-837317-19 (genoemd dagvaarding II). Voor zover hier van belang heeft het hof in het eindarrest, op gronden ontleend aan artikel 261 Sv, de inleidende dagvaarding partieel nietig verklaard, en wel ter zake van feit 1 van dagvaarding II, in welk feit aan klager (als verdachte) werd verweten dat hij zich schuldig had gemaakt aan, kort gezegd, gewoontewitwassen van auto-onderdelen. Het hof heeft in het eindarrest de volgende beslissingen genomen met betrekking tot het beslag. Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/852255-18 Deze beslaglijst vermeldt vijf items, voorzien van de volgnummers 2, 3, 6, 8 en 9. Voor nummer 2 geldt dat het hof in het eindarrest dienaangaande een last tot teruggave heeft gegeven zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder b, Sv (teruggave aan een met name genoemde derde). Bij de formulering van de aanstonds nog nader te bespreken last tot bewaring ingevolge artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv heeft het hof uitsluitend expliciet volgnummer 6 genoemd. Dit betekent dat er ten aanzien van de volgnummers 3, 8 en 9 in het eindarrest geen beslissing is genomen (laat staan een beslissing die het beslag heeft doen eindigen). Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/837317-19A KBH Met betrekking tot een van de op deze lijst voorkomende items, te weten een linnen tas met administratie, heeft het hof de teruggave aan de beslagene en dus aan klager (toen nog de verdachte) gelast. Op de beslaglijst heeft deze tas volgnummer 5. Met betrekking tot vijf andere items heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen. Het gaat om de nummers 8, 30, 40, 52 en 73 op de beslaglijst. Ten aanzien van alle overige voorwerpen op deze beslaglijst heeft het hof een last gegeven zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv (last tot bewaring ten behoeve van de onbekende rechthebbende). Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/837317-19B VbV Er is in het eindarrest geen sprake van een specifieke beslissing ten aanzien van een of meer bepaalde voorwerpen op deze lijst. Ten aanzien van alle voorwerpen op deze beslaglijst heeft het hof een last gegeven zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv (last tot bewaring ten behoeve van de onbekende rechthebbende). Ten aanzien van alle drie de beslaglijsten De gegeven last tot bewaring zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv (last tot bewaring ten behoeve van de onbekende rechthebbende) is in het eindarrest (op p. 16, bovenaan) als volgt gemotiveerd: “Ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan het hof niet vaststellen wie de rechtmatige eigenaar is. Het hof gelast daarom de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbenden.” Tot zover de beschrijving van de beslagbeslissingen. Klager heeft zich vervolgens bij een tijdig ter griffie van dit hof ingekomen klaagschrift ex artikel 552a Sv bek de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.” Aan de overwegingen die met deze samenvatting beginnen voegt hij aanvullende overwegingen toe met betrekking tot de onderwerpen ‘proportionaliteit en subsidiariteit’ en ‘hernieuwd beklag’, daarmee – op die punten – een “zekere bijstelling” van zijn eerdere rechtspraak bewerkstelligend. Juridisch kader B wordt gevormd door het eerste en tweede lid van artikel 353 Sv. Op de voet van het bepaalde in artikel 415, eerste lid, Sv zijn deze bepalingen ook in hoger beroep van toepassing. Zij luiden: “1. In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet. 2. De rechtbank gelast, onverminderd artikel 351, de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen; de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.” Naast de andere hierboven reeds besproken beslagbeslissingen, heeft het hof als zittingsrechter in de onderhavige zaak – zoals hierboven al meermalen vermeld – toepassing gegeven aan onderdeel c van het tweede lid. Daarmee heeft het hof, noodzakelijkerwijs, ook toepassing gegeven aan het eerste lid, omdat de beslissingen uit het tweede lid, slechts mogelijk zijn bij toepasselijkheid van het eerste lid. Op het eerste lid van artikel 353 Sv komt het hof hierna nog terug, en wel onder het subkopje Toepassing van het juridisch kader op de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen; de ontvankelijkheidstoets. De Hoge Raad heeft in 2006 uitgelegd wat er gebeurt als onderdeel c van het tweede lid wordt toegepast. Zie HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785 (r.o. 3.5 en 3.6). Het hof vestigt de bijzondere aandacht op deze passage uit rechtsoverweging 3.6: “(…) doch dat het c) de rechter vrij staat de bewaring van dat voorwerp ten behoeve van de rechthebbende te gelasten, indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat de beslagene geen recht heeft op het voorwerp en er geen ander is die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (vgl. HR 29 oktober 2002, NJ 2003, 19).” De overweging (3.7) uit NJ 2003, 19 (ECLI:NL:HR:2002:AE5650) waarnaar de Hoge Raad verwijst luidt: “Uit de onder 3.6 weergegeven passages uit de Memorie van Toelichting moet worden afgeleid dat in geval naar het oordeel van de rechter aannemelijk is dat degene onder wie is inbeslaggenomen geen recht heeft op het voorwerp , het de rechter vrij staat de bewaring te gelasten.” Zowel in 2002 als in 2006 behoort de volgende zin tot de door de Hoge Raad relevant geachte en door hem geciteerde passages uit de Memorie van Toelichting: “Dat betekent dat weliswaar nog steeds [lees: ook na inwerkingtreding van de voorgestelde wet] gezegd kan worden dat teruggave aan de beslagene de hoofdregel is, maar dat een uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen waarin die teruggave onredelijke gevolgen zou hebben . (Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 3)”. Tot slot van deze bespreking van kader B merkt het hof op dat voor de beslissingen uit artikel 353, tweede lid, Sv geldt dat zij pas aan de orde komen indien het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen. (Vandaar dat deze omstandigheid hierboven onder B is opgenomen in de korte opsomming van de drie kaders.) Het hof komt dan nu toe aan de bespreking van het juridisch kader (kader C) waarom het in de onderhavige beklagzaak draait. Ten aa 2.4 van ECLI:NL:HR:2018:2333 bedoelde – beslissing van de strafrechter die de beklagrechter moet houden voor een vaststaand gegeven dat hij niet op zijn juistheid mag toetsen? Zo ja, dan lijkt een gegrondverklaring van een klacht, ingediend door de beslagene als klager in een beklagprocedure als de onderhavige, theoretisch onmogelijk. Het beklag van de beslagene strekt er immers toe dat hij voor de rechthebbende wordt gehouden. Maar de beslissing van de strafrechter houdt juist in dat de beslagene niet de rechthebbende is. Hoe kan de beklagrechter tot het door de beslagene gewenste oordeel komen als hij daarbij niet tevens de – logisch dwingende – conclusie mag trekken dat de beslissing van de strafrechter achteraf onjuist blijkt te zijn geweest? In het verlengde daarvan geldt dat de beslagene zelf nimmer kan kwalificeren “als de rechthebbende ten behoeve van wie de strafrechter de bewaring heeft gelast” (zie de gecursiveerde passage in de laatstgenoemde rechtsoverweging). De bewaring uit artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv wordt immers per definitie gelast ten behoeve van een ander dan de beslagene. In de gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad is er na ECLI:NL:HR:2018:2333 zélf, geen latere beklagzaak waarin én de klager de beslagene zelf was én de Hoge Raad toepassing geeft aan het schema van laatstgenoemde beschikking. In ECLI:NL:HR:2018:2333 heeft de Hoge Raad geen aandacht besteed aan de vraag uit de vorige alinea, doch (in r.o. 2.5, hierboven geciteerd) overwogen dat het hof tot het niet onbegrijpelijke en afdoend gemotiveerde oordeel was gekomen “dat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende”. Het juridisch kader voor het overige. Conclusie. Gelet op het slot van de vorige alinea, in het bijzonder de daar geciteerde passage, gaat het hof verder voorbij aan de door hem opgeworpen vraag over de onderlinge verhouding tussen de kaders B en C. Het komt tot de slotsom dat, in een geval als het onderhavige, het aan de beslagene (als klager) is om aannemelijk te maken dat hij degene is die redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende. Vanuit een perspectief van ‘bewijs’-last betekent het feit dat klager zélf iets aannemelijk moet maken, dat hij in dit stadium geen aanspraak meer kan maken op toepassing van de hoofdregel uit de kaders A en B, te weten dat – behoudens een ‘tenzij’ – het beslag aan de beslagene moet worden teruggegeven indien het belang van strafvorderering de voortduring van het beslag niet langer vordert. Nu is het omgekeerde aan de orde: de gelaste bewaring zal in stand dienen te blijven, tenzij de klager aannemelijk maakt dat hij (toch) de rechthebbende is. In het verlengde hiervan ziet het hof dan ook parallellen met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen ten aanzien van hernieuwd beklag, waaruit onder meer blijkt dat de klager ten minste met méér moet komen dan hij bij de laatste gelegenheid naar voren heeft gebracht. Toepassing van het juridisch kader op de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen; de ontvankelijkheidstoets In dit geval heeft klager gesteld de rechthebbende te zijn op de voorwerpen waarop het beslag nog rust. Daarmee is hij ontvankelijk in zijn klaagschrift (HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3667; zie hierboven). Het hof heeft zich nog de vraag gesteld of in het onderhavige geval, waarin het betwiste beslag voor het overgrote deel samenhangt met feit 1 van dagvaarding II, de last tot bewaring, voor zover op dat deel betrekking hebbend, wel door de zittingsrechter gegeven had mogen worden. Een nietigverklaring van de inleidende dagvaarding behoort immers niet tot de beslissingen die worden genoemd in het eerste lid van artikel 353 Sv. En, zoals hierboven reeds overwogen, een last uit het tweede lid kan niet worden gegeven zonder toepasselijkheid van het eerste lid. Het staat het hof als beklagrechter echter niet vrij om in deze beslissing van het hof als zittingsrechter te trede (Zonder daaraan enige betekenis toe te kennen, merkt het hof op dat niet duidelijk is of dit motorblok voorkomt op een van de twee beslaglijsten die beginnen met het nummer 09/837317-19 en, zo ja, op welke van de twee.) Voor het maken van verdere uitzonderingen heeft het hof geen aanleiding gevonden, ook niet in hetgeen van de zijde van het Openbaar Ministerie is ingebracht. Het voorgaande betekent dat het hof, behalve ten aanzien van het zojuist genoemde motorblok, het klaagschrift integraal gegrond zal verklaren. Deze gegrondverklaring geldt dus ook voor klagers verzoek tot teruggave van een geldbedrag van € 631,-- (ongenummerde p. 90 van het klaagschrift d.d. 23 december 2024; nummer 3 op de beslaglijst met nummer 09/852255-18). Op de laatste pagina van de schriftelijke conclusie d.d. 4 november 2025 wordt hieromtrent door de advocaat-generaal gezegd dat hij met betrekking tot dit bedrag geen kennisgeving van inbeslagneming in het dossier heeft aangetroffen, “zodat niet vastgesteld kan worden dat op dit bedrag (nog) beslag rust”. Deze opvatting miskent dat voor het antwoord op de vraag of een goed in beslag is genomen, niet doorslaggevend is of dat goed is vermeld op een kennisgeving van inbeslagname, in een proces-verbaal van bevindingen, of op de lijst van inbeslaggenomen goederen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de bedoelde kennisgeving zich bevindt op de digitale pagina 13 van het digitale bestand met de naam ‘3. Politie pv (Eind dossier) (2)’. Nu het hof komt tot de hierboven weergegeven beslissingen is er voor klager geen belang meer bij bespreking van het namens hem gedane beroep op schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Tenuitvoerlegging van de teruggavebeslissing Het hof sluit niet uit dat een of meer voorwerpen inmiddels tegen baat zijn vervreemd (artikel 118, vierde lid, Sv in verbinding met de artikelen 116 en 117 Sv). In dat geval is het beslag blijven rusten op de verkregen opbrengst (artikel 117, vierde lid, Sv). Waar dit het geval is zal tenuitvoerlegging van de hierna te vermelden teruggavebeslissing dienen neer te komen op uitkering van die opbrengst aan klager. Beslissing Het hof: Verklaart het beklag ongegrond ten aanzien van het motorblok dat is omschreven in het mutatierapport van de politie, Eenheid Den Haag, d.d. 4 mei 2016 met registratienummer PL1500-2016124667-1, gevoegd als bijlage 5 bij proces-verbaal LEFC818006-254; Verklaart het beklag voor het overige gegrond; Gelast de teruggave aan klager van: Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/852255-18 - Alle op deze lijst voorkomende voorwerpen, met uitzondering van volgnummer 2; Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/837317-19A KBH - Alle op deze lijst voorkomende voorwerpen, met uitzondering van de volgnummers 5, 8, 30, 40, 52 en 73 en met uitzondering van het zojuist genoemde motorblok, mocht dit voorkomen op deze lijst; Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/837317-19B VbV - Alle op deze lijst voorkomende voorwerpen, met uitzondering van het zojuist genoemde motorblok, mocht dit voorkomen op deze lijst. Deze beschikking is gegeven door mr. N. Schaar, als voorzitter, mr. G.C. Haverkate en mr. A.J.P. van Beurden, leden, in bijzijn van de griffier M. van der Mark, en op 15 januari 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier. In het klaagschrift wordt nummer 52 abusievelijk nummer 50 genoemd. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 (overzichtsbeschikking, r.o. 2.10): “In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden , op het klaagschrift dient te beslissen.” (cursivering door het hof toegevoegd). Zie over ‘hernieuwd beklag’ eerder al r.o. 4