Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-20
ECLI:NL:GHDHA:2026:29
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.338.441/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/605324 / HA ZA 21-32 Arrest van 20 januari 2026 in de zaak van 1 HP Nederland B.V. , gevestigd in Amstelveen, 2. Dell B.V. , gevestigd in Amsterdam, 3. Stichting FIAR CE , gevestigd in ’s-Hertogenbosch, appellanten, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) , met zetel in Den Haag, geïntimeerde, advocaat: mr. S.M. Kingma, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna HP , Dell en FIAR , tezamen HP c.s. , en de Staat. 1 De zaak in het kort 1.1 HP c.s. en anderen hebben eerder tegen de Staat en Stichting De Thuiskopie een procedure gevoerd waarin zij schadevergoeding hebben gevorderd wegens strijdigheid van het Nederlandse stelsel voor auteursrechtelijke thuiskopievergoedingen met de EU-richtlijn waarin dat stelsel is geregeld. Dit hof heeft de vorderingen van de eiseressen in die eerdere procedure afgewezen, waarna de Hoge Raad hun daartegen gerichte cassatieberoep heeft verworpen. De Hoge Raad heeft daarbij geen prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en heeft op de voet van artikel 81 Wet op de rechterlijke organisatie volstaan met een verkorte motivering. HP c.s. heeft vervolgens de onderhavige schadevergoedingsprocedure ingeleid tegen de Staat, omdat zij vindt dat het arrest van de Hoge Raad in strijd is met het Unierecht. 1.2 Het hof bekrachtigt in dit arrest het vonnis waarin de rechtbank de vorderingen van HP c.s. heeft afgewezen. Het hof wijst daarnaast de vorderingen af die HP c.s. voor het eerst in hoger beroep heeft ingesteld omdat die op een ander debat betrekking hebben dan de vorderingen bij de rechtbank en daarmee in strijd komen met de eisen van een goede procesorde. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 7 februari 2024 waarmee HP c.s. in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 november 2023; de memorie van grieven van HP c.s. , met wijziging van eis; de memorie van antwoord van de Staat. 2.2 Op 10 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarin de advocaten, in het geval van HP c.s. mr. A.P. Groen, de zaak hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Auteursrechtelijk kader 3.1 De Uniewetgever heeft het auteursrechtelijk reproductierecht geharmoniseerd in artikel 2 Auteursrechtrichtlijn (hierna: ARl) . Artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl (hierna ook: de thuiskopie -uitzondering, en de daar bedoelde reproductie: de thuiskopie ) geeft de lidstaten van de EU de mogelijkheid om in hun nationale wetgeving te voorzien in een uitzondering op dat reproductierecht voor: “ de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privé-gebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen (…) ;”. Artikel 5 lid 5 ARl bepaalt in dat verband: “ De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbenden niet onredelijk worden geschaad. ” De Uniewetgever heeft deze bepalingen, voor zover hier van belang, als volgt toegelicht in de overwegingen 4, 9, 10, 31, 35 en 38 van de considerans bij de ARl: “(4) Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie, met inbegrip van de netwerkinfrastructuur, bevorderen (…). (…) (…) (9) Bij een harmonisatie van het auteurs 3.6 Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) heeft bij arrest van 10 april 2014 in de zaak ACI Adam/ De Thuiskopie voor recht verklaard dat artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) en lid 5 ARl in die zin moet worden uitgelegd dat het, samengevat, in de weg staat aan een nationale thuiskopieregeling die geen onderscheid maakt tussen een thuiskopie uit geoorloofde dan wel ongeoorloofde bron. 3.7 De Kroon heeft eind 2014 een nieuwe algemene maatregel van bestuur vastgesteld, die op 1 januari 2015 in werking is getreden (hierna: de AMvB 2015, samen met de andere AMvB’s: de bestreden AMvB’s). Daarin is de regeling van de AMvB 2012 onder andere gewijzigd doordat de vergoedingen per drager over de hele linie met 30% zijn verlaagd. 3.8 De Thuiskopie heeft in 2015 een restitutieregeling vastgesteld. 4 Feitelijke achtergrond 4.1 HP en Dell zijn importeurs en/of fabrikanten van dragers. FIAR is hun branchevereniging. 4.2 Acer Computer B.V. , Imation B.V. en HP c.s. (hierna Acer c.s. ) hebben in 2013 een civiele procedure ingeleid tegen de Staat en De Thuiskopie waarin zij diverse vorderingen hebben ingesteld met betrekking tot de AMvB’s 2012 en 2013, alle gegrond op de stelling dat deze in strijd zijn met de artikelen 16c e.v. Aw, zoals uitgelegd overeenkomstig artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl. 4.3 De rechtbank Den Haag heeft die vorderingen bij vonnis van 14 januari 2015 deels toegewezen en deels afgewezen. 4.4 Imation B.V. en HP c.s. (hierna: Imation c.s. ) zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij dit hof, waarbij zij hun vorderingen hebben vermeerderd om die mede betrekking te laten hebben op de AMvB 2015. Imation c.s. heeft daarbij onder andere geklaagd dat de opzet van de bestreden AMvB’s op de volgende punten in strijd is met artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) en lid 5 ARl:(i) De Kroon heeft in deze AMvB’s de hoogte van de thuiskopievergoedingen vastgesteld op basis van het licentiemodel in plaats van op basis van het substitutiemodel, waarbij in dat licentiemodel ten onrechte is uitgegaan van de volle primaire licentiewaarde. (ii) Deze AMvB’s voorzien in een vergoedingsstelsel waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen reproductiedragers voor privégebruik en voor zakelijk gebruik, zonder dat daarbij is voorzien in een vrijstelling voor leveringen aan andere dan natuurlijke personen die deze duidelijk voor andere doelen aanschaffen dan het kopiëren voor privégebruik.(iii) Deze AMvB’s leiden tot overcompensatie omdat de totale vergoedingen wezenlijk hoger waren dan de schade die auteursrechthebbenden daadwerkelijk hebben geleden als gevolg van het maken van thuiskopieën. 4.5 De Staat heeft een en ander betwist en aangevoerd dat de geschatte totale bruto-incasso van 40 miljoen euro per jaar waarop de vergoedingen uit de AMvB’s 2012 en 2013 waren gebaseerd in feite overeenkwam met het nadeel dat auteursrechthebbenden hebben geleden door thuiskopieën uit alleen legale bron. De Staat heeft die betwisting onderbouwd met een rapport van [naam] (hierna: [naam] en het [naam] -rapport ) dat een berekening bevat van de schade van als gevolg van het maken van thuiskopieën uit alleen geoorloofde bron over het jaar 2015, die uitkomt op 23,65 miljoen euro wanneer alleen thuiskopieën uit geoorloofde bron in aanmerking worden genomen, en op 35,31 miljoen euro wanneer ook thuiskopieën worden meegerekend uit illegale bron. Die berekening was gebaseerd op het zogeheten licentiemodel. 4.6 Dit hof heeft het hiervoor bedoelde vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2015 bij arrest van 23 mei 2017 (hierna: het omstreden arrest van dit hof) vernietigd en de vorderingen van Imation c.s. integraal afgewezen. Het heeft daarvoor de hiervoor onder 4.4 beschreven klachten (i) tot en met (iii) van Imation c.s. beoordeeld en alle verworpen. 4.7 Imation c.s. is van dit arrest in cassatieberoep gekomen bij de Hoge Raad. Zij is daarbij met de onderdelen 2, 4 en 5 van haar cassatiemiddel opgekomen tegen het oordeel van dit hof met b aan de Hoge Raad (Grief 2 als het gaat om het ongemotiveerd niet verwijzen en Grieven 3 tot en met 5 met betrekking tot de materieelrechtelijke klachten). Zij grondt haar nieuwe vorderingen tot het uitspreken van aanvullende verklaringen voor recht op dezelfde standpunten als die zij heeft ingenomen in de procedure die leidde tot het omstreden arrest van de Hoge Raad. 7 Beoordeling in hoger beroep De nieuwe vorderingen in hoger beroep 7.1 De Staat heeft bij memorie van antwoord bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis in hoger beroep. Het hof volgt hem in dat bezwaar. Een eiser is op grond van de artikelen 130 lid 1 en 353 lid 1 Rv bevoegd om zijn eis of de gronden daarvan in hoger beroep schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle te veranderen of te vermeerderen, in beginsel uiterlijk bij memorie van grieven dan wel antwoord. De gedaagde kan hiertegen op grond van dezelfde bepalingen bezwaar maken op de grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Met de Staat is het hof van oordeel dat dat laatste zich hier voordoet. In eerste aanleg heeft HP c.s. uitsluitend een schadevergoedingsvordering ingesteld, gegrond op een gestelde schending van het Unierecht door een arrest van de Hoge Raad. De nieuwe vorderingen richten zich weliswaar net als deze schadevergoedingsvordering tegen de Staat, maar hebben betrekking op verklaringen voor recht die geen verband houden met het handelen van de rechtsprekende macht binnen de Staat, maar met dat van de Staat als (materieel) wetgever die kan bepalen hoe het Nederlandse thuiskopievergoedingsstelsel moet worden ingericht. Aanvaarding van de gewijzigde vorderingen zou daarmee leiden tot een onredelijke bemoeilijking en vertraging van de procedure. Die vorderingen kunnen daarom niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld. 7.2 Het hof zal de grieven van HP c.s. daarom hierna uitsluitend beoordelen met het oog op de vraag of de in eerste aanleg door haar ingestelde schadevergoedingsvordering kan worden toegewezen. Beoordelingsmaatstaf (Grief 1) 7.3 Artikel 267 tweede alinea VWEU, gelezen in samenhang met de eerste alinea, bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien een vraag over de uitleg van een EU richtlijn wordt opgeworpen voor een nationale rechter van een EU-lidstaat, deze rechter, indien hij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van zijn vonnis, het HvJ EU kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Artikel 267 derde alinea VWEU bepaalt vervolgens dat indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een rechter waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep (hierna: een in laatste instantie oordelende rechter), deze gehouden is zich tot het HvJ EU te wenden. 7.4 Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU, weergegeven in zijn overzichtarrest Cilfit , geldt die verplichting niet wanneer die rechter heeft vastgesteld dat: (i) de opgeworpen vraag niet relevant is; (ii) de betrokken bepaling van Unierecht al door het HvJ EU is uitgelegd (in Unierechtjargon: acte éclairé ); of (iii) de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (in Unierechtjargon: acte clair ). Het HvJ EU heeft de toepassing van deze gevallen toegelicht in zijn arresten Consorzio Italian Management en KUBERA . In punt 62 van dat laatste arrest heeft het onder andere geoordeeld dat, kort gezegd, uit het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel, gezien in het licht van artikel 47 tweede alinea EU Grondrechtenhandvest (Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht), volgt dat wanneer een in laatste instanatie oordelende rechter van oordeel is dat hij een voor hem opgeworpen vraag van uitleg van Unierecht niet hoeft te verwijzen omdat zich een van de Cilfit -situaties voordoet, uit de motivering van zijn beslissing moet blijken hetzij dat die vraag niet relevant is voor de beslecht Bovendien was al sinds op zijn laatst het arrest Cilfit bekend dat een in laatste aanleg oordelende rechter artikel 267 derde alinea VWEU schendt als hij geen vraag verwijst in een situatie waarin de uitleg van een bepaling van Unierecht niet dermate evident is, dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond (en zich geen van de andere Cilfit -situaties voordoet). Met dat oordeel uit het arrest Franse roerende voorheffing heeft het HvJ EU geen afstand genomen van het criterium van de kennelijke schending als het gaat om de beslissing van een in laatste aanleg oordelende rechter. 7.7.2 Het HvJ EU heeft in zijn arrest Ferreira I geoordeeld dat artikel 267 derde alinea VWEU inhoudt dat een in hoogste aanleg oordelende rechter verplicht is om een prejudiciële vraag aan het HvJ EU te verwijzen als lagere rechters in de betrokken lidstaat uiteenlopende beslissingen geven over de uitleg van de toe te passen bepaling van Unierecht en die uitleg tevens herhaaldelijk moeilijkheden oplevert in andere lidstaten. Dat oordeel houdt niet meer in dan dat in de beschreven situatie geen sprake kan zijn van een acte clair , hetgeen het HvJ EU na Ferreira I heeft bevestigd in Consorzio Italian Management . Ook met dat oordeel heeft het HvJ EU geen afstand genomen van het criterium van de kennelijke schending als het gaat om de beslissing van een in laatste aanleg oordelende rechter. 7.8 Dat aan HP c.s. , zoals zij stelt, in elk geval een effectieve bescherming moet worden verzekerd van de individuele rechten die zij aan het Unierecht ontleent, leidt evenmin tot een andere maatstaf. In zijn arrest Köbler moest het HvJ EU onder andere de vraag beantwoorden of een lidstaat in het licht van de rechterlijke onafhankelijkheid überhaupt aansprakelijk kan worden gehouden voor een beslissing van een in laatste instantie oordelende rechter. Het HvJ EU heeft in dat kader uitdrukkelijk onderkend dat die in laatste instantie oordelende rechter per definitie de laatste instantie is bij wie particulieren de hun door het Unierecht toegekende rechten geldend kunnen maken en dat een schending van deze rechten door een beslissing van deze rechter die definitief is geworden, gewoonlijk niet meer kan worden hersteld, waardoor aan particulieren niet de mogelijkheid mag worden ontzegd om de staat aansprakelijk te stellen en zo een rechtsbescherming van hun rechten te krijgen (punt 34). Het HvJ EU heeft daar dus het door HP c.s. aangevoerde belang van een effectieve rechtsbescherming ten volle erkend. Daarna heeft het HvJ EU echter in datzelfde arrest geoordeeld dat voor het bepalen van de maatstaf voor die aansprakelijkheid rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van de rechterlijke functie en met de gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid, en in dat kader de eis geformuleerd dat sprake moet zijn van het uitzonderlijke geval van een kennelijke schending (punt 53). Het ongemotiveerd niet verwijzen van een prejudiciële vraag (Grief 2 en delen van de Grieven 3 tot en met 5) 7.9 Uit de toelichting van HP c.s. bij haar Grief 2 volgt dat zij deze alleen richt tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het ontbreken van een motivering, en niet tegen dat met betrekking tot het niet verwijzen als zodanig. In de Grieven 3, 4 en 5, die in de kern betrekking hebben op de gestelde kennelijke schending door de Hoge Raad van artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl, herhaalt HP c.s. echter het verwijt dat de Hoge Raad op grond van de in die grieven beschreven onduidelijkheid over de toepassing van die bepaling had moeten beslissen om vragen daarover te verwijzen naar het HvJ EU. Het hof zal hier daarom beide aspecten beoordelen. - Het besluit om niet te verwijzen 7.10 Dat de Hoge Raad het cassatieberoep van Imation c.s. heeft verworpen zonder vragen van uitleg van artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl naar het HvJ EU te verwijzen levert naar het oordeel van het hof geen kennelijke schending op van de verwijzingsplicht van artikel 267 derde alinea VW ” 7.15 Of die verkorte motivering niettemin een (kennelijke) schending van het Unierecht oplevert en of de verwijzingsplicht van artikel 267 derde alinea VWEU, gelezen in het licht van artikel 47 EU Grondrechtenhandvest, mede strekt tot bescherming van partijen in een procedure voor de in laatste aanleg oordelende rechter, kan hier in het midden blijven. Ook indien dat het geval zou zijn, betwist de Staat namelijk terecht dat die verkorte motivering tot enige schade kan hebben geleid bij HP c.s. 7.16 Uit artikel 81 leden 1 en 2 RO volgt dat de Hoge Raad (ook) bij toepassing van die bepaling het cassatieberoep volledig behandelt om te beslissen of het tot cassatie kan leiden. Pas als dat geval is en het bij die beoordeling bovendien niet nodig is om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, kan de Hoge Raad op grond van die bepaling beslissen om zijn motivering te beperken tot dat laatste oordeel. Uit het omstreden arrest van de Hoge Raad volgt dat hij dat ook heeft gedaan: hij licht in de eerste volzin van zijn motivering immers toe dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Zoals de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde arrest van zijn strafkamer van 26 mei 2015 heeft toegelicht, lag in die motivering in dit geval tevens besloten dat hij van oordeel was dat zich in de betrokken zaak een van de drie Cilfit -situaties voordeed en dat hij de door Imation c.s. in haar cassatiemiddel opgeworpen vragen van uitleg van de ARl daarom niet hoefde te verwijzen naar het HvJ EU. 7.17 Dit betekent dat de Hoge Raad niet anders zou hebben beslist op het cassatieberoep van Imation c.s. indien de door HP c.s. gestelde onrechtmatigheid wordt weggedacht, dat wil zeggen indien de Hoge Raad zou hebben toegelicht welke van de Cilfit -situaties zich hier voordeed, en waarom. 7.18 Het betoog van HP c.s. tijdens de mondelinge behandeling dat haar schade er op dit punt uit bestaat dat zij door het handelen is afgehouden van de beoordeling door het HvJ EU van de door haar opgeworpen vragen van Unierecht stuit eveneens af op het voorgaande. 7.19 Na de mondelinge behandeling heeft het EHRM op 16 december 2025 uitspraak gedaan in de zaak Gondert/Duitsland . Die zaak heeft betrekking op een procedure voor de Duitse burgerlijke rechter waarin het Bundesgerichtshof verlof tot het instellen van beroep heeft geweigerd nadat procespartij Gondert in zijn verzoek tot verlof had opgeworpen dat het Bundesgerichtshof prejudiciële vragen moest stellen aan het HvJ EU. Het Bundesgerichtshof heeft daarbij op grond van een bepaling uit het Duitse Wetboek van Burgerlijke Procedure volstaan met een verkorte motivering, met de toevoeging dat het de vraag had beoordeeld naar de verwijzingsplicht op grond van artikel 267 derde alinea VWEU. Volgens vaste rechtspraak van het Bundesgerichtshof houdt een dergelijke weigering impliciet in dat het van oordeel is dat het niet verplicht is vragen te stellen op grond van die bepaling. In deze zaak heeft het EHRM beslist:“[T] he Federal Court of Justice did not give reasons for its refusal to refer questions to the CJEU for a preliminary ruling, despite the applicant’s precise request and detailed submissions in this regard. As a consequence the applicant was not enabled to understand why his request for a referral was refused, which undermined the fairness of the proceedings. There has accordingly been a violation of Article 6 § 1 of the Convention. ” 7.20 Naar het oordeel van het hof noopt deze zaak niet tot een ander oordeel. Ook al zou uit deze uitspraak moeten worden afgeleid dat de Hoge Raad op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 1 EVRM gehouden was geweest om uitdrukkelijk te motiveren waarom hij geen aanleiding zag prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen, vloeit daaruit voor HP c.s. om de hiervoor uiteengezette redenen geen schade voort. Overigens heeft ook het EHRM in de zaak Gondert/Duisland de gevorderde vermogensschadevergoeding - Uit de overwegingen 35 en 38 van de considerans van de ARl volgt dat als nuttig criterium voor het vaststellen van het niveau van de billijke compensatie rekening moet worden gehouden met het “mogelijke nadeel” dat de rechthebbende als gevolg van de reproductiehandeling ondervindt. Die compensatie en dus het stelsel waarop zij berust moeten daarom verband houden met de schade die de rechthebbenden lijden als gevolg van het zonder toestemming kopiëren voor privégebruik. Vanuit die invalshoek bezien, moet de billijke compensatie worden beschouwd als de vergoeding van de door de auteur geleden schade. Bovendien vertolkt het woord “compenseren” in die bepalingen de wil van de Uniewetgever om te voorzien in een specifieke compensatieregeling die wordt toegepast wanneer rechthebbenden nadeel wordt berokkend dat in beginsel de verplichting doet ontstaan om hen te “compenseren”. Hieruit volgt dat de billijke compensatie noodzakelijkerwijs moet worden berekend op basis van het criterium van de schade geleden door de auteurs van beschermde werken als gevolg van de invoering van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik. Die billijke compensatie is in beginsel bestemd ter vergoeding van de schade die door daadwerkelijk gemaakte reproducties is berokkend. - Degene die een thuiskopie maakt is de persoon die de rechthebbende benadeelt, zodat die persoon in beginsel verplicht is het met die thuiskopie gepaard gaande nadeel te vergoeden door het bekostigen van de compensatie die aan die houder zal worden betaald. Gelet op de praktische moeilijkheden bij het heffen van de thuiskopiecompensatie van particulieren, mogen de lidstaten die compensatie echter financieren door middel van een heffing die – voordat de kopieën voor privégebruik worden gemaakt – wordt opgelegd aan personen die over installaties, apparaten en dragers voor digitale reproductie (hierna: dragers) beschikken en deze ter beschikking stellen aan natuurlijke personen, gebruikers. Die leveranciers kunnen deze heffing dan aan die gebruikers doorberekenen, waardoor deze gebruikers uiteindelijk de last van de compensatie zullen dragen. Deze heffing mag in elk geval niet worden toegepast op de leveringen van dragers aan andere dan natuurlijke personen die deze duidelijk voor andere doelen aanschaffen dan het kopiëren voor privégebruik (hierna: zakelijke gebruikers). - De lidstaten kunnen die heffing onder bepaalde omstandigheden zonder onderscheid opleggen ter zake van alle dragers die geschikt zijn voor reproductie, waaronder in het geval waarin deze dragers uiteindelijk worden gebruikt op een manier die niet onder de thuiskopie -uitzondering valt. Een dergelijk stelsel is alleen geoorloofd als de invoering ervan wordt gerechtvaardigd door praktische moeilijkheden en de betalingsplichtigen de mogelijkheid hebben te verzoeken om vrijstelling van de heffing of tenminste beschikken over een recht op terugbetaling van deze compensatie wanneer zij niet verschuldigd is. Voorts moet het recht op terugbetaling doeltreffend zijn en de teruggave van de betaalde compensatie niet uiterst moeilijk maken, hetgeen inhoudt dat de reikwijdte, de doeltreffendheid, de beschikbaarheid, de bekendheid en de eenvoud van toepassing van het recht op terugbetaling een compensatie moeten vormen voor eventuele onevenwichtigheden die door het stelsel voor compensatie voor het kopiëren voor privégebruik zijn veroorzaakt om tegemoet te komen aan de geconstateerde praktische moeilijkheden. In een geval waarin het betrokken stelsel geen afdoende garanties biedt voor vrijstelling van de compensatie voor producenten en importeurs die aantonen dat de dragers zijn aangeschaft voor duidelijk andere doeleinden dan het kopiëren voor privégebruik, moet het in elk geval een dergelijk recht op terugbetaling van de compensatie behelzen. Als het betrokken heffingstelsel de betalingsplichtigen de mogelijkheid biedt de heffing af te wentelen op de eindgebruiker van de drager, die aldus de lasten draagt, is het in beg Deze billijke compensatie moet – naar het hof heeft miskend in rov. 5.2, waarin alleen is gelet op de belangen van de rechthebbenden – beantwoorden aan het rechtvaardige evenwicht tussen de belangen van rechthebbenden en van gebruikers. Het hof had daarom ook de belangen van de gebruikers in zijn oordeel moeten betrekken. Dat pleit voor een substitutiemodel, omdat daarin niet wordt gecompenseerd voor thuiskopieën waardoor geen winst wordt gederfd of verkopen worden gemist, zodat een te ruime thuiskopieheffing kan worden voorkomen. Een vervolgklacht is dat het hof met verwijzing naar ITV/TVCatchup heeft miskend dat dat arrest ziet op openbaarmaking van auteursrechtelijke werken, dus ziet op het exclusieve recht van de maker, waarvoor de maker een passende beloning moet kunnen ontvangen. Het maken van een thuiskopie behoort niet tot het exclusieve recht van de maker (lees: het is een beperking op het auteursrecht). Een laatste zelfstandige rechtsklacht van dit subonderdeel is dat is miskend dat er vele andere beperkingen op het auteursrecht bestaan in verband waarmee de auteurs geen “passende beloning” ontvangen (zoals die uit art. 5 lid 2 sub c en d en 5 lid 3 ARL), hetgeen evenmin strijdig is met (de doelstellingen van) de Auteursrechtrichtlijn. Het subonderdeel besluit met de veegklacht dat de passages uit rov. 5.2 die voortbouwen op het onjuiste oordeel dat de rechthebbenden aanspraak hebben op een “passende beloning” voor thuiskopiëren van hun werken, waaronder ’s hofs bezwaar tegen het substitutiemodel, ook onjuist zijn .------------------ 29 Conclusie M. Szpunar 19 januari 2016 in zaak C-470/14 ECLI:EU:C:2016:24 ( EGEDA ), m.n. nrs. 23-24 .” In de punten 2.2.7 e.v. van haar schriftelijke toelichting heeft Imation c.s. haar subonderdeel 2.2 als volgt verduidelijkt, onder verwijzing naar, onder andere, punt 24 van laatstgenoemde conclusie van A-G Szpunar, literatuur en het compromiskarakter van het begrip “billijke vergoeding” in de wordingsgeschiedenis van de ARl, mede bezien in het licht van de derde voorwaarde van de drietrapstoets van artikel 5 lid 5 ARl. Volgens Imation c.s. volgt uit een en ander dat het door [naam] toegepaste licentiemodel niet alleen onjuist is omdat niet bij elke thuiskopie schade wordt geleden door de rechthebbende, maar omdat het nieuw gekozen begrip “compensatie” uitsluit dat het niveau van die compensatie wordt gebaseerd op een fictief gederfde licentievergoeding. Rechthebbenden kúnnen die vergoeding immers niet vragen, omdat zij niet het recht hebben om thuiskopiëren te verbieden. Economisch komt het hanteren van een aldus berekende compensatie daarom neer op het exploiteren van thuiskopieën, hetgeen in strijd is met de opzet van de thuiskopie -uitzondering, zo betoogde nog steeds Imation c.s. 7.27 De Staat heeft daar in zijn schriftelijke toelichting tegenin gebracht dat het, zo niet al een acte clair , dan toch een acte éclairé is dat het uitgangspunt van een licentiemodel moet worden beschouwd als ARl-conform. Hij heeft onder verwijzing naar de overwegingen 10 en 35 van de considerans van de ARl en punt 26 van het arrest EGEDA aangevoerd dat uitgangspunt van het begrip “billijke vergoeding” is dat rechthebbenden naar behoren moeten worden gecompenseerd voor het gebruik van hun beschermde werken. In het substitutiemodel wordt exact gecompenseerd voor de gederfde winst die het gevolg is van de invoering van de thuiskopie -uitzondering, terwijl in het licentiemodel het gebruik dat het gevolg is van die uitzondering wordt naar behoren wordt gecompenseerd. Bij een en ander geldt dat uit de arresten Padawan en Amazon.com volgt dat de lidstaten die de thuiskopie -uitzondering hebben ingevoerd een grote vrijheid hebben om de vorm en het niveau van de billijke compensatie te bepalen. 7.28 HP c.s. stelt dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl kennelijk heeft geschonden door onderdeel 2 van het cassatiemiddel van Imation c.s. te verwerpen. Zij voert daartoe in wezen hetzelfde aan als d wijst er ook op dat deze discussie niet alleen destijds is gevoerd, maar daarna ook uitgebreid is voortgezet in de rechtsgeleerde literatuur over dit onderwerp. Een en ander leidt niet tot het oordeel dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl (kennelijk) heeft geschonden. De instelling van de EU die bevoegd is om een bepaling van Unierecht uit te leggen is namelijk niet de Europese Commissie maar het HvJ EU, en dat HvJ EU baseert zich daarbij niet primair op de wordingsgeschiedenis van die bepaling, maar op de tekst en context ervan en op het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Het HvJ EU had die uitlegmethode al veelvuldig toegepast met betrekking tot artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl toen de Hoge Raad zijn omstreden arrest wees. Dit had op dat moment geleid tot de hiervoor onder 7.24 weergegeven rechtspraak, die op punten inmiddels ook vast was. 7.30.3 Dat A-G Szpunar in de punten 23 en 24 van zijn conclusie vóór het arrest EGEDA in het verlengde van deze discussie heeft betoogt dat het te compenseren nadeel van de thuiskopie voor de rechthebbenden de vorm aanneemt van gederfde winst en dat de Uniewetgever bewust heeft gekozen voor het woord “compensatie” in plaats van voor “vergoeding” zoals dat werd gebruikt in (inmiddels) artikel 5 van de gecodificeerde versie van de Richtlijn verhuur- en uitleenrecht , maakt evenmin dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl (kennelijk) heeft geschonden. In zijn op die conclusie volgend arrest heeft het HvJ EU zich namelijk ondanks deze aansporing van zijn A-G beperkt tot een herhaling van zijn eerdere rechtspraak over het rekening moeten houden met het nadeel dat de betrokken rechthebbende heeft geleden door de betreffende reproductie (punt 26), het in de ARl ontbreken van een regeling van de verschillende parameters van het compensatiestelsel (punt 22), en de ruime beoordelingsmarge waarover de lidstaten daarom beschikken om binnen de grenzen van de ARl en het Unierecht in het algemeen het niveau van de compensatie vast te stellen (punt 23). 7.30.4 Hetzelfde geldt ook voor de stelling dat het HvJ EU nog niet heeft geoordeeld over de keuze tussen de twee modellen. Ten eerste volgt uit die stelling niet dat de Hoge Raad, door het oordeel van dit hof in stand te laten, de betrokken rechtspraak van het HvJ EU kennelijk heeft miskend. Ten tweede volgt uit diezelfde rechtspraak niet dat het HvJ EU nog niet over deze keuze heeft geoordeeld. Na de in de vorige alinea beschreven aansporing van zijn A-G Szpunar in de zaak EGEDA kunnen de in diezelfde alinea beschreven punten 22 en 23 van het daarop volgend arrest van het HvJ EU namelijk worden opgevat als oordeel dat de door deze A-G geschetste keuze voor een bepaald nadeelcriterium juist een van de paramaters is waarover de ARl niets bepaalt en waarvoor de lidstaten daarom over beoordelingsvrijheid beschikken. 7.30.5 Dat het HvJ EU in zijn arrest Padawan zijn overwegingen over het verband tussen de billijke compensatie en het door de rechthebbenden geleden schade heeft geformuleerd in verband met de vraag of de lidstaten een stelsel van heffingen bij fabrikanten en importeurs konden invoeren is weliswaar juist, maar doet er niet aan af dat het HvJ EU daardoor is komen stil te staan bij de vraag naar wát vergoed moet worden, zoals HP c.s. ook onderkent in punt 51 van haar memorie van grieven. In zijn latere rechtspraak heeft het HvJ EU die overwegingen ook steeds herhaald, zonder dat het daarbij steeds ging om wíe de billijke compensatie moet betalen. 7.30.6 Ook de verwijzing naar punt 42 van hetzelfde arrest Padawan, waar het HvJ EU het criterium voorschrijft van de schade geleden door de auteurs van beschermde werken “als gevolg van de invoering van de thuiskopie -uitzondering”, kan niet leiden tot het oordeel dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl (kennelijk) heeft geschonden. In punt 39 van datzelfde arrest en zijn daarop volgende arresten HP /Reprobel (punt 36) en EGEDA (punt 26) berustten op een onjuiste lezing van het arrest van het HvJ EU in die zaak. 7.34 HP c.s. voert in de onderhavige procedure aan dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl kennelijk heeft geschonden door deze rechtsklacht van Imation c.s. te verwerpen. Uit het woord “voorts” in punt 48 van het arrest Copydan Båndkopi en in punt 37 van het arrest Microsoft/SIAE volgt volgens HP c.s. namelijk eenduidig dat het daar beschreven vereiste van een doeltreffende mogelijkheid om terugbetaling van de compensatieheffing te vragen niet alternatief, maar cumulatief is ten opzichte van het in de voorafgaande punten 47 respectievelijk 36 van die arresten beschreven vereiste dat de vergoeding niet mag worden toegepast op de levering van dragers aan zakelijke gebruikers, hetgeen een vrijstellingsmogelijkheid veronderstelt. 7.35 Het hof volgt HP c.s. niet in dat standpunt. Met de Staat is het hof van oordeel dat uit de vóór het omstreden arrest van de Hoge Raad gewezen arresten van het HvJ EU duidelijk volgt dat de vrijstelling en de terugbetalingsmogelijkheid geen cumulatieve, maar alternatieve mechanismen zijn om te waarborgen dat eindgebruikers die een drager duidelijk voor andere dan privédoeleinden kopen, (uiteindelijk) geen thuiskopiecompensatie hoeven te betalen. 7.35.1 Het hof verwijst voor de inhoud van de arresten Padawan , Amazon.com , Copydan Båndkopi en EGEDA naar zijn overzicht hiervoor onder 7.24. 7.35.2 In het op die arresten volgend arrest Microsoft/SIAE was het Italiaanse stelsel aan de orde, dat voorzag in een recht op terugbetaling. Het HvJ EU heeft in dat arrest eerst punt 31 van zijn arrest Amazon.com en punt 45 van zijn arrest Copydan Båndkopi herhaald: een stelsel van ongedifferentieerde heffing is toelaatbaar wanneer is voldaan aan de vereisten dat: (i) daadwerkelijk sprake is van praktische moeilijkheden bij het heffen van gebruikers; en (ii) het recht op terugbetaling doeltreffend is en de teruggave van de compensatie niet uiterst moeilijk maakt (punt 34). In verband met dat recht op terugbetaling heeft het HvJ EU punt 47 en de eerste volzin van punt 48 van zijn arrest Copydan Båndkopi herhaald, waarin het had geoordeeld dat het Deense stelsel richtlijnconform was, op voorwaarde dat: [a] betalingsplichtigen zijn vrijgesteld van de heffing als zij aantonen dat zij de dragers hebben geleverd aan zakelijke gebruikers; en[b] het stelsel voorziet in een effectief recht op terugbetaling van alleen de eindgebruiker (punten 36 en 37). Daarna heeft het HvJ EU vastgesteld dat het Italiaanse stelsel geen algemene bepaling kende die producenten en importeurs van dragers vrijstelde van heffing bij levering aan zakelijke gebruikers (punt 40) en dat enkel een eindgebruiker die geen natuurlijke persoon is bij de heffingsinstantie SIAE om terugbetaling kon verzoeken (punt 51). Vervolgens heeft het HvJ EU verwezen naar zijn oordeel in punt 55 van zijn arrest Copydan Båndkopi . Kort gezegd: het Unierecht staat niet in de weg aan een heffingstelsel waarin alleen eindgebruikers om terugbetaling kunnen vragen, maar dan moeten de betalingsplichtigen worden vrijgesteld als zij aantonen dat zij de dragers aan zakelijke gebruikers hebben geleverd (punt 52). Dat laatste was in het Italiaanse stelsel echter niet het geval (punt 53), terwijl het op grond van het in overweging 31 van de considerans van de ARl voorgeschreven evenwicht bepaalde mechanismen moest omvatten, “met name terugbetalingsmechanismen”, om overcompensatie ten nadele van gebruikers te corrigeren (punt 54). “Omdat” het Italiaanse stelsel geen afdoende vrijstellingsmechanisme kende, moest dat stelsel (dus) in elk geval een doeltreffend recht op terugbetaling behelzen, zoals bedoeld in punt 37. 7.35.3 Hieruit volgt duidelijk dat het bij het vrijstellings- en terugbetalingsrecht gaat om alternatieve mechanismen om te waarborgen dat anderen dan natuurlijke personen die voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk reproductiehandelingen verrichte Derhalve moeten, gezien [de regel dat wanneer uit de totstandkomingsgeschiedenis van een nationale omzettingsregeling niet blijkt dat de regelgever iets anders voor ogen heeft gestaan dan het getrouw omzetten van de betrokken richtlijn, voor de vraag naar richtlijnconforme uitleg niet relevant is dat die regelgever bij die totstandkoming een uitleg heeft gegeven die in strijd is met die richtlijn, hof], de 2012/2015-AMvB’s worden uitgelegd in die zin dat zij dergelijke regelingen bevatten. Ook de in rov. 9.11 genoemde voorwaarde (ii) moet dus als vervuld worden beschouwd .” 7.40 Imation c.s. heeft hiertegen onderdelen van zijn cassatiemiddel gericht die A-G Van Peursem als volgt heeft samengevat in zijn conclusie in deze zaak: “2.63 Subonderdeel 5.2 richt een rechtsklacht tegen de passage uit rov. 9.13 dat het HvJ EU zich niet inlaat met de vraag hoe een nationale regeling moet worden ingericht en vormgegeven. Uit Microsoft/SGAE blijkt immers het tegendeel: daarin is een vrijstellingsregeling in de vorm van overeenkomst-protocollen tussen betalingsplichtigen en de SIAE als ontoereikend beoordeeld. (…) 2.65 Subonderdeel 5.3 beklaagt als onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel in rov. 9.14 dat de tekst van de 2012/2015-AMvB’s een vrijstellingsregeling en – in ieder geval – een teruggaveregeling toelaat die aan de doeltreffendheidseis voldoen en dat die 2012/2015-AMvB’s zodoende moeten worden uitgelegd in die zin dat zij dergelijke regelingen bevatten. Zoals het hof in rov. 9.13, eerste volzin, terecht heeft overwogen, “[is] in de 2012/2015-AMvB’s niets bepaald over vrijstelling en/of terugbetaling”. Volgens de klacht is evenwel minimumvereiste voor een doeltreffende vrijstellings- en/of teruggaveregeling dat deze regeling ten minste kenbaar is voor betalingsplichtigen. Een regeling die in werkelijkheid niet bestaat, maar slechts als fictie door het hof wordt aangenomen (‘de AMvB’s moeten zo worden uitgelegd dat zij een dergelijke regeling bevatten’), is voor betalingsplichtigen niet kenbaar en daarmee niet doeltreffend, aldus deze klacht. Subonderdeel 5.4 vervolgt dat voor zover dit oordeel mede geacht moet worden te zijn gebaseerd op de passage uit rov. 9.13 dat “een (beleids-)regeling daaromtrent door TK in het kader van haar incassotaak tot stand [is] gebracht” – dat oordeel dan ontoereikend is gemotiveerd. Naar HP c.s. (…) hebben gesteld (welke stelling het hof blijkens rov. 9.13 niet is ontgaan), heeft Stichting de Thuiskopie haar beleid sinds 2015 aangepast. Voordien bestond in ieder geval geen dergelijke (beleids-) regeling en was het Nederlandse thuiskopiestelsel hoe dan ook onverenigbaar met Unierecht, zo besluit deze klacht.” 7.41 De Staat heeft hier, samengevat, het volgende tegenin gebracht:- Subonderdeel 5.2: uit Microsoft/SIAE volgt niet wáár een lidstaat een vrijstellings- of terugbetalingsmechanisme moet regelen: bij wet, krachtens de wet in lagere regelgeving, in een besluit van de stelselbeheerder, enz. Daarnaast onderscheidt het Nederlandse stelsel zich als gezegd in zoverre van het Italiaanse stelsel dat aan de orde was in Microsoft/SIAE , dat in Nederland niet alleen eindgebruikers die geen natuurlijke persoon zijn om terugbetaling kunnen verzoeken.- Subonderdeel 5.3: Imation c.s. heeft alleen de bestreden AMvB’s aangevallen. De Thuiskopie is als krachtens artikel 16d Aw met de inning en verdeling van de thuiskopievergoeding aangewezen entiteit verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van die AMvB’s, met inachtneming van het toepasselijke Unierecht. Waar dit hof heeft overwogen dat deze AMvB’s aldus richtlijnconform moeten worden uitgelegd, dat zij vrijstellings- en terugbetalingsregelingen bevatten, bedoelde het niet meer dan te oordelen dat die AMvB’s ruimte laten voor een richtlijnconforme uitleg, aldus dat De Thuiskopie ervoor moet zorgen dat op die punten in de praktijk conform de ARl wordt gehandeld.- Subonderdeel 5.4: De klacht dat het Nederlandse stelsel voor 2015 door het ontbreken van een rege Vervolgens heeft hij met betrekking tot het Nederlandse stelsel geoordeeld dat het noch voorzag in een vrijstelling voor betalingsplichtigen die kunnen aantonen dat zij de dragers leveren aan anderen dan particuliere eindgebruikers, noch in een recht op terugbetaling van ten onrechte of te veel betaalde thuiskopievergoeding dat uitsluitend toekomt aan de eindgebruiker (r.o. 3.6.1). Hij oordeelde vervolgens dat er bij deze stand van zaken geen grond is om het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding aldus uit te leggen dat de vordering op grond van artikel 6:203 BW tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding slechts kan worden ingesteld door de eindgebruiker, en niet door de betalingsplichtige (idem). Anders zou namelijk op het niveau van de betalingsplichtige het vereiste terugbetalingsmechanisme ontbreken (idem). 7.45.3 Hieruit volgt dat de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing niet heeft geoordeeld dat het Nederlandse stelsel wegens het ontbreken van een thuiskopierechtelijke vrijstelling voor leveringen aan zakelijke gebruikers in strijd is met het Unierecht, maar dat de algemene actie uit onverschuldigde betaling op grond van artikel 6:203 BW wegens dat ontbreken aldus moet worden uitgelegd dat ook de betalingsplichtige die kan instellen tegen De Thuiskopie , zodat materieel hetzelfde resultaat kan worden bereikt. 7.45.4 In dat oordeel ligt besloten dat, het gehele Nederlandse recht in aanmerking genomen, de combinatie van: (i) de specifieke thuiskopieregeling van de artikelen 16c e.v. Aw; (ii) de krachtens artikel 16c lid 6 Aw vastgestelde algemene maatregelen van bestuur; en (iii) het algemene verbintenissenrecht, waaronder de vordering uit onverschuldigde betaling, voldoet aan de eisen die het HvJ EU stelt aan een stelsel met ongedifferentieerde heffing. Dat de Hoge Raad daarbij een oordeel velde over het verbintenissenrecht, en niet over het “thuiskopierecht”, is daarom onjuist. 7.46 De Staat bestrijdt terecht dat de betrokken vrijstellings- en terugbetalingsregeling in de bestreden AMvB’s zelf had moeten worden opgenomen. 7.46.1 Artikel 288 derde alinea VWEU bepaalt immers dat een richtlijn verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch dat aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen. 7.46.2 Uit de ARl zelf volgt evenmin dat de lidstaten die gebruik willen maken van de thuiskopie -uitzondering alle elementen van het daarbij horend compensatiestelsel in één regeling moeten neerleggen. De Staat voert ook terecht aan dat het HvJ EU in zijn rechtspraak op dit punt eisen stelt aan “het stelsel” van thuiskopiecompensatie , dat formeel uit meerdere regelingen kan bestaan. 7.46.3 Gelezen in het licht van artikel 288 derde alinea VWEU moet de eis in punt 50 van het arrest Ametic , waar HP c.s. op dit punt naar verwijst, dat elke nationale “regeling” tot invoering van een compensatiestelsel moet voorzien in procedures die waarborgen dat alleen de in de thuiskopie -uitzondering bedoelde betalingsplichtigen de last van die compensatie moeten dragen, in die zin worden begrepen dat daaronder ook kan zijn begrepen een samenstel van formeel afzonderlijke regelingen. 7.47 HP c.s. heeft verder niet onderbouwd waarom een verzoek aan De Thuiskopie om op grond van artikel 6:203 BW onverschuldigde betaald thuiskopievergoedingen terug te betalen niet zou voldoen aan de in de punten 51 e.v. van het arrest Ametic geformuleerde vereisten van (i) gelijke behandeling, (ii) objectieve criteria die geen beoordelingsmarge laten aan de stelselbeheerder en (iii) toegang tot een onafhankelijke beroepsinstantie. 7.48 Uit het voorgaande volgt dat de vraag of De Thuiskopie in de periode voor 2015 wel of niet had voorzien in een adequate regeling voor vrijstelling en teruggave niet van belang is voor de vraag of de Hoge Raad de subonderdelen 5.2 tot en met 5.4 van Imation c.s. mocht verwerpen. - De gestelde overcompensatie 7.49 Imation 9.8 dat de [naam] -bedragen (€ 31, € 28 en € 23,5 miljoen) slechts “wat lager” liggen dan de bedragen die in de 2012/2015-AMvB’s besloten liggen (€ 40, € 40 en € 28 miljoen) en dat laatstgenoemde bedragen zouden beantwoorden aan de eisen die de Auteursrechtrichtlijn stelt aan de vaststelling van de billijke vergoeding. Uitgaande van de [naam] -bedragen volgens het licentiemodel (onder verwijzing naar onderdeel 2) zijn de AMvB-bedragen € 9 miljoen (22,5%) respectievelijk € 12 miljoen (30%) respectievelijk € 4,5 miljoen (16,1 %) te hoog vastgesteld. Deze verschillen zijn, hoewel weggewuifd door het hof, substantieel. Zonder nadere maar ontbrekende motivering is ook niet begrijpelijk dat hier géén sprake zou zijn van ontoelaatbare overcompensatie, aldus de klacht. (…) Subonderdeel 4.3 richt een rechtsklacht tegen de richtlijnconforme interpretatie in rov. 9.1, 9.3 jo. 9.7-.9.8 en 11.3. Richtlijnconforme interpretatie heeft betrekking op nationaal recht: dat moet zoveel mogelijk worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken. Daarvan is hier volgens de klacht geen sprake. Ook heeft het hof miskend dat het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht zich ertegen verzetten dat de 2012/2013-AMvB’s, waarin een bruto incassobedrag van € 40 miljoen als billijke compensatie voor thuiskopiëren is vastgesteld, welk bedrag in (o.a.) de Nota van toelichting van die AMvB (vrijwel) uitsluitend wordt aangemerkt als billijke compensatie voor schade door downloaden uit evident illegale bron, achteraf en met terugwerkende kracht zo kan worden uitgelegd dat deze € 40 miljoen opeens betrekking heeft op de schade door thuiskopiëren uit uitsluitend legale bron. --------------------- 39 Onder verwijzing naar het besproken arrest [ HP /Reprobel, hof], punt 84, dat zo meteen nog nader aan de orde komt.” 7.52 De Staat heeft hier, samengevat, het volgende tegenin gebracht:- Subonderdeel 4.1: dit hof heeft de rechtspraak van het HvJ EU over het “verband houden” met de schade voor de rechthebbenden correct weergegeven en toegepast. - Subonderdeel 4.2: dit hof heeft niet alleen maar geoordeeld dat de bedragen volgens het [naam] -rapport “wat lager” liggen dat de bedragen waar de AMvB’s van uitgingen, maar heeft op het betrokken punt een volledige beoordeling verricht, leidend tot richtlijnconformiteit van de betrokken vergoedingen.- Subonderdeel 4.3: dat dit hof achteraf, in het kader van de door Acer c.s. ingeleide schadevergoedingsprocedure heeft geoordeeld dat de AMvB’s richtlijnconform kunnen worden uitgelegd en zijn, betekent niet dat die AMvB’s terugwerkende kracht hebben gekregen. 7.53 HP c.s. stelt dat de Hoge Raad artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl kennelijk heeft geschonden door deze subonderdelen van het cassatiemiddel van Imation c.s. te verwerpen. Zij voert daartoe in wezen hetzelfde aan als datgene wat Imation c.s. in cassatie heeft aangevoerd. 7.54 Met de Staat is het hof van oordeel dat de Hoge Raad die bepaling op deze punten niet (kennelijk) heeft geschonden. 7.54.1 Uit het overzicht van de rechtspraak van het HvJ EU hiervoor onder 7.24 volgt dat dit hof die rechtspraak correct heeft weergegeven in r.o. 9.6 van zijn omstreden arrest. 7.54.2 Uit de beoordeling hiervoor onder 7.29.1 volgt verder dat het criterium “verband houden met de schade geleden door de rechthebbenden” dat het HvJ EU in die rechtspraak heeft ontwikkeld, geen volledig strakke correlatieverhouding inhoudt tussen de totale heffing en de daadwerkelijk door de rechthebbenden geleden schade. 7.54.3 Uit het overzicht van de rechtspraak van het HvJ EU hiervoor onder 7.24 volgt tevens dat dit hof in r.o. 9.7 van zijn omstreden arrest in verband met die correlatieverhouding terecht het volgende in aanmerking heeft genomen, dat leidt tot een brede tolerantiemarge: (i) het vaststellen van een thuiskopievergoeding is in het algemeen inherent onnauwkeurig; (ii