Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-02-11
ECLI:NL:GHDHA:2026:262
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/199 Uitspraak van 11 februari 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: I.N.D.J. Rissema) en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 20 februari 2025, nummer ROT 23/2749. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 69,10, bestaande uit € 2,60 parkeerbelasting en € 66,50 kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De griffier heeft ter zake € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 19 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2. Op 21 oktober 2022 om 17:16 uur is geconstateerd dat de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) stond geparkeerd op locatie [straat] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder: “ Kostenonderbouwing 4. Eiser voert aan dat de gemeente Rotterdam de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het jaar 2022 te hoog heeft vastgesteld in de Verordening. Volgens eiser is de berekening van de hoogte van deze kosten in strijd met artikel 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Beoordelingskader 5. In artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht. Die kosten zijn onderdeel van de naheffingsaanslag. Het bedrag ervan dient op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet in de gemeentelijke belastingverordening te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. 5.1. De bedoelde algemene maatregel van bestuur, waarin regels worden gesteld over het kostenverhaal, is het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat het bij kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting gaat om kosten die ten hoogste kunnen bestaan uit een aantal onder a tot en met f specifiek genoemde kostencomponenten voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Het gaat om geraamde kosten. 5.2. Anders dan eiser betoogt moet bij de uitleg van het criterium “samenhangen met” van artikel 2, eerste lid, van het Besluit, aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie over de toetsing van de opbrengstlimiet en moet dit criterium zo worden uitgelegd dat kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, geheel in aanmerking komen als kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Het ligt AG Pauwels heeft in de gemeenschappelijke bijlage bij zijn conclusie van 25 oktober 2024, zijn eerdere conclusie dat het kader voor het kostenverhaal betrekkelijk strak is, ook genuanceerd.[8] 5.5. De slotsom is dat de rechtbank bij de toetsing of bepaalde kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen de jurisprudentie over de toetsing van de opbrengstlimiet naar analogie toepast. Daarbij geldt, net als bij de toetsing aan de opbrengstlimiet, dat in de raming van de kosten geen kosten mee mogen worden genomen die de gemeente al anderszins verhaalt of kosten die hooguit zijdelings samenhangen met de inning van parkeerbelasting. Het kostenverhaal van de gemeente Rotterdam 6 . De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2022 een kostenoverzicht in geding gebracht. Dit overzicht is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd. Eiser heeft van een aantal van de opgevoerde kosten bestreden dat deze (voldoende) samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. 6.1. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift zoals hieronder weergegeven uiteengezet waarom de door eiser bestreden vaste- en variabele informatieverwerkingskosten en personeelskosten meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Vaste informatieverwerkingskosten (A) Telefonie publiekszaken (1 . 2): telefoniekosten naar aanleiding van opgelegde naheffingsaanslagen en info met betrekking tot de indiening en de status van bezwaren. Telefoniekosten met betrekking tot straatparkeren, zoals het aan- en afmelden van parkeertransacties. Simkaarten parkeerautomaten (1.4): simkaarten maken communicatie met het naheffingssysteem mogelijk, waardoor kan worden vastgesteld of er parkeerbelasting is voldaan. Schoonmaakwerkzaamheden (1.6.1): schoonmaken van parkeerautomaten is onderdeel van de infrastructuur waarbij invoer van een juist kenteken van belang is. Variabele informatieverwerkingskosten (B) Beheer parkeermiddelen (externe leveranciers) (3.1): de kosten van 06-providers zijn onderdeel van de infrastructuur die het betalen van parkeerbelastingen en naheffen van niet-betaalde parkeerbelasting mogelijk maakt. Personeelskosten (E) Personeelskosten : de opleidingskosten en de kosten van bedrijfskleding (uniformen) houden verband met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Stafbureau parkeervoorzieningen (6.1 B) en Salariskosten medewerkers infrastructuur (6.2, 6.3, 6.4, 6.6, 6.8, 6.11): uitsluitend personele kosten die toe te rekenen zijn aan het straatparkeren zijn meegenomen in de tariefberekening. De personeelskosten die zijn meegenomen in de berekening hebben uitsluitend betrekking op beheer en ondersteuning van de parkeervoorzieningen op straat, zoals oplossen van problemen met parkeerautomaten. Kosten die gemaakt worden voor andere parkeervoorzieningen, zoals garages en fietsparkeren zijn hierin niet meegenomen. Ook kosten van overheadfuncties zijn hierin niet meegenomen. 6.2. De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen[9] in de gegeven uitleg en overweegt dat daaruit voldoende aannemelijk is geworden dat deze posten onderdeel zijn van de infrastructuur die het naheffen van niet betaalde parkeerbelastingen mogelijk maakt en voldoende samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Perceptiekosten en kosten voor wielklem en wegslepen 7. Daarnaast heeft eiser zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat onduidelijk is waar onderdeel B.1, B.3.3 en B.3.4 van de kostenonderbouwing op zien en dat de hieronder opgevoerde kosten ook op een andere manier worden verhaald. Eiser heeft bovendien gewezen op het risico dat kosten in verband met het aanbrengen van een wielklem en het wegslepen van een auto in het kostenoverzicht zijn verwerkt terwijl die ook een eigen regeling van verhaal kennen. 7.1. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar uiteengezet dat bij de naheffing van parkeerbelasting ook andere clusters van de gemeente Rotterdam meewerken en dat deze clusters de kosten die zij hie Ter zitting heeft de heffingsambtenaar uiteengezet dat hij zowel bij de kosten als bij het aantal naheffingsaanslagen rekening houdt met omstandigheden die ertoe leiden dat een naheffingsaanslag niet wordt betaald. Onder B.2 heeft de heffingsambtenaar het risico dat een ontvanger van een naheffingsaanslag na invordering niet wil of kan betalen, als kostenpost opgenomen. Bij het bepalen van het totaal aantal naheffingsaanslagen, is de heffingsambtenaar uitgegaan van een netto aantal. Daarbij wordt onder netto verstaan: het aantal naheffingsaanslagen dat overblijft na uitval en na vermindering in bezwaar (soms uit coulance). Voorbeelden van uitval zijn naheffingsaanslagen die in eerste instantie inbaar lijken, maar waarbij dat bij nader inzien toch niet het geval blijkt, bijvoorbeeld bij voertuigen met een Moldavisch kenteken. In deze gevallen gaat de heffingsambtenaar niet tot invordering over. Verminderingen uit coulance vinden bijvoorbeeld plaats in de eerste weken na het invoeren van parkeerbelasting in nieuwe wijken, of bij het verruimen van venstertijden in een wijk. Ook voert de gemeente, in bepaalde gevallen, een coulancebeleid bij meerdere naheffingsaanslagen. Daarnaast vinden vernietigingen plaats na bezwaar, als blijkt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, bijvoorbeeld omdat sprake was van een storing van de betaalautomaat of van het abusievelijk invoeren van een onjuist kenteken. 8.3. De rechtbank acht dit een aanvaardbare methode. De heffingsambtenaar mocht rekening houden met omstandigheden die ertoe leiden dat een naheffingsaanslag niet wordt betaald. Dat de heffingsambtenaar zowel bij de kosten als bij het aantal naheffingsaanslagen met deze omstandigheden rekening heeft gehouden, is geen beletsel, omdat de heffingsambtenaar iedere omstandigheid maar één keer heeft meegenomen. Er is dus geen sprake van een dubbeltelling. Conclusie 9. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar de kosten van de naheffing in rekening mocht brengen zoals hij heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet. (…) [5] ECLI:NL:PHR:2024:1116. Zie onder 5.3 en 8.3 uit deze bijlage. [6] Zie bijvoorbeeld HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, r.o. 3.3.6. [7] Stb . 2019, 46, p. 8. [8] ECLI:NL:PHR:2024:1116, par. 8.33. [9] Zie ook de eerdere uitspraken van deze rechtbank hierover van 15 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8800, r.o. 2.3, en van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10381, r.o. 4.1 t/m 4.3. [10] ECLI:NL:GHAMS:2024:1370. [11] Bijvoorbeeld HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4849 en HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7345. [12] ECLI:NL:PHR:2024:1116, par. 8.37-8.43. [13] Vgl. Kamerstukken I 1989/90, 19405, nr. 119b (MvA), p. 2.” G eschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de ter zake van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag in rekening gebrachte kosten te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om proceskostenvergoeding. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep “Kosten naheffingsaanslag 5.1. Niet in geschil is dat belanghebbende op het moment van de controle niet beschikte over een geldige parkeervergunning en geen parkeerbelasting had voldaan voor het parkeren van zijn auto in een gebied waarin alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. 5.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de tariefbepaling in de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 (de Verordening) onverbindend dan wel partieel onverbindend is, omdat de kostenraming die daaraan t Gerechtshof Amsterdam 21 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1370, r.o. 4.2.2 en 4.2.3 en Conclusie A-G Pauwels 25 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1116, punt 8.17). Deze uitleg is in overeenstemming met de jurisprudentie over de opbrengstnorm in artikel 229b van de Gemeentewet (Hoge Raad 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016 en ECLI:NL:HR:2019:1020). Deze uitleg brengt bovendien mee, dat ingeval de kosten voor tenminste 10% samenhangen, ze volledig mogen worden toegerekend (Hoge Raad 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, en Hoge Raad 31 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2710). Slechts de kosten die geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen, alsmede de kosten die reeds op andere wijze worden verhaald, mogen niet worden toegerekend. Anders dan belanghebbende heeft bepleit, geeft de formulering “voor zover” in artikel 2, lid 1 van het Besluit geen aanleiding om de mogelijkheid van kostenverhaal beperkter uit te leggen. Dat zou indruisen tegen de kennelijk door de besluitgever beoogde zekerstelling van de ruime mogelijkheid tot kostenverhaal door de wijziging van het Besluit per 1 juli 2019. 5.8. Gelet op deze uitgangspunten en de toelichting door de Heffingsambtenaar voldoet de kostenraming aan de gestelde eisen. De betwiste posten houden namelijk meer dan slechts zijdelings verband met het opleggen van naheffingsaanslagen, zodat ze volledig mogen worden toegerekend. Hetgeen belanghebbende hier tegenin heeft gebracht, is onvoldoende om anders te oordelen. 5.9. Belanghebbende stelt dat oninbare naheffingsaanslagen ten onrechte tot de kosten zijn gerekend. Anders dan belanghebbende betoogt is de raming van de kosten en baten in overeenstemming met het doel en de strekking van de regeling tot kostenverhaal in het Besluit. Weliswaar is hierin niet opgenomen dat deze kosten mogen worden toegerekend, maar gelet op de bedoeling van de regelgever om de gemeente een ruime kostenverhaalsmogelijkheid te bieden en de uitleg van deze regeling in overeenstemming met de jurisprudentie over de opbrengstnorm mag met niet op te leggen en oninbare naheffingsaanslagen rekening worden gehouden bij de kostenraming. Hoewel het zuiverder was geweest om ook voor wat betreft het geraamde aantal naheffingsaanslagen dat vervolgens niet wordt betaald met de factor ‘oninbaarheid’ rekening te houden in de deler, is het resultaat in dit geval hetzelfde. Derhalve is de kostenraming op dit punt niet in strijd met de regelgeving (vgl. Hoge Raad 6 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4849, Hoge Raad 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7345 en conclusie A-G Pauwels ECLI:NL:PHR:2024:1116, punt 8.37-8.42). 5.10. Het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Hetgeen in dat arrest is geoordeeld ten aanzien van de samenhang van de specifieke kostenposten in de gemeente Den Haag heeft ook te gelden voor de door de gemeente Rotterdam opgevoerde kostenposten. Ook wat betreft de raming van het aantal naheffingsaanslagen, heeft in lijn met het arrest van 23 januari 2026 te gelden dat de Heffingsambtenaar daarbij slechts rekening hoefde te houden met de inbare naheffingsaanslagen. 5.11. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout. De griffier, de voorzitter, T. van Hout L.D.M.A. Reijs De beslissing is op 11 februari 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepa