Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-03-10
ECLI:NL:GHDHA:2026:261
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.338.009 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/625610/ HA ZA 22-194 Arrest van 10 maart 2026 in de zaak van 1 Universitair Medisch Centrum Utrecht, 2. Universiteit Utrecht, beide zetelend te Utrecht, appellanten, advocaat: mr. R.J. Kwaak, kantoorhoudend te Zwolle, tegen [naam 2] B.V. , gevestigd te Rijswijk, geïntimeerde, advocaat: mr. S.J.H. Rutten, kantoorhoudend te Amsterdam. Het hof noemt appellanten hierna gezamenlijk UMC c.s. (in enkelvoud) en ieder afzonderlijk UU en UMC, en geïntimeerde BVE. 1 De zaak in het kort 1.1 UMC c.s. heeft BVE opdracht gegeven voor de nieuwbouw van een universiteitsgebouw in Utrecht. Het gebouw is in 2005 opgeleverd. In het gebouw is een bepaald type vloeren (zogenoemde bollenplaatvloeren) toegepast. In 2017 is een aantal soortgelijke vloeren in een parkeergarage in Eindhoven bezweken. Naar aanleiding daarvan zijn vragen gerezen over de veiligheid van deze vloeren, en zijn algemene regels opgesteld voor de rekenkundige beoordeling daarvan. Volgens UMC c.s. vertoonde het gebouw een verborgen gebrek omdat de vloeren niet voldeden aan het veiligheidsniveau dat deze regels voorschrijven. UMC c.s. heeft herstelmaatregelen laten uitvoeren en wil de kosten daarvan op BVE verhalen. BVE betwist dat de vloeren een gebrek vertoonden. 1.2 De rechtbank heeft de vorderingen van UMC c.s. afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank had UMC c.s. een proefbelasting van de vloeren moeten uitvoeren voordat zij overging tot herstelmaatregelen. UMC c.s. heeft hoger beroep ingesteld. Het hof acht een deskundigenonderzoek noodzakelijk voor een beslissing. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 13 februari 2024, waarmee UMC c.s. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 november 2023; de memorie van grieven van UMC c.s., met producties; de memorie van antwoord van BVE, met producties; de producties die UMC c.s. en BVE ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd. 2.2 Op 11 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 UMC c.s. heeft BVE opdracht gegeven voor de nieuwbouw van het Hijmans van den Berghgebouw (hierna: het gebouw) in Utrecht. De afspraken zijn vastgelegd in een aannemingsovereenkomst van 2 december 2003 (hierna: de aannemingsovereenkomst). Op de aannemingsovereenkomst zijn van toepassing de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV 1989). Van de aannemingsovereenkomst maakt een bestek deel uit. Het gebouw is in 2005 opgeleverd en door UMC c.s. in gebruik genomen. In het gebouw zijn zogenoemde bollenplaatvloeren (breedplaatvloeren met gewichtsbesparende kunststof bollen) toegepast. 3.2 Op 27 mei 2017 is een aantal breedplaatvloeren in de parkeergarage bij vliegveld Eindhoven bezweken. Uit onderzoek van Adviesbureau ir. J.G. Hageman (hierna: Hageman) en TNO bleek dat breedplaatvloeren in bepaalde gevallen onveilig kunnen zijn. Om te kunnen beoordelen of bestaande gebouwen met deze vloeren voldoende veilig zijn, heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: het ministerie) aan Hageman opdracht gegeven rekenregels op te stellen. Vooruitlopend op de vaststelling van deze rekenregels heeft Hageman voor de tussenliggende periode (totdat de rekenregels golden) het ‘Stappenplan 2017’ opgesteld. Daarmee konden alle eigenaren van gebouwen waarin sinds 1999 dergelijke vloeren zijn toegepast (laten) beoordelen of sprake zou kunnen zijn van een onveilige situatie in het desbetreffende gebouw. 3.3 Het Stappenplan 2017 voorzag in een aantal te toetsen aspecten en te beantwoorden vragen over de toegepaste breedplaatvloeren om te (…) b) Welke tijdslijnen hebben we voor eventuele versterkingen? Handhaving van de bestaande situatie (met de daarbij behorende beperkingen) is voor korte tijd aanvaardbaar, maar op lange termijn niet toegestaan. De exacte toegestane termijn is niet nader omschreven en hiervoor bestaat ook geen algemeen aanvaarde periode. Hierover dient overleg gevoerd te worden met de toezichthoudende instantie, de gemeente Utrecht. c) Kunnen we de versterkingen wellicht uitstellen door de vloeren te stutten? Welke impact heeft dat? Het korte antwoord is: Ja, de versterkingen zijn uit te stellen door de vloeren te stempelen. (…) Hierbij plaatsen wij de volgende kanttekeningen: - (…) Naar eerste inschatting gaat het om tientallen stempels per vloer. Het vergt aanzienlijke inspanning om aan te tonen dat met een stempelplan de constructieve veiligheid op langere termijn gewaarborgd is. In wezen is dit een nieuwe constructieve opzet van de vloeren, die (…) moet worden geanalyseerd. - (…) Afgezien van deze kanttekeningen, blijft het een mogelijkheid om verkennend onderzoek te verrichten naar een stempelplan. In eerste instantie kan op basis van een conservatieve inschatting van de maximale vloeroverspanningen worden bepaald of onlogische plaatsing van de stempels voorkomen kan worden. d) Wat is in huidige situatie de maximaal toelaatbare belasting op de vloeren? (…) Conclusie Het niet verhogen van de aanwezige belastingen is praktisch te vertalen in een maximaal toelaatbare belasting op de vloeren van 240 kg/m2 . Dat geldt voor alle kantoor en onderwijs vloeren. (…) Ter vergelijking: voor een nieuw kantoor- en onderwijsgebouw is de norm dat gerekend wordt met een belasting van 250 kg/m2. Hieruit volgt dat normaal kantoor en onderwijs gebruik nog steeds is toegestaan. Hieronder valt dus ook een afdelingsoverleg en dergelijke. Grotere bijeenkomsten, zoals een afscheidsreceptie, waarbij relatief veel mensen op elkaar staan en vrij kunnen rondlopen (dynamische belasting) wordt niet aanbevolen op de verdiepingsvloeren. Dit kan bijvoorbeeld wel op de begane grond. Resume Het HvdB-gebouw voldoet op dit moment niet aan het vereiste veiligheidsniveau van het bouwbesluit. Voor korte termijn is een vloerbelasting van 240 kg/m2 acceptabel, maar exacte termijnstelling dient overlegd te worden met gemeente Utrecht. ” 3.8 In de notitie 2020 is sprake van CC2- en CC3-gebouwen. CC1, CC2 en CC3 zijn ‘gevolgklassen’ van gebouwen. In NEN-EN 1990 worden de volgende definities van deze ‘gevolgklassen’ gehanteerd, en (onder meer) de volgende voorbeelden genoemd (tabel NB.23 - B1 - Definitie van gevolgklassen en tabel NB.24 - B1 – Voorbeelden van toepassingen gevolgklassen voor bouwwerken): Gevolgklasse Omschrijving Voorbeelden CC1 Geringe gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, kleine of verwaarloosbare economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving Gebouwen voor de landbouw waar mensen normaal niet verblijven (bijv. opslagschuren, tuinbouwkassen) CC2 Middelmatige gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, aanzienlijke economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving Voor zover niet opgenomen in CC1 of CC3: woongebouwen, hotels en kantoorgebouwen, onderwijsgebouwen, winkels CC3 Grote gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, zeer grote economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving Bouwwerken met de bestemming publieksfunctie (bijv. onderwijsgebouwen, stadions, concerthallen, tribunes), waarbij in geval van bezwijken meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen 3.9 UMC c.s. heeft het rapport 2017, het rapport 2019 en het rapport van het hiervoor vermelde destructieve onderzoek gedeeld met de gemeente Utrecht (hierna: de gemeente). De gemeente, UMC c.s. en ABT hebben op 26 oktober 2020 overlegd. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente UMC c.s. bij brief van 16 december 2020 bevestigd dat op 16 november 2020 telefonisch met UMC c.s. is afgesproken dat de vloeren uiterlijk 1 januari 2023 3.14 In een notitie van 1 november 2022 hebben TNO en Hageman, naar aanleiding van een onderzoek van TNO in april 2022, een revisie van het Stappenplan 2019 opgesteld (hierna: het Stappenplan 2022). Volgens het Stappenplan 2022 zijn CC2-gebouwen veilig als voldaan is aan een aantal voorwaarden. Een rekenkundige beoordeling is dan niet meer nodig. Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende twee voorwaarden van belang: de tralieliggers in het gebouw zijn zogenoemde 3D-tralieliggers, en de (verdiepings)vloeren in het gebouw hebben een overspanning die niet groter is dan 8,5 m. 3.15 In een aanvullend rapport van 14 november 2022 is TNO ingegaan op enkele aspecten die niet aan de orde zijn gekomen in het Stappenplan 2022 maar wel van belang zijn bij de toepassing van dat Stappenplan. Een van deze aspecten betreft de invloed van 2D-tralieliggers. Ten aanzien daarvan stelt TNO het volgende in het aanvullend rapport (p. 16): “ Er zijn extra analyses uitgevoerd voor het geval er 2D tralieliggers zijn toegepast. Dit betreft vooral de periode 2000-2005. De resultaten zijn vergelijkbaar met de resultaten in het TNO rapport TNO 2022 R10122. ” 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 UMC c.s. heeft BVE gedagvaard en gevorderd voor recht te verklaren dat BVE aansprakelijk is voor de schade die UMC c.s. lijdt als gevolg van de gebreken in de vloeren van het gebouw, en BVE te veroordelen tot vergoeding van die schade nader op te maken bij staat, met veroordeling van BVE in de proceskosten. 4.2 BVE heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van UMC c.s. althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van UMC c.s. in de proceskosten. 4.3 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en UMC c.s. veroordeeld in de proceskosten. De overwegingen van de rechtbank kunnen als volgt worden samengevat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft UMC c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gebrek. Uit de door ABT verrichte rekenkundige beoordeling aan de hand van het Stappenplan 2019 volgt dat de vloeren deels niet voldeden aan de constructieve veiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit. Het Stappenplan 2019 noemt het uitvoeren van een proefbelasting als een alternatief voor het nemen van maatregelen. Dat de vloeren op basis van de rekenkundige beoordeling niet voldoen aan de eisen, leidt dus niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van een (ernstig) gebrek. De nieuwe inzichten die volgen uit het Stappenplan 2022 duiden erop dat in de praktijk veel minder problemen worden ervaren met breedplaatvloeren dan op grond van de rekenkundige beoordeling conform het Stappenplan 2019 kon worden verwacht. ABT stelt weliswaar dat de nieuwe inzichten uit het Stappenplan 2022 alleen gebruikt mogen worden als 3D-tralieliggers zijn gebruikt, maar uit het aanvullende rapport van TNO 14 november 2022 blijkt dat de betrouwbaarheid van vloeren met 2D-tralieliggers vergelijkbaar is met die van vloeren met 3D-tralieliggers. Aan de stelling van UMC c.s. dat de overspanningseisen uit het Stappenplan 2022 niet kunnen worden toegepast vanwege afwijkende overspanningen, wordt voorbijgegaan omdat UMC c.s. niet heeft betwist dat geen grotere overspanningen zijn toegepast dan 8,5 m. Het had in de rede gelegen om na de rekenkundige beoordeling conform het Stappenplan 2019 een proefbelasting uit te voeren, niet alleen omdat het Stappenplan 2019 daarin voorzag, maar ook omdat geen sprake was van scheurvorming of hoogteverschillen tussen de platen en zowel ABT als de gemeente van mening waren dat de situatie in oktober 2020 niet urgent was. Er was dus voldoende tijd voor het uitvoeren van een proefbelasting. De conclusies uit het Stappenplan 2022 en de aanvullende rapportage van TNO van 14 november 2022 bevestigen dat een proefbelasting aangewezen was. In deze omstandigheden kan UMC c.s. zich er niet op beroepen dat zij geen andere keuze had dan de vloeren te laten herstellen omdat de gemeente haar had opgedragen vóór 1 januari 2023 voo De rechtbank heeft dit verweer verworpen in rechtsoverweging 3.2 van het bestreden vonnis. BVE stelt in 3.1 van de memorie van antwoord dat zij alle verweren die zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, handhaaft. Voor zover BVE daarmee heeft bedoeld de ontvankelijkheid van UMC in haar vordering opnieuw aan de orde te stellen, overweegt het hof het volgende. 6.3 De rechtbank heeft het ontvankelijkheidsverweer van BVE verworpen onder verwijzing naar de leveringsakte van 25 mei 2005, die UMC c.s. in eerste aanleg als productie 19 heeft overgelegd. Uit deze akte volgt dat UMC en UU het gebouw voor gezamenlijke rekening en risico hebben gerealiseerd. Bij de akte hebben zij over en weer de onverdeelde helft van de grond met het daarop in aanbouw zijnde gebouw aan elkaar overgedragen. Met deze overdracht zijn de aanspraken die UU kan doen gelden jegens BVE op grond van de aannemingsovereenkomst voor de helft als kwalitatieve rechten in de zin van artikel 6:251 BW overgegaan op UMC. BVE heeft dat in hoger beroep niet bestreden. Het hof sluit zich dus aan bij het oordeel van de rechtbank dat (ook) UMC in haar vordering kan worden ontvangen. Het gaat (niet) om een verborgen gebrek 6.4 Voor het geval het hof tot de conclusie zou komen dat de vloeren van het gebouw een gebrek vertonen, stelt BVE dat het geen verborgen gebrek is. Dat is van belang omdat de aannemer op grond van paragraaf 12 lid 1 UAV 1989 na de oplevering niet langer aansprakelijk is voor tekortkomingen aan het werk, en artikel 12 lid 2 onder b UAV 1989 daar een uitzondering op maakt voor verborgen gebreken. BVE beroept zich op paragraaf 12 lid 3 UAV 1989. Volgens deze bepaling is een gebrek alleen verborgen als het “ ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering dan wel bij de opneming van het werk, bedoeld in paragraaf 9, tweede lid, door de directie redelijkerwijs niet onderkend had kunnen worden ”. BVE stelt dat UMC c.s., dan wel de door haar ingeschakelde adviseur ABT, het gebrek had kunnen onderkennen bij de controle van de tekeningen en berekeningen van BVE, en een mogelijk gebrek dus niet ‘verborgen’ was. 6.5 In het bestek is een aantal aanvullingen en uitzonderingen op de UAV 1989 opgenomen. Volgens de volgorde van geldigheid, vastgelegd in besteksregel 01.02.02.91, gaat het bestek vóór de UAV 1989. UMC c.s. verweert zich met een beroep op besteksregel 01.02.12.92, waarin onder verwijzing naar paragraaf 12 lid 3 UAV 1989 is bepaald dat “ onder verborgen gebrek mede wordt verstaan, materialen en/of constructies welke niet beantwoorden aan de redelijkerwijs hieraan te stellen eisen voor zover de toepassing van deze materialen en/of constructies vallen onder de verantwoordelijkheid van de aannemer ”. Volgens UMC c.s. zijn de vloeren te beschouwen als constructies in de zin van deze bepaling en is daarmee het wel of niet feitelijk ‘verborgen’ zijn van het gebrek niet meer aan de orde. 6.6 Het hof volgt UMC c.s. in dit verweer. Naar het oordeel van het hof zijn de vloeren een constructie in de zin van paragraaf 12 lid 3 UAV 1989, waarvoor BVE op grond van deze paragraaf de verantwoordelijkheid draagt. Een eventueel gebrek in de vloeren dient dus gelijk te worden gesteld met een verborgen gebrek waarvoor BVE na de oplevering van het gebouw aansprakelijk kan zijn. Daarvoor is niet van belang of UMC c.s. of haar adviseur het gebrek had kunnen onderkennen bij toezicht op de uitvoering van het werk. Kan BVE een beroep doen op de vervaltermijn van vijf jaar voor verborgen gebreken? 6.7 BVE heeft een beroep gedaan op de vervaltermijn voor verborgen gebreken van vijf jaar na de oplevering van het gebouw opgenomen in paragraaf 12 lid 4 UAV 1989. Het bestek bevat twee ogenschijnlijk tegenstrijdige bepalingen ten aanzien van deze vervaltermijn: besteksregel 01.02.12.92 bepaalt dat de vervaltermijn van paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 niet van toepassing is als het gebrek te wijten is aan opzet of aan opzet grenzende grove schuld van de aannemer, terwijl besteksregel 01.02.12.93 b 6.11 Volgens BVE gelden in het geval van een verborgen, ernstig gebrek zowel de vervaltermijn voor verborgen gebreken als de aansprakelijkheidstermijn voor ernstige gebreken. Als geen beroep kan worden gedaan op de vervaltermijn voor verborgen gebreken, dan blijft de mogelijkheid bestaan om een beroep te doen op de aansprakelijkheidstermijn voor ernstige gebreken. BVE beroept zich in dit verband op de regel in paragraaf 2 lid 4 sub c UAV 1989 dat een bijzondere regeling vóór een algemene regeling gaat. Als de vervaltermijn voor verborgen gebreken niet van toepassing is, dan is de aansprakelijkheidstermijn voor ernstige gebreken de bijzondere regeling en heeft deze voorrang. Volgens UMC c.s. moet voor beide uitzonderingen op de regel van paragraaf 12 lid 1 UAV 1989 dat de aannemer na oplevering niet langer aansprakelijk is - de uitzondering voor verborgen gebreken en de uitzondering voor ernstige gebreken - afzonderlijk worden bezien of de verval- of aansprakelijkheidstermijn verbonden aan die uitzondering, verstreken is. UMC c.s. beroept zich in dit geval op de uitzondering voor verborgen gebreken. Daarvoor geldt geen vervaltermijn omdat partijen die hebben uitgesloten. 6.12 Naar het oordeel van het hof biedt paragraaf 2 lid 4 sub c UAV 1989 niet de oplossing. De beide uitzonderingen op de uitsluiting van aansprakelijkheid na oplevering in paragraaf 12 lid 2 UAV 1989 zijn gelijkwaardig, althans er is niets dat erop wijst dat de uitzondering voor ernstige gebreken een bijzondere regeling is, die voorrang heeft boven een algemene regeling voor verborgen gebreken. Dat wordt niet anders als de vervaltermijn voor aansprakelijkheid voor verborgen gebreken is komen te vervallen. Het hof is met UMC c.s. van oordeel dat uitgegaan moet worden van de termijn die van toepassing is op het gebrek dat aan de ingestelde vordering ten grondslag is gelegd. Dat betekent dat bij een vordering op grond van een verborgen gebrek uitgegaan moet worden van de vervaltermijn voor aansprakelijkheid voor verborgen gebreken. In het systeem van de UAV 1989, met verschillende regelingen voor verval en verjaring van vorderingen op grond van verborgen, respectievelijk ernstige gebreken, leidt de benadering voorgestaan door BVE, waarbij de aannemer tegenover een vordering op de ene grondslag ook de verval- of aansprakelijkheidstermijn van toepassing op de vordering op de andere grondslag zou kunnen inroepen, tot onredelijke uitkomsten. In dat geval zou in een situatie waarin een gebouw zeven jaar na oplevering instort, de aannemer zich tegenover een vordering van de opdrachtgever op grond van een ernstig gebrek kunnen beroepen op de vervaltermijn van vijf jaar voor verborgen gebreken. Dat is duidelijk niet wat paragraaf 12 lid 2 UAV 1989 beoogt. De bedoeling van deze bepaling is juist om de termijn voor aansprakelijkstelling in het geval van ernstige gebreken tot 10 jaar te verlengen. De conclusie moet dan ook zijn dat BVE zich in het systeem van de UAV alleen kan beroepen op de verval- of aansprakelijkheidstermijn die geldt voor het type gebreken op grond waarvan zij wordt aangesproken. Dat is in dit geval de vervaltermijn voor verborgen gebreken, die partijen hebben uitgesloten. Verder kan ervan worden uitgegaan dat als partijen overeenkomen dat voor de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken geen vervaltermijn geldt, zij hebben beoogd om de aansprakelijkheid voor álle verborgen gebreken niet in tijd te beperken; zowel voor de niet-ernstige als voor de ernstige verborgen gebreken. Een andere uitleg zou tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat BVE altijd aansprakelijk zou blijven voor niet-ernstige verborgen gebreken, maar voor ernstige verborgen gebreken na 10 jaar van aansprakelijkheid zou zijn ontheven. Dat kan niet de bedoeling van partijen zijn geweest. Heeft UMC c.s. tijdig geklaagd? 6.13 Voor het geval zou worden geoordeeld dat de verval- en aansprakelijkheidstermijnen voor verborgen en ernstige gebreken niet zijn verstreken, beroept BVE zich op ar verwijst naar besteksregel 21.40.10-b onder 02, waar staat dat de aannemer de wapening moet aanbrengen in de druklaag van de BubbleDeck vloeren, volgens tekeningen en berekeningen van de aannemer. Het is de keuze van BVE geweest om voor deze tekeningen en berekeningen BubbleDeck in te schakelen. Op grond van artikel 6:76 BW is BVE aansprakelijk voor fouten van BubbleDeck. De controle van tekeningen en berekeningen door de directie is beperkt tot een controle op het hanteren van de juiste uitgangspunten uit het bestek door de aannemer. De directie controleert niet of tekeningen en berekeningen juist zijn (vgl. besteksregel 23.00.39.90, waarin staat dat de directie het verlangde tekenwerk beoordeelt op de juiste overname van ontwerpprincipes en het rekenwerk controleert op correcte toepassing van (ontwerp)uitgangspunten). UMC c.s. merkt ten slotte op dat op grond van besteksregels 01.05.10.02 en 01.05.10.04 de aannemer ook na goedkeuring door de directie verantwoordelijk blijft voor de door hem gemaakte tekeningen en berekeningen. 6.18 Het hof overweegt als volgt. Op grond van paragraaf 5 lid 4 UAV 1989 is de opdrachtgever aansprakelijk voor de functionele ongeschiktheid van bouwstoffen die bij een door hem voorgeschreven leverancier moeten worden betrokken. Artikel 7:760 BW bevat een soortgelijke regeling. Deze regeling kan aansprakelijkheid van BVE echter niet uitsluiten, omdat het niet de BubbleDeck vloerplaten als zodanig zijn die mogelijk een gebrek vertonen, maar de aansluitingen tussen deze vloerplaten. Vooralsnog gaat het hof ervan uit dat de detailtekeningen voor deze aansluitingen door BubbleDeck op verzoek van BVE speciaal voor het gebouw zijn gemaakt, en daarom niet gezien kunnen worden als verwerkings- of montagevoorschriften in de zin van besteksregels 01.01.10.90 en 01.01.10.91 waarvoor BVE niet aansprakelijk kan worden gehouden. 6.19 Als de detailtekeningen voor de aansluitingen tussen de vloerplaten op verzoek van BVE door BubbleDeck speciaal voor het gebouw zijn gemaakt, moet BubbleDeck worden gezien als hulppersoon van BVE waarvoor BVE in beginsel aansprakelijk is, op grond van paragraaf 6 lid 26 UAV 1989 en artikel 7:751 BW (deze specifieke bepalingen vormen een uitwerking van de algemene regeling van artikel 6:76 BW). Paragraaf 6 lid 27 UAV 1989 beperkt de omvang van de aansprakelijkheid van BVE ten opzichte van UMC c.s. in dat geval tot de aansprakelijkheid van BubbleDeck jegens BVE, maar deze regel geldt slechts als UMC c.s. BVE heeft verplicht om BubbleDeck de detailtekeningen voor de aansluitingen tussen de vloerplaten te laten maken, en dat volgt niet zonder meer uit het bestek. Daarin staat niet meer dan dat BVE vloeren van BubbleDeck moet toepassen (en de verwerkings- en montagevoorschriften van BubbleDeck moet volgen, maar het hof gaat er zoals hiervoor overwogen vooralsnog vanuit dat de detailtekeningen voor de aansluitingen tussen de vloerplaten niet als verwerkings- of montagevoorschriften in de zin van het bestek kunnen worden gezien). 6.20 De voorlopige conclusie van het hof is dat ook dit verweer van BVE faalt. Het hof zal echter aan de te benoemen deskundige de vraag voorleggen of het juist is dat de detailtekeningen van de aansluitingen tussen de vloerplaten geen verwerkings- of montagevoorschriften van de BubbleDeckvloeren zijn, maar op verzoek van BVE door BubbleDeck zijn gemaakt. Kan een tekortkoming aan BVE worden toegerekend? 6.21 Voor het geval de eerder genoemde verweren worden verworpen, doet BVE een beroep op overmacht. Zij stelt dat UMC c.s. feitelijk heeft erkend dat het gebrek niet te wijten is aan haar schuld door te betogen dat het schuldvereiste van paragraaf 12 lid 2 UAV 1989 in besteksregel 01.02.12.90 buiten toepassing is verklaard, en dat zij hoe dan ook geen schuld draagt aan het gebrek omdat zij de vloeren heeft aangelegd conform de destijds bestaande ‘stand der techniek’. Het ontwerp voor het gebouw met daarin de toepassing van de breedplaatvloeren van BubbleDeck is gema Is sprake van een gebrek? 6.26 Volgens het Stappenplan 2022 kan ervan worden uitgegaan dat CC2-gebouwen veilig zijn als is voldaan aan een aantal voorwaarden. Partijen verschillen van mening over de vraag of het gebouw een CC2-gebouw is. Verder verschillen partijen van mening over de vraag of aan twee voorwaarden van het Stappenplan 2022 is voldaan: de tralieliggers in het gebouw zijn 3D-tralieliggers, en de (verdiepings)vloeren in het gebouw hebben een overspanning die niet groter is dan 8,5 m. 6.27 Als het gebouw niet op grond van het Stappenplan 2022 als veilig kan worden aangemerkt, moet de veiligheid van het gebouw volgens UMC c.s. worden beoordeeld aan de hand van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019. Die rekenkundige beoordeling heeft volgens UMC c.s. uitgewezen dat de aansluitingen tussen de vloerplaten niet veilig waren en niet voldeden aan NEN 8700 (de wettelijke eis voor minimale veiligheid uit het Bouwbesluit voor bestaande bouw) en de eisen voor nieuwbouw uit het Bouwbesluit 2003. Daarmee was naar de mening van UMC c.s. sprake van een gebrek in de vloeren en was herstel noodzakelijk. Proefbelasten was niet aan de orde omdat NEN 8700 ruim werd overschreden. Overigens konden de vloeren een proefbelasting niet aan, en als een proefbelasting al mogelijk was, had BVE die moeten uitvoeren. 6.28 BVE betwist dat de aansluitingen tussen de vloerplaten een gebrek vertoonden als zij niet op grond van het Stappenplan 2022 als veilig konden worden aangemerkt. De constructeur van de leverancier van de vloeren (BubbleDeck) heeft gewerkt met de in 2005 geldende rekenregels voor beton vastgelegd in NEN 6720 en de aanvullende regels uit CUR-Aanbeveling 86 “Bollenplaatvloeren”. Het gebouw voldeed daarmee aan de in 2005 algemeen geldende basiseisen (NEN 6700). Als er overeenkomstig de toenmalige normen en voorschriften van het Bouwbesluit is gewerkt, wordt de constructie geacht veilig te zijn (“ deemed to satisfy ” principe). Daarbij is ook van belang dat het gebouw sinds 2005 heeft gefunctioneerd zonder dat zich problemen in de vloeren hebben voorgedaan. Verder voert BVE aan dat UMC c.s. ten minste een proefbelasting had moeten uitvoeren. Het enkele feit dat de aansluitingen tussen de vloerplaten niet voldeden aan de rekenregels van het Stappenplan 2019 brengt immers niet automatisch mee dat niet werd voldaan aan het Bouwbesluit 2003. Een nadere risicoanalyse is zinvol, ook als sprake is van een niet-geringe overschrijding van NEN 8700. De risico’s van een proefbelasting hadden door het treffen van voorzieningen en het opstellen van een protocol aanzienlijk kunnen worden beperkt. Het uitvoeren van een proefbelasting had door UMC c.s. moeten worden gedaan. 6.29 De uiteenzettingen van de deskundigen van partijen (ABT en Van Rossum Raadgevende Ingenieurs B.V, hierna: Van Rossum ) geven geen (sluitend) antwoord op alle vragen en bovendien zijn deze deskundigen niet onafhankelijk. Voor ABT geldt bovendien dat zij een eigen belang heeft bij de uitkomst, gelet op het feit dat BVE haar aansprakelijk houdt voor het geval BVE aansprakelijk is jegens UMC c.s. Het hof kan daarom geen oordeel geven over deze geschilpunten zonder nadere inbreng van een onafhankelijke deskundige. Het hof zou aan deze deskundige een aantal vragen willen voorleggen, die het hof hierna zal uitwerken. CC2-gebouw 6.30 BVE stelt dat UMC c.s. in de inleidende dagvaarding heeft erkend dat sprake is van een CC2-gebouw en dat UMC c.s. op grond van artikel 154 Rv niet kan terugkomen op deze gerechtelijke erkenning. UMC c.s. heeft het volgende gesteld in randnummer 60 van de inleidende dagvaarding: “ Ten overvloede merkt UMCU nog op dat nergens in het Stappenplan [bedoeld is het Stappenplan 2019, toevoeging hof] is opgenomen dat dat Stappenplan alleen relevant c.q. geldig zou zijn voor CC3-gebouwen. Om praktische redenen is in dit Stappenplan gesuggereerd om het toetsen eerst te beperken tot CC3-gebouwen hetgeen de Minister heeft overgenomen. Dat neemt niet we Is het juist dat vloeren met 2D-tralieliggers in beginsel even veilig zijn als vloeren met 3D-tralieliggers? Zo ja, is er dan nog een reden om vast te houden aan de voorwaarde van het Stappenplan 2022 dat 3D-tralieliggers zijn gebruikt, en de veiligheid van vloeren waarin 2D-tralieliggers zijn gebruikt, te onderzoeken aan de hand van de rekenkundige beoordeling conform het Stappenplan 2019? Overspanningen 6.38 UMC c.s. betoogt dat de voorwaarden van het Stappenplan 2022 zijn ontworpen voor reguliere rechthoekige gebouwen. Bij gebouwen die in vorm of problematiek afwijken van een regulier rechthoekig gebouw kunnen deze voorwaarden volgens UMC c.s. niet zonder meer worden toegepast. Het gebouw is geen regulier rechthoekig gebouw. Daarom kan niet op grond van de enkele omstandigheid dat de overspanningen in de vloeren kleiner zijn dan 8,5 m, geconcludeerd worden dat de aansluitingen tussen de vloerplaten constructief veilig zijn. Bovendien zijn er volgens UMC c.s. op bepaalde plaatsen in het gebouw overspanningen van meer dan 8,5 m. 6.39 BVE stelt dat als er al twijfels zouden zijn met betrekking tot deze voorwaarde van het Stappenplan 2022, die twijfels alleen betrekking kunnen hebben op de aansluitingen tussen de vloerplaten rondom de vides. Voor die aansluitingen zal volgens BVE met constructief inzicht beoordeeld moeten worden of de herverdeling van krachten waar in het Stappenplan 2022 vanuit is gegaan, mogelijk is. Verder betwist BVE dat er plaatselijk overspanningen zijn van meer dan 8,5 m, afgezien van één situatie op de tweede verdieping. Uit de nadere analyse van Van Rossum volgt echter dat de constructie ook hier voldoende capaciteit heeft (vgl. de spreekaantekeningen van de advocaat van BVE in hoger beroep, 3.28). 6.40 Het hof heeft de volgende vragen voor de deskundige: III. Is het juist dat de geometrie van het gebouw zodanig afwijkt van de uitgangspunten van het Stappenplan 2022 dat deze voorwaarde (de overspanningen in de vloeren zijn kleiner dan 8,5 m) niet zonder meer op het gebouw kan worden toegepast? Op hoeveel plaatsen in de vloeren in het gebouw zijn er overspanningen van meer dan 8,5 m? Is de geometrie van het gebouw zodanig afwijkend en/of zijn er zoveel overspanningen van meer dan 8,5 m, dat niet op grond van het Stappenplan 2022 kan worden aangenomen dat de aansluitingen tussen de vloerplaten veilig zijn? Niet voldaan aan de voorwaarden van het Stappenplan 2022 6.41 Partijen verschillen ook van mening over wat er moet gebeuren als niet op grond van het Stappenplan 2022 kan worden aangenomen dat de aansluitingen tussen de vloerplaten van het gebouw veilig zijn. Volgens UMC c.s. moet in dat geval de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019 worden gevolgd. Als de aansluitingen tussen de vloerplaten die rekenkundige beoordeling niet kunnen doorstaan, dan moet volgens UMC c.s. worden aangenomen dat het gebouw niet veilig is, en dat sprake is van een gebrek dat moet worden hersteld. Een proefbelasting is daarvoor niet nodig, en daarnaast konden de vloeren een proefbelasting niet doorstaan. Volgens BVE kan niet met die rekenkundige beoordeling worden volstaan en is nader onderzoek nodig, waaronder een proefbelasting. BVE is van mening dat voorzorgsmaatregelen getroffen hadden kunnen worden om de risico’s van een proefbelasting af te dekken. 6.42 Het hof wil hierover de volgende vragen aan de deskundige voorleggen: IV. Als niet aan de voorwaarden van het Stappenplan 2022 is voldaan, volstaat het dan om de veiligheid van de aansluitingen tussen de vloerplaten te toetsen aan de hand van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019? Moeten de aansluitingen tussen de vloerplaten volgens deze rekenkundige beoordeling als onveilig worden aangemerkt? Of is daarvoor een nadere analyse nodig, waaronder een proefbelasting? Had zo’n proefbelasting met voldoende voorzorgsmaatregelen voor de mogelijke risico’s kunnen worden uitgevoerd? 6.43 Naast deze vragen met betrekking tot afzonderlijke geschilpunten w