Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-03-17
ECLI:NL:GHDHA:2026:2559
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie Zaaknummer hof : 200.335.326/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/628026 / HA ZA 22-340 Arrest van 17 maart 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonend in [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. A.C. Mens, kantoorhoudend in Hoofddorp, tegen [de man] , wonend in [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. S.E.W.C.M. Kneepkens, kantoorhoudend in Bussum. Het hof noemt partijen hierna de vrouw en de man. 1 De zaak in het kort 1.1 Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 2003 tot [datum] 2022 onder huwelijkse voorwaarden. Aan de orde is de afwikkeling daarvan. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 5 oktober 2023, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 12 juli 2023; de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen; de memorie van antwoord van de man tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bijlagen; de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van de vrouw tevens houdende vermeerdering van eis. 2.2 De vrouw heeft vervolgens verzocht om arrest en het procesdossier gefourneerd. Het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 28 april 2023 is niet overgelegd. 2.3 Op verzoek van de man, heeft het hof de man eveneens de gelegenheid geboden om het procesdossier over te leggen. Hij heeft daaraan gevolg gegeven, waarbij het voormelde proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank met daaraan gehecht de zittingsaantekeningen wel is overgelegd. 3 Feiten 3.1 Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2003 op huwelijkse voorwaarden. In de akte huwelijkse voorwaarden is , voor zover hier relevant, het volgende opgenomen: “HUWELIJKSE VOORWAARDEN Uitsluiting Artikel 1 De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit. (…) Geschil met betrekking tot goederen. Artikel 3 . Tussen de echtgenoten kan een geschil bestaan met betrekking tot de vraag aan wie van hen roerende zaken of rechten aan toonder toebehoren, die niet onder de werking van een bewijsovereenkomst vallen. Indien geen van hen zijn rechten op die goederen kan bewijzen, worden deze geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren. Vergoedingsrechten. Artikel 4. Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten. (…) Verrekening van inkomsten Artikel 9 1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe. Tot het inkomen behoren niet de werkelijke inkomsten uit vermogen. 2. De verrekening vindt plaats, doordat de echtgenoot wiens resterende inkomen groter is dan dat van de andere echtgenoot de helft van het verschil tussen beide resterende inkomens aan de andere echtgenoot uitkeert. 3. De uitkering geschiedt in geld en vindt tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, plaats binnen een jaar na afloop van het kalenderjaar. 4. Indien de in een jaar bespaarde inkomsten niet overeenkomstig lid 3 zijn verrekend, wordt de waarde van hetgeen met die besparingen is verkregen in de verrekening betrokken. 5. Indien tijdens het huwelijk in het geheel niet is verrekend, wordt het vermogen dat ieder van de echtgenoten bij ontbinding van het huwelijk heeft tot op tegenbewijs geacht met de bespaarde inkomsten te zijn verkregen. 6. Indien een goed voor een deel met bespaard inkomen is gefinancierd, word 5 Vorderingen in hoger beroep 5.1 De vrouw vordert het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen: dat de man in verband met het flexibel krediet geen vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap en de vrouw uit deze hoofde niet aan de man een bedrag van € 42.500,- verschuldigd is en de vordering van de man op de vrouw, zoals vastgesteld in punt 6.66 van het bestreden vonnis ad € 123.869,25 verminderd dient te worden met een bedrag ad € 42.500,-; dat de vrouw niet voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de rekeningcourantschuld van de man aan zijn vennootschap [BV] , welk bedrag de rechtbank heeft vastgesteld op € 34.454,50 en ingeval geoordeeld mocht worden dat de vrouw wel voor de helft draagplichtig is voor deze schuld, te bepalen dat ingeval de man meer dan de helft van de rekening-courantschuld van de vennootschap heeft voldaan, hij voor dat meerdere regres zal kunnen nemen op de vrouw; dat de inboedel van de woning in Italië aan de man wordt toegedeeld en de man uit deze hoofde € 7.500,- aan de vrouw dient te betalen en de vordering van de vrouw op de man ad € 75.720,28, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 7.500,-; dat de vrouw in verband met de schenking van haar ouders ad € 50.000,- een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft en de man € 25.000,- aan de vrouw dient te betalen en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van het bestreden vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 25.000,-; dat de man in verband met de verkoop van de twee elektrische fietsen aan de vrouw € 1.900,- dient te betalen en de vordering van de vrouw ad € 75.720,28, zoals vastgesteld in punt 6.66 van het bestreden vonnis vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 1.900,-; dat de man in verband met de verkoop van de boot aan de vrouw € 4.875,- dient te betalen en de vordering van de vrouw ad € 75.720,28, zoals vastgesteld in punt 6.66 van het bestreden vonnis vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 4.875; dat ingeval het hof van oordeel is dat de man in verband met het flexibel krediet wel een vergoedingsrecht heeft, de man ex artikel 22 Rv te bevelen zijn bankafschriften over te leggen vanaf september 2000 t/m de datum dat de man het flexibel krediet heeft afgelost, waarschijnlijk 2016; dat de man in verband met het onttrekken van gemeenschapsgeld ten behoeve van zijn privéappartement een bedrag ad € 120.932,- aan de gemeenschap verschuldigd is en aan de vrouw een bedrag ad € 60.466,- dient te betalen en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 60.466,-; dat de man in verband met het opnemen van contante bedragen van de en/of bankrekening [rekeningnummer] gedurende de periode 2009 t/m 2016 een bedrag ad € 123.870,- aan de gemeenschap verschuldigd is en aan de vrouw een bedrag van € 61.935,- dient te betalen en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 61.935,-; dat de man geheel draagplichtig is met betrekking tot schulden uit hoofde van de geldleningen bij [bank 1] , [bank 2] en [bank 3] en subsidiair ingeval het hof van oordeel is dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor deze schulden te bepalen dat de gemeenschap een vordering op de vennootschap van de man en de man heeft ad € 56.166,- (€ 22.500,- + € 18.970,- + € 14.696,-) en de vennootschap en de man de helft van dit bedrag ad € 28.083,- aan de vrouw dienen te vergoeden en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 28.083,-; dat de man veroordeeld wordt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw een bedrag te betalen ad € 184.170,53, dan wel een zodanig bedrag als het hof jui Uitleg huwelijkse voorwaarden 6.5 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389, het volgende over finale verrekenbedingen overwogen: “3.2.2 Finale verrekenbedingen bevatten veelal de bepaling dat aan het einde van het huwelijk wordt afgerekend alsof gemeenschap van goederen heeft bestaan. Door een zodanig finaal verrekenbeding (hierna ook: ‘alsof’-beding) overeen te komen, zoeken de echtgenoten kennelijk aansluiting bij regels voor de wettelijke gemeenschap van goederen in titel 7 van Boek 1 BW. De vraag kan rijzen of de echtgenoten daarbij slechts het oog hebben op de regels over de omvang van de wettelijke gemeenschap (in het bijzonder artikel 1:94 BW), dan wel of zij mede beogen de mogelijkheid van het ontstaan van vergoedingsrechten als bedoeld in (thans) artikel 1:95 lid 2 BW en artikel 1:96 lid 4 BW in het leven te roepen. Wat artikel 1:96 lid 4 BW betreft, zou het dan gaan om een vergoedingsrecht in verband met het voldoen van een schuld van de ‘pseudo-gemeenschap’ ten laste van niet tot die pseudo-gemeenschap behorende eigen goederen van een echtgenoot. 3.2.3 De hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag kan niet in algemene zin worden beantwoord. Of partijen met een ‘alsof’-beding niet slechts een methode van verrekening naar analogie van de gemeenschap van goederen zijn overeengekomen maar ook de mogelijkheid van vergoedingsrechten alsof tijdens het huwelijk gemeenschap van goederen heeft bestaan, is een kwestie van uitleg van de huwelijkse voorwaarden. Bij die aan de feitenrechter voorbehouden uitleg kan, tegen de achtergrond van hetgeen voortvloeit uit de hiervoor in 3.2.1 genoemde wettelijke regels, bijvoorbeeld van belang zijn wat partijen eventueel nader met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering zijn overeengekomen en of zij naast het ‘alsof’-beding reeds regelingen hebben getroffen voor het ontstaan van vergoedingsrechten, zoals ter zake van de kosten van de huishouding.” 6.6 In onderhavige zaak is in het bestreden vonnis door de rechtbank het volgende overwogen: “6.3 Partijen zijn het eens over de uitleg van hun huwelijkse voorwaarden. Die uitleg is als volgt. Tussen partijen ontstaat geen enkele goederenrechtelijke gemeenschap door het huwelijk. Wel worden de kosten van de huishouding naar rato van inkomen gedeeld. Ook krijgt de partij die iets voor de ander betaalt uit privévermogen een vergoedingsrecht voor die betaling. Partijen hebben de overeengekomen periodieke verrekening niet uitgevoerd. Dat betekent dat het finale verrekenbeding (artikel 14 HV) in werking treedt en zij nu met elkaar moeten afrekenen alsof zij in een algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren (een zogenoemde ‘pseudo-gemeenschap’). Buiten die finale verrekening blijven goederen die partijen voor het huwelijk hadden (aanbrengsten) en onder meer goederen die één van de partijen uit een erfenis of schenking verkregen heeft. Dit finaal verrekenbeding is slechts een methode van verrekening naar analogie van de verdeling van de gemeenschap van goederen. De verrekening heeft dus niet tot gevolg dat de partijen bij de verrekening moeten afrekenen alsof er tijdens het huwelijk of op het moment van de verrekening tussen hen daadwerkelijk een huwelijkse gemeenschap heeft bestaan. Goederen die tot een van beide privévermogens horen blijven daartoe behoren en worden niet aan de ander toebedeeld. Enkel de waarde van die goederen wordt betrokken bij de verrekening. Er zijn naast de privévermogens echter ook gemeenschappelijke eigendommen. Die moeten wel worden verdeeld. Daarnaast kunnen nog vergoedingsrechten bestaan. Partijen gaan er beiden vanuit dat verdeling van gemeenschappelijke eigendommen moet gebeuren vóórdat over wordt gegaan tot verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden. 6.4 Over de peildatum voor de omvang van de pseudo-gemeenschap zijn partijen het ook eens: dit is de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, 19 juni 2020. Partijen maken géén onderscheid tussen die peildatum en de peil In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de en/of-rekening een eenvoudige gemeenschap is. Dit is in hoger beroep niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de man op 13 maart 2016 een bedrag van € 85.000,- heeft overgeboekt van het flexibel hypotheekkrediet naar de en/of-rekening. Ook dit staat in hoger beroep niet ter discussie. De overboeking van het bedrag van € 85.000,- naar de en/of-rekening heeft dus plaatsgevonden vóór de datum van de overdracht van het appartement aan een derde en vóór de aflossing van het flexibel hypotheekkrediet. Er is, zoals de rechtbank heeft overwogen en de man heeft erkend, veel geschoven met privégelden. Zo heeft de vrouw gesteld dat het bedrag van € 85.000,- oorspronkelijk afkomstig is van de door partijen afgesloten hypothecaire geldlening ten behoeve van de echtelijke woning, waarvan een bedrag van € 126.996,84 op 4 december 2015 op de en/of-rekening is gestort, waarmee vervolgens op diezelfde datum van de en/of-rekening een bedrag van € 89.000,- naar het flexibel hypotheekkrediet is overgeboekt. Dit blijkt ook uit de door de vrouw overgelegde stukken, bijlage G en H, overgelegd als productie 6 bij de akte van de vrouw van 17 mei 2023. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat hij vanuit privévermogen een bedrag van € 85.000,- heeft voldaan aan de – door partijen aangeduide – eenvoudige gemeenschap. Daarom kan hij geen aanspraak maken op een vergoedingsrecht. 6.13 Dit betekent dat grief 1 p.a. van de vrouw slaagt, het hof het bestreden vonnis op dit punt zal vernietigen en de door de rechtbank opgemaakte berekening zal wijzigen op dit punt. Het hof komt in verband met het slagen van de grief niet toe aan de voorwaardelijke grief 6 p.a. van de vrouw. Draagplicht (gemeenschappelijke) schulden (rekening-courantschuld aan de vennootschap van de man, [geldverstrekker 1] , [geldverstrekker 2] , [bank 2] , [bank 3] en [bank 1] (grief 2 p.a. en grief 9 p.a.) 6.14 De rechtbank heeft over de schulden onder meer het volgende overwogen:“6.57 De rechtbank volgt de vrouw niet in haar betoog dat de man op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid volledig draagplichtig is voor de schulden aan [geldverstrekker 1] en [geldverstrekker 2] , de vennootschap van de man, aan [bank 2] , [bank 3] en [bank 1] . De vrouw stelt dat de man zonder dat de vrouw dit wist schulden is aangegaan en dat hij dit geld gebruikt heeft voor privé-uitgaven, maar dat betoog slaagt niet. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen in 6.50, zijn partijen schulden aangegaan om hun gezamenlijke levensstijl te bekostigen. Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken die maken dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen bij de verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden in hun onderlinge verhouding gelijk draagplichtig zijn voor bovengenoemde schulden.6.58. Uitgangspunt is dus dat partijen beiden de helft van alle schulden dragen. De rechtbank licht hierna per schuld toe wat daarvan het gevolg is. (…) 6.61. De vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat de discussie over de rekeningcourantschuld niet gaat over de hoogte daarvan. De rechtbank gaat er dus van uit dat de vrouw zich kan vinden in de door de man bijgevoegde jaarstukken van de vennootschap. Daaruit blijkt een. hoogte van de schuld op peildatum van € 68.909,-. Het is niet gesteld of gebleken dat deze schuld al is afbetaald. Deze schuld zal dus nog moeten worden afbetaald, waarbij de vrouw voor de helft draagplichtig is, dus voor (€ 68.909,- /2 =) € 34.454,50. 6.62. De man vindt dat de vrouw de lening van [bank 2] vanaf 8 oktober 202 1 volledig moet dragen, omdat deze schuld volgens de man eerder was afgelost als de vrouw de woning sneller had overgenomen. De rechtbank volgt de man hierin niet, want het is niet gebleken dat de vertraging (volledig) aan de vrouw te wijten was (zie over De door de vrouw aangedragen feiten en omstandigheden, zoals dat de vrouw niet weet waarvoor de rekening-courantschuld is aangegaan en dat de man deze schuld had kunnen aflossen met gelden van de en/of bankrekening of uit de leningen bij [bank 2] en [bank 3] , zijn onvoldoende om tot de conclusie te komen dat een interne draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (naar analogie bij finale verrekening). 6.18 De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de vrouw eveneens voor de helft draagplichtig is voor de schulden aan [geldverstrekker 1] , [geldverstrekker 2] , [bank 2] , [bank 3] en [bank 1] . De vrouw stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij voor de helft draagplichtig is voor deze schulden. Zij voert daartoe onder meer aan dat zij het huishouden deed, geen zicht had op de uitgaven, de man vertrouwde en het onduidelijk is waarvoor de man het geld heeft aangewend. Zij stelt geen financiële ruimte te hebben om de schulden af te lossen. Zij heeft op dit moment een WIA-uitkering beneden bijstandsniveau terwijl de man een goed inkomen heeft en geen partneralimentatie betaalt. Het hof is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om van de interne draagplicht tussen echtgenoten af te wijken. 6.19 Anders dan de vrouw stelt, heeft de rechtbank niet geoordeeld dat de vrouw haar aandeel (in het kader van de finale verrekening) in de rekening-courantschuld direct zal moeten aflossen/verdisconteren bij het te verrekenen bedrag. De rechtbank heeft slechts overwogen dat partijen in hun interne verhouding (al dan niet in het kader van de finale verrekening) gelijk draagplichtig zijn voor alle schulden, waaronder de rekening-courantschuld. Dit betekent dat het hof geen aanleiding ziet om te bepalen dat de man pas regres kan nemen op de vrouw als hij het meerdere van de rekening-courantschuld heeft voldaan. 6.20 Nu het hof het oordeel van de rechtbank bekrachtigt dat de vrouw draagplichtig is voor de hiervoor genoemde schulden, komt het hof toe aan de subsidiaire stelling van de vrouw. De vrouw stelt dat de man aan de gemeenschap dient te vergoeden, en bij helfte dan ook aan de vrouw: a. de bedragen van € 22.500,-, € 10.000,-, € 3.970,- en € 8.696,- die de man van de geldlening bij [bank 1] , [bank 2] en [bank 3] heeft overgeboekt en aangewend voor zijn vennootschap [BV] , en b. het bedrag van € 5.000,- dat de man van de geldlening bij [bank 2] contant heeft opgenomen en het bedrag van € 6.000,- dat de man van de geldlening bij [bank 3] contant heeft opgenomen. De vrouw vordert dan ook subsidiair te bepalen dat de gemeenschap een vordering op de vennootschap van de man heeft van € 56.166,- (€ 22.500,- + € 18.970,- + € 14.696,-) en de vennootschap en de man de helft van dit bedrag, te weten € 28.083,- aan de vrouw dienen te vergoeden en de vordering van de vrouw op de man, zoals vastgesteld in punt 6.66 van voormeld vonnis ad € 75.720,28 vermeerderd dient te worden met een bedrag ad € 28.083,-. Aangezien de vennootschap van de man niet in deze procedure is betrokken, kan het hof niet vaststellen dat de vennootschap een schuld heeft aan de door de vrouw gestelde gemeenschap. Daarnaast is het onduidelijk op welke rechtsgrond de vrouw zich beroept voor wat betreft de door haar gestelde contante opname van de man van € 5.000,- en € 6.000,-. 6.21 De conclusie is dat de grief 2 p.a. en grief 9 p.a. niet slagen. Woning, inboedel, tractor en toebehoren in Italië (grief 3 p.a. en grieven F en G i.a.) Peildatum waardering 6.22 De woning in Italië hebben partijen gezamenlijk in eigendom verkregen. Ten aanzien van deze woning is dan ook sprake van een eenvoudige gemeenschap op de voet van artikel 3:166 BW. Ingevolge artikel 3:185 lid 1 BW kan de rechter, voor zover de deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling gelasten of zelf de ver van de vrouw in zoverre slaagt en het hof in aanvulling op de door de rechtbank gemaakte berekening een bedrag van € 7.500,- in aanmerking zal nemen. De grieven F en G i.a. van de man slagen niet. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding de woning in Italië opnieuw te laten taxeren. Schenking ouders van de vrouw (grief 4 p.a. en grief A i.a.) 6.26 Het hof overweegt als volgt. De stelling van de vrouw dat zij een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft (het hof begrijpt gelet op het finale verrekenbeding: op de ‘pseudo-gemeenschap’) in verband met een schenking van haar ouders onder uitsluitingsclausule van € 50.000,- is juist. Schenkingen zijn krachtens de huwelijkse voorwaarden uitgesloten van de finale verrekening. De rechtbank heeft abusievelijk niet beslist op deze stelling. De man heeft in eerste aanleg immers erkend dat de vrouw ter zake een vergoedingsrecht heeft en hij uit dien hoofde € 25.000,- aan de vrouw dient te vergoeden (punt 107 van zijn conclusie van antwoord in reconventie). In de antwoordakte (productie 11) onder 25 heeft de man eveneens erkend dat de ouders van de vrouw aan haar een schenking hebben gedaan van € 50.000,. Dit betekent dat grief 4 slaagt. Voornoemd bedrag van € 25.000 moet worden meegenomen in de berekening van de vergoedingsrechten. 6.27 Verder heeft de rechtbank (in rov. 6.46 en 6.48) overwogen dat de drie administratieve schenkingen die door de ouders van de vrouw aan haar zijn voldaan, voldoende zijn onderbouwd en dat het totaal van de rente over die administratieve schenkingen die op de en/of-rekening is betaald, € 56.717,- bedraagt. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de vrouw een vergoedingsrecht op de (pseudo-) gemeenschap heeft voor het totale bedrag van de rente. Voor zover de man in grief A i.a. hiertegen opkomt, faalt het reeds daarom. Verder is het hof niet duidelijk waartegen hij precies appelleert en welke conclusie hij hieraan verbindt (zoals in rechtsoverweging 6.3 is overwogen). Grief A i.a. van de man faalt derhalve ook om die reden in zoverre. Benadeling gemeenschap (grief 5 p.a.) 6.28 De vrouw stelt – kort gezegd – dat de man de gemeenschap heeft benadeeld door de elektrische fietsen en de boot kort voor het indienen van het verzoek tot echtscheiding te verkopen en de opbrengst in eigen zak te steken. De man verweert zich daartegen. 6.29 In artikel 1:164 lid 1 BW is bepaald dat, indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het (echtscheidings)geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen van de gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, hij gehouden is na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. Nu partijen het erover eens zijn dat de regels van de wettelijke gemeenschap naar analogie gelden, zal het hof beoordelen of sprake is van benadeling door het handelen van de man. 6.30 Partijen beschikten tijdens het huwelijk beiden over een elektrische fiets. In geschil is of beide fietsen gemeenschappelijk eigendom waren, of dat één van die fietsen tot het ondernemingsvermogen van de vennootschap van de man behoorde. Los van die vraag, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is geweest van benadeling. Uit de overgelegde e-mailwisseling van 19 tot en met 21 mei 2020 (producties 10 en 11 antwoordakte wijziging en vermeerdering van eis d.d. 28 april 2023) blijkt dat de verkoop van de fietsen onderdeel uitmaakte van het bemiddelingstraject tussen partijen onder begeleiding van vrienden van partijen. De vrouw werd in die e-mailberichten betrokken. Volgens de vrouw zag dit bemiddelingstraject niet op het saneren van de (h Geldopnames van de en-/of bankrekening (grief 8 p.a.) 6.36 In grief 8 voert de vrouw aan dat de man een bedrag van € 123.870,- aan de gemeenschap dient te vergoeden, aangezien hij in de periode van 2009 tot en met 2016 met zijn bankpas van de en/of-rekening een bedrag van € 123.870,- contant heeft opgenomen. Volgens de vrouw heeft de man niet aangetoond dat de vrouw ook vaak contante opnames van de bankrekening heeft gedaan, zij betwist dat. De man heeft niet onderbouwd en evenmin bewijsstukken overgelegd waarvoor hij dit bedrag heeft aangewend. 6.37 De man verweert zich daartegen. Er is geen juridische grondslag voor de vordering van de vrouw. De grief is niet onderbouwd en de vrouw deed zelf ook contante opnames, aldus de man. 6.38 Het hof is van oordeel dat grief 8 faalt, reeds omdat een rechtsgrond voor deze vordering ontbreekt. Het is in het geheel niet duidelijk waarom de man, die evenals de vrouw over het tegoed op de gemeenschappelijk bankrekening kon beschikken, gehouden is om contante opnames van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen te vergoeden. Conclusie 6.39 Grief 10 p.a. bevat een concluderende grief voor het geval dat alle grieven van de vrouw in het principale appel slagen. Deze behoeft naar het oordeel van het hof geen aparte bespreking. Vergoedingsrecht vrouw (grief A i.a.) 6.40 Het hof is van oordeel dat de stellingen die de man naar voren brengt in grief A i.a. niet duidelijk zijn. Zo stelt de man dat er in de periode 1999-2003 ook overboekingen van privérekeningen naar de en/of rekening hebben kunnen plaatsvinden. Het hof begrijpt niet tot welk rechtsgevolg dit standpunt zou moeten leiden. Immers, de periode van 1999 tot 2003 betreft de voorhuwelijkse periode en zonder nadere toelichting is niet duidelijk wat de relevantie is van deze stelling. Ook de overige stellingen van de man in grief A i.a. zijn voor het hof onvoldoende duidelijk. Het is niet duidelijk welke gronden hij aanvoert tegen het bestreden vonnis en welke conclusie hij wenst te verbinden aan deze grief, zodat deze grief niet slaagt. Hond [hond] (grief C i.a.) 6.41 In het bestreden vonnis heeft de rechtbank (in r.o. 6.36) de hond [hond] aan de vrouw toegedeeld. De man is echter van mening dat de hond aan hem moet worden toegedeeld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij met de hond op cursus is geweest en hem tot jachthond heeft opgeleid, dat de kinderen dan vaker naar hem toe zullen gaan en de vrouw onvoldoende in staat is voor de hond te zorgen. De vrouw heeft die grief gemotiveerd weersproken. 6.42 Op grond van artikel 3:2a lid 1 BW is een dier, dus ook hond [hond] , geen zaak. Lid 2 bepaalt dat bepalingen met betrekking tot zaken op dieren van toepassing zijn, met inachtneming van de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en goede zeden. 6.43 Het hof overweegt dat in het kader van de belangenafweging aan wie de hond moet worden toebedeeld, alle belangen, waaronder die van de hond, in aanmerking genomen dienen te worden. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het licht van die belangenafweging de hond aan de vrouw moet worden toebedeeld. Het hof neemt die gronden van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Het hof zal het bestreden vonnis op dit punt dan ook bekrachtigen. Bang & Olufsen televisie (grief D i.a.) 6.44 Ook in hoger beroep heeft de man met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat dat de Bang & Olufsen televisie eigendom is van de BV van de man. Met de rechtbank (r.o. 6.23) is het hof daarom van oordeel dat op basis van het bepaalde in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden de Bang & Olofsen televisie wordt geacht een gemeenschappelijk goed te zijn. Verder onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat deze aan de vrouw moet worden toegedeeld, aangezien deze in gebruik is bij de vrouw en de kinderen. Dit betekent dat grief D i.a. faalt en het hof het be