Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-21
ECLI:NL:GHDHA:2026:2495
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.358.576/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/702217 / KG ZA 25-646 Arrest in kort geding van 21 juli 2026 in de zaak van [appellant] , in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater] , kantoorhoudend in [kantoorplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. A.C. [appellant] , kantoorhoudend in Hendrik-Ido-Ambacht, tegen [geïntimeerde] , in persoon en in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van Petronella Maria [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. L.A. Jansen, kantoorhoudend in Oud-Beijerland. Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] . 1 De zaak in het kort 1.1 Dit kort geding betreft kort gezegd het volgende. [appellant] is benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van [de erflater] . Tot die nalatenschap behoren een woning en de aandelen in een vennootschap. [geïntimeerde] , de zus van de later overleden echtgenote van [de erflater] , woont in de woning en beschikt over administratie van de vennootschap. [appellant] vordert dat [geïntimeerde] de woning ontruimt en de gehele administratie afgeeft. 1.2 De voorzieningenrechter heeft de vordering tot afgifte van de administratie van de vennootschap toegewezen voor zover het gaat om de laatste vijf jaar. Voor het overige heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de vorderingen alsnog toe. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 21 augustus 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2025, tevens houdende memorie van grieven, met bijlagen; de memorie van antwoord tevens incidenteel appel van [geïntimeerde] , met bijlagen; de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] . 2.2 Op 25 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de rekestzaak met zaaknummer 200.355.579. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Op [overlijdensdatum] 2010 is J. [de erflater] (hierna: erflater) overleden. Ten tijde van zijn overlijden was erflater onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [de erflaatster] (hierna: [de erflaatster] ). Uit een eerder huwelijk had [de erflater] een vooroverleden zoon. Die zoon had ook een zoon, [de kleinzoon] (hierna: de kleinzoon). 3.2 Erflater heeft bij testament van [datum] 2008 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij [de erflaatster] en zijn kleinzoon tot erfgenamen benoemd. Erflater heeft de wettelijke verdeling van toepassing verklaard en gebruik gemaakt van een zogeheten tweetrapsmaking. Daartoe is in artikel XIV sub A van het testament, voor zover van belang, bepaald: “Hetgeen mijn echtgenote (...) van hetgeen zij uit mijn nalatenschap heeft verkregen (...) onverteerd zal hebben nagelaten, zal ten deel vallen aan mijn genoemde kleinzoon (...).” 3.3 Erflater heeft [de erflaatster] benoemd tot executeur. Die benoeming heeft zij aanvaard. 3.4 Op [datum] 2012 heeft [de erflaatster] aangifte erfbelasting gedaan. In de aangifte staat dat tot de bezittingen van erflater behoorden: 1. een woning aan de [adres] , [postcode] in [plaats] (hierna: de woning), en 2. aandelen in [de vennootschap] (hierna: de vennootschap). 3.5 [geïntimeerde] is de oudste zus van [de erflaatster] . Op enig moment is [geïntimeerde] bij [de erflaatster] in de woning gaan wonen. 3.6 In een Verklaring van inwoning gedateerd 1 juli 2016 staat vermeld dat [de erflaatster] heeft verklaard als hoofdbewoner geen bezwaar te hebben tegen inschrijving van [geïntimeerde] in de woning. 3.7 Op [datum] 2023 is [de erflaatster] overleden. [geïntimeerde] is in de woning blijven won 6 Beoordeling in hoger beroep In principaal en incidenteel hoger beroep 6.1 Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding gevorderde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij – in dit geval [appellant] – ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. 6.2 [appellant] heeft onder meer gesteld dat het ter voorkoming van oplopende hypotheekschuld en executiemaatregelen door de hypotheekverstrekker van belang is zo spoedig mogelijk tot verkoop van de woning en aflossing van de hypotheekschuld over te gaan en dat hij niet beschikt over liquide middelen in de nalatenschapsboedel zodat hij niet kan voldoen aan de fiscale verplichtingen (erfbelasting). De enkele stelling van [geïntimeerde] dat zij hierover afspraken zou hebben gemaakt met de bank doet hier, wat daar ook van zij, onvoldoende aan af. Voorts is voldoende aannemelijk dat [appellant] dient te beschikken over de gehele administratie van de vennootschap teneinde de nalatenschap verder te kunnen afwikkelen. Naar het oordeel van het hof is aldus sprake van voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van de woning en afgifte van de gehele administratie van de vennootschap. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep faalt derhalve. 6.3 Met grief 1 in het principaal hoger beroep klaagt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering tot ontruiming heeft afgewezen. De toelichting op de grief betoogt onder meer dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen [geïntimeerde] en [de erflaatster] een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] voorts op geen enkele wijze aangetoond dat zij daadwerkelijk de verschuldigde huur heeft voldaan en dient ook vanwege de huurachterstand de vordering tot ontruiming te worden toegewezen. 6.4 Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] is dat het bezwaarde vermogen, waaronder de woning, niet is overgegaan op de kleinzoon als verwachter, omdat het saldo van de activa en passiva van de nalatenschap van erflater kleiner of gelijk is aan nihil (op grond van de zogenaamde saldo-theorie). Gelet hierop bestaat de nalatenschap van erflater niet meer en zijn de erfgenamen van [de erflaatster] , waaronder [geïntimeerde] , gerechtigd tot het bezwaarde vermogen. Hierop ziet ook grief 2 in het incidenteel hoger beroep. 6.5 Dit betoog faalt. De tweetrapsmaking is neergelegd in artikel XIV van het testament van erflater (zie rechtsoverweging 3.2). Hetgeen de bezwaarde van hetgeen zij uit de nalatenschap van erflater heeft verkregen onverteerd zal hebben nagelaten (het voorwaardelijk vermogen), zal ten deel vallen aan de kleinzoon. Hierbij is [de erflaatster] als bezwaarde rechthebbende onder ontbindende voorwaarde en de kleinzoon als verwachter rechthebbende onder opschortende voorwaarde. De woning aan de [adres] in [plaats] behoort naar voorlopig oordeel van het hof tot het voorwaardelijk vermogen. Dit strookt met de door [de erflaatster] ondertekende aangifte erfbelasting uit 2010 en de in het Kadaster met betrekking tot de woning vermelde aantekening van de tweetrapsmaking. Volgens artikel XIV sub B onder 1 van het testament is de bezwaarde verplicht binnen één jaar na het overlijden van erflater een notariële boedelbeschrijving te maken van het voorwaardelijke vermogen. Voorts is de bezwaarde blijkens artikel XIV sub B onder 3 verplicht het voorwaardelijke vermogen afzonderlijk te administreren. Vast staat dat dit in het onderhavige geval niet is geschied, hetgeen reden vormt aansluiting te zoeken bij de aangifte erfbelasting uit 2010. Het saldo van de activa en passiva van de nalatenschap va [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt dat de ontruiming van het gehuurde in de gegeven omstandigheden disproportioneel is in de zin van artikel 8 EVRM. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling voorts verklaard dat zij sinds het overlijden van haar zus in 2023 alleen woonachtig is in de woning, zodat er bij de beoordeling geen belangen van minderjarige kinderen in aanmerking behoeven te worden genomen zoals vereist op grond van artikel 3 IVRK. 6.10 Gegeven het voorgaande acht het hof in voldoende mate aannemelijk dat de bodemrechter in voorkomend geval tot het oordeel zal komen dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning toewijsbaar is. De vordering tot ontruiming komt derhalve in kort geding voor toewijzing in aanmerking. De grief slaagt. 6.11 Grief 2 klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering tot afgifte van de administratie van de vennootschap slechts beperkt heeft toegewezen en ten onrechte geen dwangsom aan de veroordeling heeft verbonden. 6.12 Ook deze grief slaagt. De administratie van [de vennootschap] komt toe aan de vennootschap. De aandelen van de vennootschap behoren naar voorlopig oordeel van het hof tot het voorwaardelijk vermogen van erflater. Dat blijkt ook uit de aangifte erfbelasting 2010. [geïntimeerde] heeft dat als zodanig ook erkend. Met het overlijden van [de erflaatster] komen de aandelen van de vennootschap derhalve toe aan de kleinzoon. Voor zover [geïntimeerde] ook in dit verband betoogt dat kort gezegd de aandelen in de vennootschap niet zijn overgegaan op de kleinzoon omdat het saldo van de activa en passiva van de nalatenschap van erflater kleiner of gelijk is aan nihil, verwijst het hof naar het oordeel in rechtsoverweging 6.5. Dat [de erflaatster] de aandelen in de vennootschap uit het voorwaardelijk vermogen heeft gekocht, heeft [geïntimeerde] onvoldoende aannemelijk gemaakt. [appellant] is als vereffenaar in de nalatenschap van erflater dan ook bevoegd afgifte te vorderen van de gehele administratie van de vennootschap voor zover die zich onder [geïntimeerde] bevindt. Aangezien vaststaat dat [de erflaatster] het tweetrapsvermogen niet afzonderlijk heeft geadministreerd en [appellant] onweersproken heeft gesteld dat er (onduidelijke) verwevenheid was tussen het privévermogen en het vennootschapsvermogen, heeft de vereffenaar voldoende belang bij het verkrijgen van de gehele administratie en behoeft hij geen genoegen te nemen met de gepubliceerde jaarstukken over de afgelopen vijf jaar. 6.13 Het hof ziet in het voorgaande aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen zoals hierna te melden. 6.14 Gezien de aard van het kort geding is in deze procedure in beginsel geen plaats voor het bewijslevering. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom voorbij aan het (ongespecificeerde) bewijsaanbod van [geïntimeerde] . Conclusie en proceskosten 6.15 De conclusie is dat het principaal hoger beroep slaagt en het incidenteel hoger beroep faalt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en de vorderingen alsnog toewijzen zoals hierna te melden. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellant] . Waar sprake is van een onnodig incidenteel hoger beroep zal het hof daarin geen kostenveroordeling uitspreken. 6.16 Het hof begroot de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] op: dagvaarding € 144,47 griffierecht € 331,- salaris advocaat € 1.228,- (2 punten × tarief II) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) totaal € 1.892,47. 6.17 Het hof begroot de proceskosten in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellant] op: dagvaarding € 144,47 griffierecht € 362,- salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld i