Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-07-28
ECLI:NL:GHDHA:2026:2482
Aanbestedingsrecht; eisende partij kan geen beroep doen op artikel 1.5 Aw omdat zij niet als mkb-bedrijf kwalificeert. Toetsing aan Aanbeveling 2003/361/EG. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel Recht Team Handel zaaknummer : 200.369.302/01 zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/713443/KG ZA 26-45 Arrest in kort geding van 28 juli 2026 in de zaak van PARKNCHARGE OpCo B.V., gevestigd in Amersfoort, appellante, hierna te noemen: Park&Charge, advocaat: mr. P.F.C. Heemskerk te Amsterdam, tegen 1 GEMEENTE ROTTERDAM, zetelend in Rotterdam, 2. GEMEENTE ALBRANDSWAARD , zetelend in Rhoon, 3. GEMEENTE ALPHEN AAN DEN RIJN , zetelend in Alphen aan den Rijn, 4. GEMEENTE BARENDRECHT , zetelend in Barendrecht, 5. GEMEENTE BODEGRAVEN-REEUWIJK , zetelend in Bodegraven, 6. GEMEENTE CAPELLE AAN DEN IJSSEL , zetelend in Capelle aan den IJssel, 7. GEMEENTE DELFT , zetelend in Delft, 8. GEMEENTE DORDRECHT , zetelend in Dordrecht, 9. GEMEENTE GOEREE-OVERFLAKKEE , zetelend in Middelharnis, 10. GEMEENTE GORINCHEM , zetelend in Gorinchem, 11. GEMEENTE GOUDA , zetelend in Gouda, 12. GEMEENTE HARDINXVELD-GIESSENDAM , zetelend in Hardinxveld-Giessendam, 13. GEMEENTE HOEKSCHE WAARD , zetelend in Maasdam, 14. GEMEENTE HENDRIK-IDO-AMBACHT , zetelend in Hendrik-Ido-Ambacht, 15. GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM , zetelend in Roelofarendsveen, 16. GEMEENTE KRIMPEN AAN DEN IJSSEL zetelend in Krimpen aan den IJssel, 17. GEMEENTE KRIMPENERWAARD , zetelend in Stolwijk, 18. GEMEENTE LANSINGERLAND , zetelend in Bergschenhoek, 19. GEMEENTE LEIDSCHENDAM-VOORBURG , zetelend in Leidschendam, 20. GEMEENTE MAASSLUIS , zetelend in Maassluis, 21. GEMEENTE MIDDELBURG , zetelend in Middelburg, 22. GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND , zetelend in Schipluiden, 23. GEMEENTE NISSEWAARD , zetelend in Spijkenisse, 24. GEMEENTE PAPENDRECHT , zetelend in Papendrecht, 25. GEMEENTE PIJNACKER-NOOTDORP , zetelend in Pijnacker, 26. GEMEENTE REIMERSWAAL, zetelend in Kruiningen, 27. GEMEENTE RIDDERKERK, zetelend in Ridderkerk, 28. GEMEENTE RIJSWIJK, zetelend in Rijswijk, 29. GEMEENTE SCHIEDAM, zetelend in Schiedam, 30. GEMEENTE SCHOUWEN-DUIVELAND, zetelend in Zierikzee, 31. GEMEENTE SLIEDRECHT, zetelend in Sliedrecht, 32. GEMEENTE TERNEUZEN, Zetelend in Terneuzen, 33. GEMEENTE VLAARDINGEN, zetelend in Vlaardingen, 34. GEMEENTE VLISSINGEN, zetelend in Vlissingen, 35. GEMEENTE VOORNE AAN ZEE, zetelend in Hellevoetsluis, 36. GEMEENTE VOORSCHOTEN, zetelend in Voorschoten, 37. GEMEENTE WADDINXVEEN, zetelend in Waddinxveen, 38. GEMEENTE WASSENAAR, zetelend in Wassenaar, 39. GEMEENTE WESTLAND, zetelend in Naaldwijk, 40. GEMEENTE ZOETERMEER, zetelend in Zoetermeer, 41. GEMEENTE ZOETERWOUDE, zetelend in Zoeterwoude, 42. GEMEENTE ZUIDPLAS, zetelend in Nieuwerkerk aan den IJssel, 43. GEMEENTE ZWIJNDRECHT, zetelend in Zwijndrecht, geïntimeerden, hierna te noemen: de Gemeenten, advocaat: mr. T.A. Burger te Den Haag, en tegen 44 FIMIH ENERGY SOLUTIONS B.V., gevestigd in Alkmaar, 45. REBEL DEVELOPMENT B.V., gevestigd in Rotterdam, geïntimeerden (in eerste aanleg tussengekomen partijen), hierna te noemen: Fimih/RD (in enkelvoud), advocaat: mr. E. Hennis te Overveen (Bloemendaal). De procedure in hoger beroep Deze blijkt uit: - De appeldagvaarding tevens memorie van grieven, van 18 mei 2026, met de producties 1 t/m 12 (hierna: appeldagvaarding) waarmee Park&Charge in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 29 april 2026; - de memorie van antwoord van de Gemeenten, met de producties 1 t/m 3; - de memorie van antwoord van Fimih/RD; - Het verhandelde op de mondelinge behandeling van 1 juli 2026 en de pleitnota’s van Park&Charge, de Gemeenten en Fimih/RD. De beoordeling in hoger beroep De feitelijke uitgangspunten 1.1 In hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten a. Op 1 september 2025 hebben de Gemeenten een Europese openbare aanbestedingsprocedure gepubliceerd voor een concessieopdracht voor het overnemen, realiseren, exploiteren, beheren en onderhouden van laadvoorzieningen voor elektrische voertuigen in Rotterdam en Zuidwest Nederland. Uit het Beschrijvend Document volgt dat de verwachte omvang van de concessieopdracht ongeveer 20.000 (of 22.148) nieuwe en ongeveer 3.100 (of 3.224) bestaande laadpalen in de deelnemende gemeenten betreft. b. In het Beschrijvend Document is verder, voor zover van belang, opgenomen: 2.8 Indeling en aantal Concessiehouders De Aanbestedende Dienst kiest ervoor om deze Concessie niet op te delen in percelen. Het betreft één Concessieopdracht, bestaande uit plaatsing en Exploitatie van nieuwe en over te nemen Laadpalen. Het totaal aan Laadlocaties van deze Concessie wordt verdeeld tussen twee Concessiehouders, waarbij de verdeling als volgt plaatsvindt: - Eén Concessiehouder ontvangt 60% van de Laadlocaties; - De andere Concessiehouder ontvangt 40% van de Laadlocaties. Deze verdeling geldt zowel voor de nieuw te realiseren Laadlocaties als voor de bestaande over te nemen Laadlocaties. De Concessiehouder die bij definitieve gunning als eerste [is] in de rangschikking is geëindigd op basis van de Beste Prijs Kwaliteit Verhouding, ontvangt 60% van zowel de nieuwe als de bestaande Laadlocaties; de nummer twee in de rangschikking ontvangt 40% van beide onderdelen. Het bepalen van Laadlocaties gebeurt conform het proces geschetst in §2.16.1 “Datagestuurd plaatsen”. (…) c. Tevens bevat het Beschrijvend Document subgunningscriterium P-2 dat als volgt luidt: P-2 Energievergoeding o.b.v. bandbreedte De Inschrijver geeft een vaste prijs per kilowattuur (kWh) op voor de netto inkoop van elektriciteit ten behoeve van de Laadpalen gedurende de Concessie. Deze prijs is exclusief btw, Energiebelasting en overige wettelijke heffingen. Het betreft enkel de inkoopprijs van elektriciteit zoals deze door de Inschrijver wordt ingekocht op de energiemarkt, inclusief eventuele opslag- of leveringskosten die onderdeel zijn van het commerciële inkoopcontract. Gezien de verwachte marktvolatiliteit wordt de opgegeven prijs ieder kwartaal geïndexeerd. De beoordeling vindt plaats binnen de bepaalde bandbreedte en volgens een beoordelingsmethodiek met een omslagpunt. Inschrijvingen aan de ondergrens van de bandbreedte ontvangen het maximale aantal punten (15). Indien een Inschrijver een Energievergoeding aanbiedt boven de € 0,12000/ kWh dan is de Inschrijving ongeldig en komt deze niet in aanmerking voor gunning. In Figuur 3 is het scoreverloop op basis van de energie-inkoopprijs per kWh visueel weergegeven, conform de vastgestelde bandbreedte en beoordelingsformule. d. Op 16 oktober 2025 heeft Park&Charge schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de opzet van de aanbestedingsprocedure. Specifiek heeft zij bezwaar tegen de zeer grote omvang van de concessieopdracht en de keuze om deze niet aan te besteden in verschillende, separate procedures of ten minste op te delen in percelen en het niet motiveren van die keuzes. Verder heeft zij bezwaar tegen subgunningscriterium P-2 en tegen de ondoorzichtige wijze van verdelen van laadlocaties over de uiteindelijke concessiehouders. Park&Charge heeft de Gemeenten verzocht de aanbesteding in te trekken en, rekening houdend met de klachten van Park&Charge, de opdracht opnieuw aan te besteden. e. Op 12 november 2025 hebben de Gemeenten via een aanvullende Nota van Inlichtingen twee documenten gepubliceerd waarin een toelichting wordt gegeven op de inrichting van de aanbestedingsprocedure en subgunningscriterium P-2. f. Op 12 december 2025 heeft Park&Charge opnieuw bezwaar gemaakt tegen de opzet van de aanbestedingsprocedure in de huidige vorm en aangekondigd rechtsmaatregelen te zullen treffen indien de Gemeenten niet overgaan tot intrekking en heraanbesteding. De vorderingen van Park&Charge en het vonnis van de voorzieningenrechter 2.1 Park&Charge heeft gevorderd, verkort weergegeven Primair (i) een gebod tot staking en gestaakt houden van de aanbestedingsprocedure; (ii) voor zover de Gemeenten de concessieopdracht nog wensen te gunnen: een gebod tot het organiseren van meerdere heraanbestedingen voor het verzorgen van openbare laaddiensten binnen het concessiegebied overeenkomstig artikel 1.5 Aanbestedingswet (hierna: Aw); Subsidiair (i) een gebod tot staking en gestaakt houden van de aanbestedingsprocedure; (ii) voor zover de Gemeenten de concessieopdracht nog wensen te gunnen: een gebod tot het organiseren van één heraanbesteding voor het verzorgen van openbare laaddiensten binnen het concessiegebied, met inachtneming van de verplichting om de samengevoegde opdracht te splitsen; Meer subsidiair (i) een gebod tot staking en gestaakt houden van de aanbestedingsprocedure; (ii) voor zover de Gemeenten de concessieopdracht nog wensen te gunnen: een gebod tot het organiseren van een heraanbesteding voor het verzorgen van openbare laaddiensten binnen het concessiegebied, met inachtneming van het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. 2.2 Aan de primaire en subsidiaire vordering is ten grondslag gelegd dat de Gemeenten in strijd hebben gehandeld met het clusterverbod ex artikel 1.5 lid 1 Aw en het splitsingsgebod ex artikel 1.5 lid 3 Aw door separaat aan te besteden opdrachten onnodig samen te voegen of, als uitgegaan wordt van één opdracht, deze niet in percelen te splitsen. De meer subsidiaire vordering berust op de stellingen dat de gekozen manier van verdeling achteraf over de concessiehouders (zie rov. 1.b) in strijd is met het transparantiebeginsel en dat de aanbesteding een aantal eisen en criteria (zie m.n. rov. 1.c) kent die disproportioneel nadelig zijn voor Park&Charge. 2.3 Tijdens de procedure in de eerste aanleg – op 24 februari 2026 – is de statutaire naam van Park&Charge gewijzigd in Qwello B.V. In dit arrest zal voor het gemak de oude naam worden aangehouden. 2.4 In het vonnis van 29 april 2026 (hierna: het vonnis) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de Gemeenten niet in strijd hebben gehandeld met het clusterverbod van artikel 1.5 lid 1 Aw en het splitsingsgebod van artikel 1.5 lid 3 Aw. Verder heeft de voorzieningenrechter de beroepen van Park&Charge op schending van het transparantie- en het proportionaliteitsbeginsel verworpen. De vorderingen van Park&Charge zijn in het vonnis afgewezen, onder veroordeling van haar in de proceskosten van de Gemeenten en van Fimih/RD. Ook de vorderingen van Fimih/RD als tussenkomende partij zijn afgewezen. 2.5 Na het vonnis is de uiterste inschrijfdatum verschoven naar 26 mei 2026. Er hebben zes partijen ingeschreven. Park&Charge heeft geen inschrijving gedaan. De beoordeling van de inschrijvingen is nagenoeg afgerond. Het hoger beroep 3.1 Van het vonnis is Park&Charge tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft tegen dat vonnis acht grieven aangevoerd. Tevens heeft zij in haar subsidiaire vordering (ii) een nadere specificatie aangebracht. 3.2 Het hof ziet aanleiding om eerst in te gaan op het – door de voorzieningenrechter niet gehonoreerde – verweer van de Gemeenten en Fimih/RD, dat Park&Charge geen midden- en kleinbedrijf (mkb-bedrijf) meer is en daarom geen beroep kan doen op artikel 1.5 Aw, waarin kort gezegd is bepaald dat: - een aanbestedende dienst opdrachten niet samenvoegt, tenzij hij dit naar behoren motiveert (lid 1); - een aanbestedende dienst een opdracht opdeelt in meerdere percelen, tenzij dit niet mogelijk is en wordt gemotiveerd in de aanbestedingsstukken (lid 3). 3.3 Artikel 1.5 Aw vloeit niet voort uit de Unierechtelijke aanbestedingsregels maar is bij wege van amendement in de Aw opgenomen. In de toelichting op het amendement is het volgende vermeld : Het clusteren van overheidsopdrachten is veel mkb-ers een doorn in het oog. Door onnodig samenvoegen komen kleinere bedrijven niet meer in aanmerking voor overheidsopdrachten. (…). De indiener beoogt met dit amendement onnodig clusteren te voorkomen en de kansen van mkb-partijen op aanbestedingsopdrachten te vergroten. Hieruit volgt dat een beroep op artikel 1.5 Aw alleen openstaat voor mkb-bedrijven, zoals alle partijen in dit geding overigens ook tot uitgangspunt nemen. 3.4 Onderzocht moet dus worden of Park&Charge een mkb-bedrijf is. Ten betoge dat dit niet zo is, hebben de Gemeenten en Fimih/RD er op gewezen dat Park&Charge sinds 2024 deel uitmaakt van de Qwello-groep, die in een nieuwsbericht van 5 februari 2026 het volgende heeft laten weten: ‘ Op 13 mei 2024 kondigde de Europese laadpaalexploitant Qwello aan dat ze Park&Charge overneemt. Met de overname zet Qwello haar Europese uitrol voort (…) ’. In punt 3.6 van de conclusie van antwoord hebben de Gemeenten het volgende schema van de Qwello-groep gepresenteerd: Park&Charge heeft in haar processtukken de juistheid van dit schema niet betwist, met dien verstande dat zij wel nog heeft gepreciseerd dat de ‘bovenste’ vennootschap TIP Qwello Investments LP in november 2024 is opgeheven en dat tweede vennootschap van boven, TIP Charging Holdco LTD, de holding is van private equity investeerder Tiger Infrastructure Partners die met dit bedrijf investeert. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens Park&Charge desgevraagd bevestigd dat de in het schema vermelde percentages correct zijn. De vennootschap rechtsonder in het schema – Qwello B.V., voorheen ParknCharge OpCo B.V. – is de eisende partij in deze procedure (Park&Charge), zie ook rov. 2.3. Zij is de ‘volle’ achter-achterkleindochter van Qwello GmbH die dus indirect 100% van de aandelen in Park&Charge houdt. Van de aandelen in Qwello GmbH is 57,41% in bezit van TIP Charging Holdco Ltd die, zoals is vermeld in het schema, in 2024 een balanstotaal had van 157 miljoen euro en een winst van circa 48 miljoen euro. 3.5 De Gemeenten hebben gesteld (punten 3.6 en 3.7 conclusie van antwoord) dat gelet op deze cijfers Park&Charge feitelijk niet als mbk-bedrijf kan worden beschouwd. In haar pleitnota in hoger beroep (punten 4 en 5) heeft Fimih/RD zich hierbij aangesloten. 3.6 Park&Charge heeft er – met juistheid – op gewezen dat op grond van artikel 2 lid 1 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (hierna kortweg: Aanbeveling 2003) een onderneming kwalificeert als mkb-partij indien zij minder dan 250 personen in dienst heeft en de jaaromzet niet hoger is dan 50 miljoen euro of het jaarlijks balanstotaal niet hoger is dan 43 miljoen euro. Volgens Park&Charge valt zij met (in 2025) 19 werknemers en een jaaromzet van 31 miljoen euro binnen deze definitie en geldt dat ook voor Qwello GmbH die in 2024 92 werknemers had en een geconsolideerde jaaromzet van 26 miljoen euro. Daarbij betoogt Park&Charge dat de omzetten van haar indirecte moeder TIP Charging Holdco LTD irrelevant zijn voor de positie van Park&Charge en/of Qwello GmbH als mkb-bedrijf. Anders zou vrijwel iedere mkb-partij die een private investeerder aantrekt, de mkb-status verliezen, en dat kan niet de bedoeling zijn, aldus Park&Charge. 3.7 Hoewel de lidstaten niet verplicht zijn de definitie van Aanbeveling 2003 te gebruiken, in elk geval niet bij een niet-communautaire regel als artikel 1.5 Aw, acht het hof het – met partijen – aangewezen om dat wel te doen, om de redenen die zijn genoemd in overweging (i) bij die Aanbeveling. 3.8 In de bijlage bij Aanbeveling 2003 (hierna: de Bijlage) worden ondernemingen die in Nederland onder de noemer ‘mkb’ worden geschaard, aangeduid als KMO’s (kleine, middelgrote en micro-ondernemingen). Bij de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen wordt ingevolge de Bijlage niet alleen gekeken naar de onderneming zelf (hierna: de Z-onderneming), maar ook naar de partnerondernemingen en de verbonden ondernemingen. Van een verbonden onderneming is onder meer sprake wanneer een andere onderneming de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders van de Z-onderneming bezit, ook wanneer deze band via een of meerdere andere ondernemingen wordt onderhouden (artikel 3 lid 3, 1e alinea bij a en 3e alinea van de Bijlage). Dit betekent dat wanneer een onderneming, al dan niet via andere ondernemingen, meer dan 50% van de Z-onderneming bezit, deze een verbonden onderneming is. Van een partneronderneming is sprake als deze meer dan 25% van de Z-onderneming bezit, maar geen verbonden onderneming is (artikel 3 lid 2 van de Bijlage). Deze laatste voorwaarde impliceert dat een partneronderneming niet meer dan 50% van de Z-onderneming bezit. Voor de KMO-beoordeling moet een gedeelte van de cijfers van partneronderneming en 100% van de (nog niet door consolidatie in de rekening opgenomen) cijfers van de verbonden onderneming bij de cijfers van de Z-onderneming worden opgeteld (artikel 6 lid 2 van de Bijlage). 3.9 Uit het onder 3.4 overwogene blijkt dat Tip Charging Holdco Ltd een met Park&Charge verbonden onderneming is: Tip Charging Holdco Ltd heeft meer dan 50% van de aandelen in Qwello GmbH die indirect (via andere vennootschappen) 100% van de aandelen in Park&Charge bezit. Omdat Tip Charging Holdco Ltd in 2024 een winst heeft behaald van circa 48 miljoen euro moet worden aangenomen dat zij in dat jaar een omzet had van (veel) meer dan 50 miljoen euro. Haar balanstotaal in dat jaar was 157 miljoen euro. Door Charge&Park is niets gesteld dat er op zou kunnen duiden dat na 2024 de omzet en/of het balanstotaal van TIP Charging Holdco Ltd in relevante mate zou(den) zijn gedaald. Nu voor de KMO-beoordeling deze cijfers van TIP Charging Holdco Ltd volledig (voor 100%) worden opgeteld bij die van Park&Charge zelf (jaaromzet van 31 miljoen euro) worden de in artikel 2 lid 1 van de Bijlage genoemde drempelwaarden – maximaal 50 miljoen euro jaaromzet of jaarlijks balanstotaal van maximaal 43 miljoen euro – ruimschoots overschreden. Dit betekent dat Park&Charge niet als KMO/mkb-bedrijf kan worden aangemerkt. 3.10 Met haar argument dat deze uitkomst ertoe zou leiden dat vrijwel ieder mkb-bedrijf dat private equity aantrekt, de mkb-status verliest, gaat Park&Charge er overigens aan voorbij dat in artikel 3 lid 2, 2e alinea van de Bijlage een voorziening is getroffen voor (onder meer) private equity -investeringen, die inhoudt dat een risicokapitaalmaatschappij ook bij overschrijding van de 25%-drempel van artikel 3 lid 2, 1e alinea van de Bijlage, niet als partneronderneming wordt aangemerkt zolang zij geen verbonden onderneming is. Met andere woorden: bij een participatie van een private equity -investeerder van 25-50% blijft een mkb-bedrijf die status gewoon behouden. 3.11. Uit het voorgaande volgt dat Park&Charge geen beroep kan doen op artikel 1.5 Aw. In aanmerking nemend dat Park&Charge niet heeft aangevoerd dat de samenvoeging van de opdrachten/het niet opdelen in percelen in strijd is met proportionaliteitsbeginsel van artikel 1.10 Aw, althans in hoger beroep niet heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter dit heeft miskend, volgt hieruit dat de Gemeenten de opdrachten mochten samenvoegen en niet in percelen hoefden op te delen. De primaire en subsidiaire vordering van Park&Charge stuiten hierop af. 3.12 In de appeldagvaarding heeft Park&Charge opgemerkt dat de onderhavige aanbestedingsprocedure een zodanige omvang heeft dat zij niet in staat is de opdracht uit te voeren (punt 4.13) en dat zij, gelet op de onrechtmatigheid van die procedure, niet zal inschrijven (punt 2.3). In de in rov. 1.f vermelde brief van 12 december 2025 is namens Park&Charge onder meer het volgende naar voren gebracht (onderstreping door het hof): ‘ Uitgangspunt van het bezwaar van Park&Charge is dat de Gemeente Rotterdam in strijd met artikel 1.5 Aw de Concessieopdracht niet in percelen deelt. Dit gegeven op zichzelf , maar zeker in combinatie met de andere, hierna te bespreken bezwaren, maken het voor mkb-bedrijven zoals Park&Charge onmogelijk om in te schrijven ’. Het hof begrijpt uit dit een en ander dat de in de visie van Park&Charge te grote omvang van de opdracht voor haar een zelfstandig reden vormde om van inschrijving af te zien. Nu haar bezwaren tegen de omvang van de opdracht niet zijn gehonoreerd en de opdracht dus in de oorspronkelijke omvang mag worden aanbesteed heeft Park&Charge – zoals de Gemeenten hebben aangevoerd – geen belang meer bij haar transparantie- en proportionaliteitsbezwaren tegen de inhoudelijke eisen die in de aanbestedingsstukken zijn opgenomen. Immers, ook wanneer deze bezwaren gegrond zouden worden bevonden, dan zou Park&Charge daar geen profijt van kunnen hebben omdat de omvang van de opdracht toch al een beletsel voor inschrijving door haar zou vormen. Niets wijst er op dat Park&Charge wel alsnog zou willen inschrijven wanneer aan haar transparantie- en proportionaliteitsbezwaren tegemoet zou worden gekomen maar de omvang van de opdracht ongewijzigd zou blijven. De meer subsidiaire vordering van Park&Charge loopt hierop stuk. 3.13 De vorderingen van Park&Charge zijn reeds om de hiervoor genoemde redenen niet toewijsbaar. De grieven van Park&Charge hoeven daarom niet meer behandeld te worden. Het bestreden vonnis zal, met aanpassing van gronden, worden bekrachtigd. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal Park&Charge worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof: - bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 29 april 2026; - wijst af hetgeen Park&Charge in hoger beroep meer of anders heeft gevorderd; - veroordeelt Park&Charge in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Gemeenten begroot op € 851,- voor griffiegeld en € 3.870,- voor salaris, en aan de zijde van Fimih/RD eveneens begroot op € 851,- voor griffiegeld en € 3.870,- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Park&Charge deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan, en bepaalt dat als Park&Charge niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Park&Charge de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Park&Charge deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan; - verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordeling in de kosten van de Gemeenten uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y. Bonneur, J.J. Van der Helm en C.E.C. Jansen; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier. Kamerstukken II 32 440, nr. 29.